Centroamérica – Lagartijas Tiradas al Sol
Iedereen liegt
Floris Baeke
© Illias Teirlinck
In het werk van Jozef Wouters (1986) staat ruimte centraal, en de ruimte van het theater – scenografie – in het bijzonder. In Decoratelier, een voormalig fabriekspand in Molenbeek, worden onder zijn leiding sinds enkele jaren tribunes en decors gebouwd, maar de plek is ook omschreven als ‘een radicaal inclusieve publieke ruimte zonder vaste agenda die diverse artistieke gemeenschappen en buurtbewoners zich konden toe-eigenen’. Wouters’ recentste voorstelling, A Day is a Hundred Years is een onverbloemde hommage aan de plek die hij zelf in het leven heeft geroepen.
Het is typisch voor de aanpak van Wouters dat een voorstelling begint nog voor de aanvang ervan, gewoon omdat de traditionele theaterruimte veranderd is. Tijdens de première van A Day is a Hundred Years in de Bourlaschouwburg blijken een groot deel van de parterre en alle balkons aan de linkerkant van de zaal onder een zwart laken bedekt. Het kan een ultieme wanhoopspoging lijken om te verhullen dat niet alle tickets verkocht of uitgedeeld zijn geraakt. Maar het is ook een experimentele manier om de theatermachine te doen haperen, door het dwingende perspectief, in een klassieke, symmetrische zaal, te doorbreken – door een andere kijkrichting te suggereren dan we gewend zijn, een ‘effect’ dat nog wordt versterkt door de belichting, die zich voornamelijk aan de rechterkant van de zaal bevindt. Om het contrast met die schuine zienswijze te verhogen, begint de voorstelling met een mise en abyme van het meest centralistische theaterdecor uit de architectuurgeschiedenis: het Teatro Olimpico uit 1585 van Palladio en Scamozzi. In verschillende, terugwijkende lagen, doek na doek, wordt de centrale opening in het midden steeds kleiner, tot er uiteindelijk een hand in tevoorschijn komt, met op de palm een oog aangebracht – het theater kijkt terug.
“De spanning tussen plekken en mensen, of tussen ruimtes en de dingen die er plaatsgrijpen, is het onoplosbare basisdilemma van de architectuur. Kan een gebouw (en dus een architect) bepalen wat er zich binnenin afspeelt?”
Daarna gaat een ander opmerkelijk element de hoofdrol spelen: een draaiend houten podium dat Decoratelier, zo zegt Wouters in een interview met Julie De Meester in de zaaltekst, cadeau kreeg van deSingel. In het Toneelhuis dringt het de voorste rijen met stoeltjes een beetje terug, als cirkelvormig verlengstuk van de scène. Tegelijkertijd worden de doeken die het Teatro Olimpico afbeelden, vervangen door een doek waarop de gevel van het Decoratelier in Molenbeek staat afgebeeld – een grote sprong in de geschiedenis, en een flatterende sequentie: van valse bescheidenheid heeft Wouters geen last. De combinatie tussen het als een platenspeler draaiende podium en de namaakgevel leidt tot een deurenkomedie met maar één deur, namelijk de poort van het Decoratelier, die wel in hout is uitgevoerd. Acteurs of eerder performers, al dan niet vergezeld van een fiets of een elektrische step, staan links op het in tegenwijzerzin roterende podium, en worden op die manier automatisch naar de blauwe deur geleid. Ofwel moeten ze aanbellen, ter plaatste trappelend, ofwel kennen ze de toegangscode. ‘Ik heb me vooral gerealiseerd’, zo zegt Wouters in het programmablad, ‘dat je het gebouw niet los kan zien van de mensen die er zorg voor dragen. Daarom bestaat de cast uit mensen die al langer deel uitmaken van Decoratelier.’
De spanning tussen plekken en mensen, of tussen ruimtes en de dingen die er plaatsgrijpen, is het onoplosbare basisdilemma van de architectuur. Kan een gebouw (en dus een architect) bepalen wat er zich binnenin afspeelt? Is er eigenlijk wel een relatie tussen een plaats en wat er plaatsgrijpt? En wie beslist uiteindelijk over de uitkomst van die relatie? Een bijzondere eigenschap of althans een intentie van Decoratelier, is dat al deze vragen ermee beantwoord lijken: het is een utopische plek waar iedereen zichzelf kan zijn, waar iedereen welkom is, waar machtsonevenwichten niet bestaan, zelfs al is die plek het brainchild van één man, die het narratief erover bepaalt door er honderduit over te praten, in interviews, teksten en filmpjes, en door er nu ook een voorstelling over te maken.
Bovendien – en het veroorzaakt de centrale spanningsboog in A Day is a Hundred Years – staat die plek op het punt te verdwijnen. De stad Brussel heeft namelijk plannen met het pand in de Manchesterstraat waar Decoratelier gevestigd is. De ‘Maatschappij voor Stedelijke Inrichting’ wil het gebouw samen met naastliggende sites ‘herontwikkelen en renoveren om er een cultureel, artistiek en creatief productiecentrum van te maken’. De wedstrijd werd in 2021 gewonnen door een samenwerkingsverband tussen BC Architects en Civic Architects, met een ontwerp waarin, zoals dat vandaag van de architectuur wordt verwacht, vooral circulair bouwen en hergebruik van materialen de boventoon spelen, eerder dan ruimte of vorm. Ongeveer halverwege A Day is a Hundred Years wordt de gevel van Decoratelier vervangen door een doek met daarop een computersimulatie – een render – van de toekomstige gevel van deze ‘creatieve hub’. De manier waarop die gevel in de voorstelling vervolgens wordt geridiculiseerd als een abstractie en een simulacrum – een van de performers probeert de bel te vinden of de toegang, wat natuurlijk niet lukt, en tracht ook in een vlak voor het gebouw afgebeelde boom te klimmen – is een beetje makkelijk, als architectuurkritiek. Dat deze gevel niet ‘echt’ is, dat komt ten eerste omdat deze gevel nog niet bestaat (het gaat om een project, om een plan), en ten tweede omdat Wouters ervoor gekozen heeft de gevel als tweedimensionaal doek te materialiseren – als afbeelding – terwijl de poort van het Decoratelier wel degelijk, op scène, in hout werd uitgevoerd.
De kritiek op het toekomstige kunstencentrum, en Wouters’ besluit om er geen deel van uit te willen maken maar er vervolgens wel een voorstelling aan te wijden, toont opnieuw hoe hij het narratief wil beheersen, zoals dat een kunstenaar betaamt. Natuurlijk kan en zal het toekomstige complex een vorm van gentrificatie van Molenbeek inleiden, en het is een vorm van kritisch anarchisme om daaraan te willen weerstaan. Maar is elke beslissing van een politieke overheid per definitie verdacht? Op de vraag waarom Decoratelier niet zou kunnen functioneren binnen een groter geheel en achter een nieuwe glazen gevel, daarop biedt A Day is a Hundred Years geen antwoord. ‘Ruimte geven is macht verdelen’, zo luidt Wouters’ adagium, maar iedereen die meedoet, zowel in het publiek, op het podium als in het atelier, lijkt toch vooral een figurant te moeten blijven in zijn bedenksels, eerder dan in die van de stad Brussel.
A Day is a Hundred Years toont opnieuw dat het Wouters niet aan ideeën en inzichten ontbreekt, noch aan talentvolle medewerkers. In de finale – één doek met het Teatro Olimpico is weergekeerd – treedt het werk op de voorgrond van Barry Ahmad Talib, volgens Wouters de ‘huisbewaarder’ van Decoratelier, dat ook al in eerdere opvoeringen voorkwam. Hij maakt bomen, zowel in miniatuurformaat als meer dan manshoog groot, door boomblaadjes uit oude tapijten te knippen – ook een vorm van hergebruik – en ze op houten stammen en takken aan te brengen. De theaterruimte wordt gevuld met objecten, die bovendien een natuurlijke eerder dan een culturele uitstraling hebben. In glinsterend licht draaien de kleurige bomen rond, terwijl hypnotiserende, epische muziek weerklinkt, als in een schitterende, ideale wereld. Zoals Proust het al wist: er zijn alleen maar verloren paradijzen.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.