Van Plato tot NATO © Stef Stessel

Leestijd 16 — 19 minuten

How the West Was Won

Kanttekeningen bij Van Plato tot NATO en De Wederopbouw van het Westen/WIT

Twee Vlaamse theatergezelschappen stelden zich in het najaar van 2010 expliciet vragen naar de identiteit van het Westen: KVS & De Vereniging van Enthousiasten met Van Plato tot NATO en Compagnie de Koe met De Wederopbouw van het Westen/WIT. Hun respectieve antwoorden, zo schrijft Erwin Jans, zijn erg verschillend en tekenend voor de complexiteit van de vraag.

Het Westen: wat is het, waar staat het voor en waar ligt het precies? Is het een geografische eenheid? Een waardestelsel? Een beschaving? Een politiek dispositief? Een economisch systeem? Het resultaat van een unieke  geschiedenis? Een levenshouding? Een verbeelding? Het Westen. Het is een term die meer vragen oproept dan antwoorden geeft, meer onduidelijkheid schept dan  verheldering brengt. Ondanks – of misschien precies omwille van – die vaagheid is de term de voorbije decennia de inzet geworden van een politieke discussie waarin niet alleen de inhoud maar ook het voortbestaan van dat Westen zelf op het spel staan. Op zijn minst twee Vlaamse  theatergezelschappen stelden zich in het najaar van 2010 expliciet vragen naar de identiteit van het Westen: KVS & De Vereniging van Enthousiasten voor het Reële en het Universele met Van Plato tot NATO en Compagnie de Koe met De Wederopbouw van het Westen/WIT. Hun respectieve antwoorden zijn erg verschillend en tekenend voor de  complexiteit van de vraag. Door een brug te slaan tussen de grote Griekse filosoof en het naoorlogse militaire bondgenootschap van de VS en West-Europa, pakt Van Plato tot NATO het Westen frontaal aan. De Wederopbouw van het Westen/WIT is voorzichtiger en persoonlijker in zijn benadering. Het is het eerste deel van een trilogie die De Wederopbouw van het Westen/ROOD en De Wederopbouw van het Westen/ZWART zullen voltooien. De trilogie is een poging van de makers (Natali Broods, Willem de Wolf, Peter Van den Eede, Stefaan Van Brabandt) om via persoonlijke herinneringen en associaties greep te krijgen op dat ‘Westen’. De drie kleuren – wit, rood en zwart – staan daarbij voor drie fundamentele houdingen die het Westen zouden kenmerken: onbevangenheid, passie en destructie.

In De Wederopbouw van het Westen/WIT geeft de Nederlandse acteur Willem de Wolf volgende tegelijk ironisch-relativerende en filosofisch-diepzinnige omschrijving van het Westen: ‘Als er een westen was dat ik al heel vroeg leerde kennen als iets anders, iets groters, iets belangrijkers dan waar wij leefden, dan was dat het westen van het land. Het westen van Nederland. Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, de Randstad. Daar waar men Nederlands spreekt. Daar waar men behendig  veel Nederlands sprak. In onze ogen, onnodig behendig veel Nederlands sprak. Wij waren van huis uit nogal stil. En wij zagen op de televisie wel dat er gepraat werd. En ik herinner me hoe dit ‘praten’ in de loop van de jaren zeventig vanuit dat westen onze kant op kwam. Ik bedoel hoe in die tijd ‘het praten’ als oplossing, als mogelijke oplossing van problemen bij ons in huis werd geïntroduceerd. […] Het westen was voor mij dus ook leren praten. Het openleggen van een binnenwereld. Het onder woorden brengen van een binnenwereld.’ Als het Westen staat voor het verwoorden van de binnenwereld – en daar zijn goede argumenten voor –, dan heeft het aan het begin van de eenentwintigste eeuw, op het ogenblik dat de hele wereld aan het ‘verwesteren’ is, een grote opdracht: een nieuwe zelfdefinitie articuleren.

Avondland

Wat zijn nu de parameters van deze nieuwe identiteit? De westerse moderniteit valt samen met een geschiedenis van permanente zelfkritiek, zelfonderzoek en zelftransformatie: Il faut être absolument moderne, schreef Rimbaud in Une saison en enfer (1873). In zijn studie The Passion of the Western Mind (1991) merkt de historicus Richard Tarnas op dat de gespletenheid van de westerse mens mede het gevolg is van het uit elkaar groeien van de twee domeinen van het menselijk bestaan waarop romantiek en verlichting hun invloed uitoefenden. Het rationeel-wetenschappelijk denken van de verlichting kreeg steeds meer greep op de fysieke ‘buitenwereld’, terwijl de romantische categorieën steeds nadrukkelijker ons innerlijk, ons zelfbewustzijn en onze waarden begonnen te tekenen. Het is deze onoverbrugbare spanning, deze onmogelijke afstemming van een innerlijke/subjectieve en uiterlijke/objectieve wereld, die constitutief is voor de westerse moderniteit. De twintigste eeuw – ‘de eeuw van de extremen’ aldus Eric Hobsbawm – toont de destructieve en constructieve ‘januskop’ van het Westen: imperialisme, kolonialisme, fascisme en holocaust, tegenover technologische vooruitgang, democratisering, individuele vrijheid en mensenrechten. Met de val van de Berlijnse muur in 1989 en het einde van de Sovjet-Unie komt het Westen als de grote overwinnaar uit de Koude Oorlog tevoorschijn. Tijd  voor nieuwe zelfdefinities. Met Het einde van de geschiedenis en de laatste mens (1992) van Francis Fukuyama wordt de westerse combinatie van vrije markteconomie en democratie als het einddoel van de geschiedenis voorgesteld, terwijl het Westen bij Samuel Huntington in zijn Botsende beschavingen (1996) slechts een van de zeven beschavingsblokken is die in de eenentwintigste eeuw zullen clashen. Voor Huntington – en voor veel conservatieve cultuurcritici – is het conflict met de islam essentieel voor het overleven en voor de identiteit van het Westen. Jihad vs McWorld (1995) van Benjamin Barber en Empire (2000) van Antonio Negri en Michael Hardt zijn verdere pogingen om het Westen te herdefiniëren binnen een geglobaliseerde wereld. Het Westen wordt al lang niet meer alleen bepaald door wat het van zichzelf denkt. De hele wereld doet nu uitspraken over wat het Westen al dan niet is, waarvoor het al dan niet staat. Lees er Jean Zieglers De haat tegen het Westen (2008) maar op na.

Het idee dat het Westen en zijn waarden bedreigd worden, heeft zich vooral ontwikkeld in het debat rond de multiculturele samenleving en de plek van de islam daarbinnen. Regelmatig duikt in die context opnieuw de term ‘het Avondland’ op om het Westen aan te duiden. De recente CANVAS/VPRO-serie De weg naar het Avondland van Jan Leyers is hier een goed voorbeeld van. Leyers begint zijn tocht in Ethiopië, waar in 1974 ‘Lucy’ werd ontdekt en trekt dan doorheen Soedan, Israël, Turkije, de Kaukasus, Rusland en Duitsland terug naar Vlaanderen: ‘Een lange reis, waarbij hij erachter kwam dat de waarden die het Westen hoog in het vaandel heeft, in andere delen van de wereld totaal niet belangrijk zijn. Hij komt op plaatsen waar vooruitgang iets anders betekent dan bij ons, in samenlevingen waar het belang van de groep voorgaat op de rechten van het individu. De serie biedt de kijker zicht op een veranderende wereld en houdt hem tegelijk een spiegel voor: waar komen we vandaan? En, dringender nog: waar gaan we naartoe?’1, aldus de wat alarmerende perstekst van het programma. Het ‘Avondland’ is een beladen term omdat er melancholische en apocalyptische echo’s in doorklinken van onder andere Oswald Spenglers cultuurfilosofische boek Der Untergang des Abendlandes dat bijna een eeuw geleden verscheen (1918-1922) en dat het verval van het Westen diagnosticeerde.

Democratie

Wat brengen de twee hoger genoemde voorstellingen nu precies ter sprake? Van Plato tot NATO zou verwijzen naar de bijnaam van een snelcursus Europese beschavingsgeschiedenis voor Amerikaanse studenten: From Plato to NATO in three weeks. Daarnaast is From Plato to NATO ook toevallig de titel van een in 1998 verschenen boek van David Gress. De ondertitel van het boek is The Idea of the West and its Opponents. Voor Gress staat de omschrijving From Plato to NATO voor wat hij ‘the Grand Narrative’ van het westen noemt. Dat Grote Verhaal ziet het Westen als een ononderbroken keten van grote ideeën die loopt van het antieke Griekenland tot nu. In die keten vindt het Westen zijn identiteit. David Gress zet zich af tegen dit Grote Verhaal, dat tot de jaren zestig aan Amerikaanse universiteiten, maar ook in Europa werd gedoceerd. Gress verwerpt de idee dat de noties van ‘vrijheid’ en ‘democratie’ als abstracte, transhistorische concepten de geschiedenis van het Westen (Amerika en Europa) hebben geleid. Daartegenover stelt hij dat het huidige Westen (en dus de westerse identiteit) het resultaat is van een aantal praktijken en instellingen die zich ontwikkelden, niet vanuit Griekenland, maar vanuit de synthese van de klassieke, de christelijke en de Germaanse cultuur tussen de vijfde en de achtste eeuw.

Er zijn geen aanwijzingen dat de KVS & De Enthousiasten zich hebben laten inspireren door het boek van Gress, al steken ook zij de draak met het simpele verhaal dat het Westen de loutere optelsom is van filosofie, wetenschap en democratie uit Griekenland; de res publica en het recht uit Rome, het christendom; de kruistochten; de donkere middeleeuwen; de ontdekking van de Nieuwe Wereld; de renaissance en de ondernemingszin; de Franse Revolutie; de industriële revolutie; het kapitalisme en de vrije markt; twee Wereldoorlogen; de Koude Oorlog; de NATO, ‘en voilà, we zijn er’. Het is het standaardverhaal dat in ieder geschiedenisoverzicht gereproduceerd wordt. Maar er is iets aan het rotten in dit verhaal, zeggen de makers Hamlet na. De ideeën van democratie en vrijheid waarop het Westen is gebouwd, blijken mooie maar lege dozen te zijn. Dat is het uitgangspunt van de voorstelling.

Van Plato tot NATO is een satirische revue geworden met de voor het genre gebruikelijke snelle opeenvolging van sketches, filmfragmenten, zang- en dansnummmertjes, parodieën van politieke redevoeringen, enzoverder. Inhoudelijk concentreert de voorstelling zich op twee thema’s uit Plato’s werk: de zintuiglijke werkelijkheid als een schijnwereld in vergelijking met de ideeënwereld enerzijds en de strijd tegen ‘het democratische beest’ anderzijds. Plato was geen democraat. Zijn ideale Staat wordt geleid door een selecte groep van filosofen die als enigen in staat zijn om op rationele basis beslissingen te nemen. Plato’s politieke geschriften zijn een harde afrekening met de Atheense democratie van zijn tijd en met het sofisme, dat hij beschouwde als louter retorische Spielerei. Zo is het verschil tussen democratie en dictatuur volgens Plato louter gradueel. De democratische vrijheid is niet meer dan een naam. In feite is de massa van zogenaamd vrije mensen de slaaf van zijn eigen materialisme. Democratie slaat om in dictatuur wanneer de behoefte aan consumptie de omvang heeft aangenomen van een verslaving.2 Democratie is aan het begin van de eenentwinigste eeuw eveneens een crisisbegrip geworden. Eigentijdse filosofen en denkers als Alain Badiou en Slavoj Žižek verwerpen expliciet de parlementaire democratie die voor hen enkel de ongelijkheid en de onrechtvaardigheid van de vrijemarkteconomie in stand houdt en inhoudelijk vervallen is tot een nihilisme van opinies, in plaats van een strijdperk te zijn van politieke ideeën. In dat opzicht gaat veel van de kritiek van Plato op de democratie en haar functioneren ook nu nog op.

Maar in de voorstelling is Plato zelf kop van Jut en dat zelfs letterlijk: zijn buste wordt per opbod verkocht en daarna tot gruizelementen geslagen. Zijn befaamde academie wordt gelijkgeschakeld met een militaire opleiding waarin zijn inzichten als vraag en antwoord door de acteurs worden gescandeerd en met een militaire mars begeleid. Van Plato tot NATO onderschrijft de stellingen en inzichten van Plato, zij het op een cynische manier: we leven inderdaad in een grot en de democratie is één groot bedrog. De voorstelling stelt dat de democratische structuur slechts een dekmantel is voor de belangen van een kleine groep oligarchen die de touwtjes in handen heeft. Er wordt een link gelegd tussen de oligarchen en de ideeën. De ideeën worden hier losgemaakt van de Eeuwige Waarheden waarmee Plato ze verbindt en gelijkgeschakeld met de door de heersende klasse gepromote ideeën. Deze klasse is met andere woorden verantwoordelijk voor de beelden die wij op de muur van de grot zien en voor werkelijk houden. De ideeën staan hier gelijk met de heersende (neoliberale) ideologieën. Dit alles concentreert zich in de voorstelling in de figuur en het levensverhaal van Howard Hughes (1905-1976), Amerikaans piloot, filmproducent, filmregisseur, playboy, excentriekeling, kluizenaar en een van de rijkste mensen ter wereld, met een grote invloed op de Amerikaanse politiek. De laatste decennia van zijn leven trok Hughes zich volledig terug uit het openbare leven. Hij leed aan compulsieve stoornissen, was paranoïde, raakte verslaafd aan medicijnen en had smetvrees. Hij verhuisde voortdurend van hotel naar hotel en woonde in volledig verduisterde kamers. Hij kocht televisiezenders op om er zeker van te zijn dat hij ’s nachts naar de door hem gewenste films kon kijken. Hij stelde zelfs voor om de presidenten Lyndon B. Johnson en Nixon geld te geven om de atoomproeven in de Nevadawoestijn, die hem angst aanjoegen, stop te zetten. In de voorstelling wordt onder andere een interview nagespeeld met Michael Drosnin, een journalist die in 1985 Citizen Hughes publiceerde, een biografie van Howard Hughes op basis van gestolen documenten. Ook het verhaal van Irving Clifford komt aan bod, de man die in 1971 valselijk beweerde in samenwerking met Hughes diens autobiografie te hebben geschreven. Omdat Hughes al tien jaar lang niet meer van zich had laten horen in het openbaar, kon het verhaal van Clifford niet zomaar worden weerlegd. Uiteindelijk kreeg men Hughes zo ver om een telefonisch interview te geven. Ook dat interview wordt in de voorstelling nagespeeld. We zien Hughes als een verwarde, zieke oude man ronddwalen in een hospitaal.

Het verhaal van Hughes vormt het uitgebreide middenluik van de voorstelling, tussen het eerste deel dat zich expliciet op de figuur van Plato concentreert en het derde deel dat het midden houdt tussen een politieke redevoering en een show. Howard Hughes wordt het icoon van een werkelijkheidservaring gestoeld op de combinatie van geld, macht, wereldvreemdheid en waanzin die door de makers geassocieerd wordt met een dolgedraaid Westen. In het laatste deel van de voorstelling wordt alles spektakel, show en entertainment: we zien Sarkozy, Sarah Palin, Nana Mouskouri, nationale vlaggen, enzoverder. De wereld in Van Plato tot NATO is een wereld van schijn en bedrog. De politiek dient enkel de belangen van een enkele klasse die alles lijkt te controleren. Van Plato tot NATO toont een soort eindtijd: de hele werkelijkheid mondt uit in schijn en spektakel, in simulaties en simulacra. Er is geen uitweg meer uit de grot.

Tabula rasa

De Wederopbouw van het Westen/WIT © Koen

Over de twintigste eeuw zegt Alain Badiou: ‘Uiteindelijk is het probleem van de eeuw dat hij wordt geconfronteerd met de niet-dialectische conjunctie van twee thema’s, dat van het einde en dat van het begin. “Eindigen” en “beginnen” zijn twee termen die in de eeuw nog steeds niet met elkaar zijn verzoend.’ 3 Terwijl Van Plato tot NATO een voorstelling over ‘eindigen’ is, over het overgaan van werkelijkheid in schijn, over de realiteit die zich oplost in spektakel, is De Wederopbouw van het Westen/WIT een voorstelling over ‘beginnen’. De website van de Koe omschrijft de voorstelling als: ‘een dramatische wetenschappelijke zoektocht naar een nieuwe onbevangenheid. Drie mannen en een vrouw broeden op een nieuw begin.’ Dat is ook wat we zien: drie acteurs die om beurten hun verhaal vertellen, nu eens elkaar onderbrekend, dan weer elkaar aanvullend. De Wederopbouw van het Westen/ WIT is een persoonlijk verhaal. De voorstelling concentreert zich op de anekdotes, de herinneringen, de associaties, de invallen en toch is het grote verhaal steeds, al was het maar in een ooghoek, aanwezig. Zo worden er beelden getoond van Apollo 11 en vallen de namen van Paul Valéry, Goethe en Fichte in een discussie over wat er nu het eerst was: de daad of de fabel. Peter Van den Eede stelt in de voorstelling meteen ook de nieuwe constellatie van Compagnie de Koe voor: ‘Wij zijn nieuw. Wij zijn een nieuwe groep. Als groep zijn wij fris, zijn wij jong. Dit is onze allereerste voorstelling. Onze allereerste voorstelling heet wit. De Wederopbouw van het Westen/WIT. Wit in de zin van fris, van jong. Wit in de zin van onschuldig. Wit in de zin van het onbeschreven blad.  Blanco.’ Het Westen als het permanente verlangen naar een nieuw begin! Het verlangen naar revolutie, naar de Nieuwe Mens, naar A Brave New World! Hoe vaak is een nieuw begin niet ook de voorbode van een einde geweest. Il faut être absolument moderne, schreef Rimbaud. We’re absolute beginners/With eyes completely open, zingt David Bowie. Het is het adagio van de avant-garde: de eis van het tabula rasa, van de nieuwe morgen. White on white (1918) van Kazimir Malevich. Wit als kleur overheerst het scènebeeld en de kleding van de acteurs. De voorstelling gaat over eerste dingen: de eerste kus van Peter Van den Eede, de eerste moderne keuken in de familie van Natali Broods, de eerste keer dat Willem de Wolf tijdens een  sportnamiddag het woord ‘intellectueel’ hoort: ‘Ik probeerde het woord met m’n tong. Intelueel. Intelu-i-eel. Ik moest het weten. Want ik had met het horen van het woord een heel vaag, maar heel belangrijk vermoeden van z’n betekenis gekregen. Het was een belofte, een opening, een mogelijkheid. Een horizonbreed perspectief aan vooruitzichten werd erdoor gedekt. Een ontsnapping vooral. Naar de wereld, naar het westen. De grootste moeilijkheid was vanaf toen het woord heel te houden. Om de hele impact, de hele rijkdom ervan vanaf die sportinstuif tot nu intact te laten.’ Verborgen in de gebalde formulering van deze persoonlijke anekdote ligt een van de grote uitdagingen van het Westen: het houden van haar verlichtingsbelofte!

Een wit blad is een paradox: wanneer je iets begint te schrijven, is het niet langer wit. Hoe lang kan je een blad wit houden als je opnieuw wilt beginnen? ‘Het woord heel houden’: hoe hou je dat vol? Hoe kan je onschuldig, open en naïef blijven? Hoe jong moet je zijn om opnieuw te beginnen? Als je veertig bent, kan je dan nog opnieuw beginnen? De voorstelling opent met Natali Broods die zich vragen stelt bij een songtekst van Lady Gaga: ‘Vrij vertaald en geparafraseerd gaat die songtekst ongeveer zo: “Hé liefje, je moet me nu niet bellen. Ik zit hier in een bar en ik heb het naar m’n zin en ik vind je lief, maar je moet me nu niet bellen. Want ik heb het naar m’n zin.”’ Ze begrijpt niet dat er een generatie is die vindt dat dit een af lied is: ‘Ik ben niet cynisch. Ik ben jaloers. Echt jaloers. Ik zou willen dat ik deel kon uitmaken van die denkwereld waarin dat genoeg is.’ Maar die naïviteit en die onschuld is zijzelf intussen kwijt. Il faut être absolument moderne, maar hoe? Tegen welke prijs?

De KVS & De Enthousiasten proberen met een politieke satire het Westen in het hart van de schijn te raken. De theatermachinerie en de theatermetafoor worden ten volle ingezet om het spektakelgehalte van onze moderne samenleving te tonen en te bekritiseren, maar de voorstelling dreigt zelf verloren te lopen in een teveel aan loshangende showelementen. De revuestructuur wreekt zich op de intentie van de makers en zorgt ervoor dat de voorstelling op den duur geen enkel vast punt meer heeft en zo gevangen blijft in de schimmenwereld van de grot die ze net wilde openbreken. Daarnaast is het thema wellicht te groot, te complex en te omvattend om op deze manier te worden aangepakt: in de spektakelsamenleving heeft het theater immers zijn overtreffende trap.

De Koe blijft ver van het grote kritische en maatschappelijke gebaar – dat deed het gezelschap altijd al – en zoekt, zichzelf relativerend en onderbrekend, voorzichtig en tastend naar een nieuw vertrekpunt, een nieuw fundament, niet in de laatste plaats voor zichzelf: ‘Maar hoe diep moeten we nog graven voor we een fundament kunnen leggen, gewoon een basis, een begin, een algemeen aanvaard punt van waaruit kan worden vertrokken?’, vraagt Peter Van den Eede. Ook hier geen vast punt, maar het geloof daarin is nog niet helemaal opgegeven. Tegelijk is er het dagende besef dat het begin een mythe is. Het begin is nooit volledig zuiver. Het is een constructie achteraf. Tijdens de laatste scène ontbijten de drie acteurs samen: het begin van de dag, maar het einde van de voorstelling. In een typische de Koedialectiek verschuift het gesprek voortdurend van abstract naar concreet, van letterlijk naar figuurlijk, van ernstig naar grotesk, van gemoedelijk naar gespannen. Maar uiteindelijk eindigt het tafereeltje, na veel verwarring, bijna bijbels, bijna spiritueel:

Willem: is er eventueel ook nog wat brood dat we kunnen verdelen

Peter: het brood is verdeeld we kunnen het herverdelen

Natali: als ik te veel babbel vergeet ik te eten

Willem: neemt hier van neemt hier van gij allen

Peter: vis er is nog veel vis over

Natali: zolang er ontbijtwijn is hoeven we niet van tafel

Willem: laten we stil zijn en genieten

De stilte van het wit voor de storm van het rood.

De Koe speelt van 5 tot 16 april in zijn eigen zaal in Antwerpen try-outs van het tweede deel van de trilogie, De Wederopbouw van het Westen/ROOD.

www.de koe.be

www.kvs.be

 

1http://zappen.blog.nl/vpro/2010/08/25/nieuw-reisprogramma-vpro-de-weg-naar-het-avondland2Gerard Koolschijn, Plato. De strijd tegen het democratische beest, Ooievaar, Amsterdam, 1996, pp. 79-80. 3Alain Badiou, De twintigste eeuw, Ten Have, 2006, p. 55.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

essay
Leestijd 16 — 19 minuten

#124

01.03.2011

—

31.05.2011

Erwin Jans

Erwin Jans is dramaturg bij het Toneelhuis (Antwerpen). Tevens publiceert hij over theater, literatuur en cultuur in onder andere De Morgen, De Tijd, Eutopia, Etcetera, DW B, rekto:verso, nY, De Reactor, De Leeswolf en Theatermaker.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!