De Materie – Phia Ménard/Opera Ballet Vlaanderen/Bas Wiegers
Een schurend vooruitgangsdenken
Sébastien Hendrickx
Friedrich Schiller (1759-1805)
Frank Kroll staat aan het hoofd van de theaterafdeling van de bekende Duitse uitgeverij Suhrkamp. Vanuit die positie krijgt hij niet alleen met de overweldigende aanwezigheid van reeds lang overleden auteurs als Schiller en Brecht te maken; hij wordt er ook met de problematiek van de hedendaagse toneelschrijver geconfronteerd. Biedt het dominante Duitse regietheater wel voldoende kansen aan nieuwe auteurs? Pieter De Buysser schreef er een commentaar bij.
1 Vermoedelijk werden er nog nooit zo veel, en tegelijk zo verschillend opgevatte teksten voor het theater geschreven als vandaag. Drama, literair toneelstuk, performancetekst, vlakke dialoogloze tekst, dialogisch tijdstuk en didactisch probleemstuk, literair postdrama, docudrama, docufictie, dramatisch gedicht en nog veel meer – de methodes verschillen extreem, de genres vloeien in elkaar over, elke vorm, elke inhoud is mogelijk, legitiem, houdbaar. Nooit was het aanbod aan literaire bronnen voor de bühne levendiger, rijker en onoverzichtelijker. En nog steeds vindt het overgrote deel van die teksten op de scène niet of al te vluchtig plaats. In de opvoeringen wordt de verscheidenheid van het geschrevene slechts fragmentarisch weerspiegeld. Waaraan ligt dat?
2 Regietheater veronderstelt auteurs. Meer dan dat: regietheater bepaalt zijn positie overwegend in de confrontatie met gecanoniseerde teksten. Voor de auteur betekent dat een uitdaging. Sterke stukken bewijzen hun weerbarstigheid tegenover sterke (en zwakke) regietoepassingen. Ze vergen en openen scenische fantasieën, ze bieden door hun structuur, taal en wereldbeeld onvermijdelijk een scenisch-poëtisch kader voor speelse bewerkingen, zonder daarbij hun raadsel te verliezen.
3 Het hedendaagse drama concurreert eerst en vooral met Shakespeare, Goethe, Schiller, Büchner, Ibsen, Tsjechov, Brecht, Müller enzoverder, en niet met andere werken uit het hedendaagse drama. Bepaalde subsidiemechanismes verhullen die situatie. De echte concurrentie wordt door auteurs te zelden ervaren, gerealiseerd, gezocht. Nieuwe teksten worden door theaterdirecties niet vaak genoeg in echte concurrentie geplaatst. Waar dat ernstig gebeurt – met een prominente bezetting en met voldoende tijd en ruimte om zich te ontplooien – kan de mogelijkheid tot concurrentie pas ontstaan.
4 De huidige dominantie van het regietheater is op zich geen probleem voor auteurs. Ze is een probleem voor het regietheater. Ten laatste na de doorgedreven commercialisering van het Duitse theatersysteem, die vandaag opnieuw aan de orde is, zal het hele apparaat een andere koers kiezen. Dat wenst men niet alleen het regietheater niet toe. In de inlijving van het hedendaagse theaterschrijven door de regie ligt een kans voor de ontwikkeling van een regiewerkhouding die haar artistieke autonomie niet verabsoluteert en het sociale kunstproces dat theater is sterker realiseert. Sterke teksten hebben een sterke regie en een sterk ensemble nodig om wars van ingestudeerde routines samen op ontdekkingsreis te gaan.
5 Ik weet wel dat ik in het theater zit wanneer ik in het theater zit. Een regie die mij als toeschouwer constant de artificialiteit van een theatrale situatie onder de neus wrijft, onderschat mijn capaciteiten als toeschouwer. Wij lopen geen gevaar – anders dan vermoedelijk nog de theatergangers van de eerste decennia van de vorige eeuw – om ten prooi te vallen aan meelevende verdwazing. Sterke hedendaagse theaterteksten zijn zich bewust van de verschillende mogelijkheden van moderne speelwijzen. Ik stel vast dat regie zich vandaag al te vaak afsnijdt van de omgang met hedendaagse theaterliteratuur, omdat men nog steeds bang is van pathos, kitsch, de val van het naturalisme, vals meeleven enzovoort. Men moet niet de afschaffing van het regietheater eisen, als men een sterkere confrontatie van de regie met de gelaagde inhoudelijke en formele vaststellingen van dramatische voorbeelden stimuleert.
6 Niet elke geniale inval rechtvaardigt een toneelstuk (een regieconcept, een dansavond, een film, een schilderij, een polemiek tussen theateruitgevers, …). Ik ervaar als normale lezer/toeschouwer en als theateruitgever een groot verlangen naar bijvoorbeeld langzaam optrekkende zomeronweders en lang aanhoudende, vernietigende herfststormen. Er zijn te veel avonden waarbij het concept uit een klein aantal snel begrepen invallen bestaat. Er zijn te veel sluwe, doorzichtige, vluchtige één these-avonden. En dat ligt soms aan het stuk, soms aan de enscenering, vaak vallen beide samen. Theater kan meer.
7 In het theater is alles mogelijk, maar er wordt te weinig werkelijk. In de elk jaar vergelijkbare verhouding van klassiek, klassiek modern, projecttheater en nieuwe dramatiek in de theaterprogramma‘s – met de bekende onevenwichten – is in de voorbije jaren wat onrust geslopen – eindelijk. Het debat over de verdere evolutie van de canon vindt regelmatig plaats: bij de theaterdirecties, in privégesprekken na voorstellingen, op theaterforums, bij de theateruitgeverijen. Het gaat daarbij niet om een terugkeer naar vermeende betere tijden voor auteurs. Die hebben nooit bestaan. Het doel kan de verrijking zijn van het repertoire met moderne manieren om theater te schrijven. Niet in het minst om de uitdaging van een theater als laboratorium van sociale fantasieën een heel stuk dichterbij te brengen.
vertaald uit het Duits door Erik Derycke
www.heidelberger-stueckemarkt.nachtkritik.de
www.dramablog.de
De theateruitgeefdirecteur van Suhrkamp Verlag had het goed gezien. Hij zat tevreden met het geleverde werk maar diep ongelukkig in de trein die hem weer naar Berlijn voerde. Terug na enkele van de Duitse kolonies in Europa te hebben bezocht. Hij had vastgesteld dat in alle hoeken de meest veelkantige vormen van theaterschrijverij woekerden terwijl desalniettemin de canon de canon bleef. En terwijl hij monotoon wiegend naar de hoofdstad werd gevoerd, vergenoegde hij zich de ogen te sluiten, de notities stonden op papier, alles was op de rails gezet. De canon wacht. Hij beminde Schiller en Tsjechov maar meer nog die Kroatische snaak die het waagde van die hartverscheurende dramelaten te schrijven, de zwaarlijvige Pool met zijn komische doculesquen, of de polloffels van een baldadige vreemdeling. Je vond ze in alle uithoe- ken van Europa en overal was hun lot hetzelfde: door enkelen bemind, door meerderen gedoogd, maar door de menigte veracht. En net voor hij in slaap sukkelde, besprong hem de angst: ‘Ik faal,’ dacht hij ter hoogte van het station van Nürnberg, ‘ik haal het niet. Hoe moet ik het voor elkaar krijgen dat deze levenslustige termieten ooit de concurrentie met de canon aankunnen?’ Maar de postdramatische landschappen en de transformatadorren van de laatste dagen eisten hun tol: hij viel in een diepe slaap. En uiteraard ontwaakte net dan het onvermoede.
Uit zijn oor kwam een kleine Friedrich Schiller liefhebber gekropen. Die had een minuscule klassieke klarinet tussen zijn gelede pootjes geklemd en tetterde er vrolijk op los. Dat geblaas bleek het signaal te zijn voor de ma- chinist om de remmen dicht te gooien. Door de luidsprekers klonk de stem van de treinma- nager, iedereen werd verzocht de trein te verlaten. De theateruitgeefdirecteur begaf zich naar de deur en stapte uit. Hij bleek de enige passagier te zijn, of althans de enige die het bevel gehoorzaamde, en zodra hij goed en wel aan de rand van een zompige wei stond, gingen volstrekt onverwacht de treindeuren weer dicht en traag trokken de wagons zich weer op gang. Nu stond hij daar. Alleen in de wei, zonder Goethe of Brecht. Zelfs geen Marius von Mayenburg had hij bij de hand. De oudste onder de koeien had begrepen dat daar een man verloren stond. Ze tsjokte naar hem toe en vroeg waar hij heen moest. ‘Naar de canon,’ stamelde de arme man verward. ‘Een oude of een moderne, maar alsjeblief, breng me naar een canon.’ De koe keek hem minzaam aan en blaatte een beetje. De theateruitgeefdirecteur van Suhrkamp Verlag begreep dat dit enige uitleg behoefde en hij verklaarde zich nader: ‘Kijk, het is gemeengoed dat aan Büchners toneelwerk een revolutionair potentieel wordt toegekend, maar ik kan u – die vandaag met mij in deze ene en dezelfde wei staat – zo een Sloveense, IJslandse of Deense theaterauteur aanreiken die zich zonder problemen kan wagen aan het vernuft van een Büchner en wat betreft actueel revolutionair potentieel kop- pen met spijkers slaat!’ De koe, mistroostig herkauwend omdat haar ware potentie nooit echt was ontgonnen, had hier wel oren naar. ‘Theater,’ zei de koe peinzend. ‘Ja,’ zei ze. ‘Verlicht me, verscheur me, behaag me, breng me samen en werp me terug!’ De theateruitgeef- directeur keek haar ontroerd in de ogen. ‘En canon of niet, daar maal ik niet om.’ De theateruitgeefdirecteur, hoopvol door de gewekte interesse, begon voor de koe losjes uit zijn auteursfiches te citeren: naam, geboorteplaats, leeftijd, perscitaten en een relevant fragment.
Toen hij bij de jonge Finse toneelschrijfster aanbelandde – die met het bezwaarde persoonlijke verleden – ging de staart van de koe als een vlag omhoog. ‘Dat wil ik spelen.’ De Friedrich Schiller liefhebber op de schouder van de theateruitgeefdirecteur begon daarop een feestelijke riedel ten beste te geven en het eerste opvoeringscontract was gesmeed. De koe engageerde zich terstond voor een speelreeks van vijfenveertig opvoeringen. Toen ze voorzichtig gepolst werd naar het statuut van het gezelschap waarmee ze dit niet geringe engagement zou moeten waarmaken, gaf ze een antwoord dat doorleefd uit de diepte van maar liefst vier magen kwam. ‘Het theater heeft de kracht om een nieuwe gemeenschap te vormen, en daar is nood aan, meer nood dan aan een bestaande gemeenschap die zich celebreert in bestaande structuren.’ De theateruitgeefdirecteur wou deze uitspraak noteren in zijn boekje maar hij vond niets om te schrijven. Vriendschappelijk nakeuvelend gingen ze vervolgens naar de grote baan die de wei van de koe dwars doormidden sneed. Op een parking langs de baan hield een Roma- zigeunerfamilie een picknick bij hun kapotte auto. Vader, moeder en kinderen gaven elkaar een paarse schuimige worst door en kauwden op hompen wit brood. De pater familias be- toonde interesse in de koe, die zich spontaan aan hem aanbood. Hij stootte zijn oudste zoon aan en die zag meteen het hespenplan voor zich. ‘Goeiedag,’ zei de theateruitgeefdirecteur die meende dat ze hulpbehoevend waren. ‘Kunnen wij u helpen? ’ De moeder knikte en stak vragend haar hand uit. ‘Helaas, mijn geld heb ik op de trein laten liggen, maar kennen jullie het werk van de IJslandse toneelschrijver…’, en toen de theateruitgeefdirecteur het kenmerkende fragment voordroeg, moest de hele familie eindelijk nog eens zo schaamteloos en van alle valse beschaving bevrijd luid lachen dat de Friedrich Schiller liefhebber in zijn kraag zijn klarinet kon bovenhalen, want het volgende opvoeringscontract kon worden getekend. Pilsjes werden opengetrokken en er werd getoast op het voornemen om met een speelreeks van vijf- enzestig voorstellingen het theater te bevrijden van het gelamenteer van de burgerij. Daar de gezinsauto niet meteen te herstellen viel, vergezelde de familie de koe en de uitgeefdirecteur te voet op hun tocht richting het eerst nabijgelegen dorp. De vier kleinste kinderen mochten daarbij op de rug van het rund. Het eerste grote gebouw op hun weg was het verkoopzalen- en kantorencomplex van een kleine middelgrote onderneming gespecialiseerd in pvc-ramen en -deuren. Zonder de minste aarzeling begaf het gezelschap zich naar de draaideur. Dat een dergelijk ding problemen zou opleveren had iedereen zien aankomen en de verantwoordelijke veranda’s en pergola’s kwam hen dan ook tegemoet. Net te laat, want de koe stond al geklemd halverwege binnen en buiten. ‘Waarmee kan ik u van dienst zijn?’ riep de verantwoordelijke tussen de kieren. ‘Meneer,’ zei de theateruitgeefdirecteur van het gerenommeerde Suhrkamp Verlag, ‘u weet vast dat uw huwelijksproblemen briljant en trefzeker weerspiegeld werden in de drama’s van Strindberg en Ibsen. Als u hen niet kent, kent u allicht wel de door deze canonieke auteurs ontwikkelde sjablonen die tegenwoordig in ieder tv-drama opduiken, wel, laat mij u vertellen over het werk van de briljante Catalaanse theaterauteur…’ De verantwoordelijke luisterde aandachtig, wat bemoeilijkt werd door het getrek van de koe tussen de deur, maar hij barstte al bij de eerste alinea van de eerste scène uit het kenschetsende fragment in tranen uit. ‘Laat mij ervoor zorgen dat er honderdvierentwintig voorstellingen van dit diepmenselijke drama gespeeld worden, want van onze demonen kunnen wij ons niet bevrijden, maar we kunnen ze wel regisseren.’ Hij legde de theateruitgeefdirecteur de plannen voor om de verkoopzaal – waar hij ten andere zijn minnares tot zijn schaamte meerdere keren in de poes genomen had, maar ja, spijt komt altijd achteraf – na acht uur om te toveren tot een schouwburg, en ook de plannen voor een louterende tournee zagen er veelbelovend uit. De Friedrich Schiller liefhebber haalde zijn klarinet boven en in een verstild en ingetogen moment werd tussen de kieren van de draaideur, onder de poten van de koe, alweer een opvoeringscontract getekend. De verantwoordelijke veranda’s en pergola’s besloot na ondertekening dat hij niets meer te verliezen had en hij liep met hen mee het dorp in. Gelukkig maar, want hij was het die erop wees dat in de brasserie tegenover het gemeentehuis het voltallige schepencollege nog wat zat na te tafelen. De theateruitgeefdirecteur, aangemoedigd door voorgaande successen, stapte opgewekt het etablissement binnen en herinnerde prompt het gezelschap aan de scherpzinnigheid van Molières politieke zedenschetsen. Er werd smakelijk gelachen. ‘Wel, als u hier nog mee kan lachen, wat dan met dit…’, en zonder enige introductie declameerde hij het oneigentijdse razend actuele betekenisvolle fragment van de niet meer zo jonge Litouwse toneelauteur. Het schepencollege ontaardde op slag in gespin en gescheld, er werden venij- nige motjes uitgedeeld en de verontwaardigde kreten sloegen tot tegen het plafond. ‘Laat de metamorfose beginnen,’ zei de theateruitgeefdirecteur. En terwijl het schepencollege vechtend over de tafels begon te rollen, sprak hij subtiel de jonge, idealistische maar veel te fidele secretaris van de burgemeester aan: ‘Kijk meneer, als dit tafereel u bevalt, en u een regimewissel wenst te versnellen, dan moet u misschien eens overwegen dit stuk op te voeren.’ En een halve minuut later werd het volgende opvoeringscontract getekend terwijl de tiramisu en de verwijten van nepotisme door de lucht vlogen. De Friedrich Schiller liefhebber kroop uit zijn broekzak en toeterde ter inhuldiging van het zopas getekende contract iets klassieks op zijn klarinet. De helft van het schepencollege en de jonge, idealistische ex- secretaris van de burgemeester vergezelden de theateruitgeefdirecteur op zijn tocht. Zo gingen ze nog even langs bij het kasteeltje van de lokale aristocraat. Zonder boe of ba stapte het gezelschap het erf op en klopte op de smeedijzeren deur. Het was de baron zelve die kwam opdoen, hij dacht even dat hij een fragment van King Lear voor de voeten kreeg geworpen maar dat bleek een vergissing: het was wel degelijk het kenschetsende fragment van de in eigen kringen notoire experimentele toneelschrijver uit Aarhus. De man belde meteen zijn notaris om een aantal schenkingsaktes voor te bereiden en tekende het opvoeringscontract. ‘Dit is pas theater dat iets verwerkelijkt,’ zei de baron, en hij verachtte zijn raad van bestuur meer dan ooit tevoren. Tegen het vallen van de avond had de theateruitgeefdirecteur voor maar liefst vierentwintig teksten levendige voorstellingen gegarandeerd. Hij gaf zijn nieuwe vrienden het teken dat het welletjes was geweest. De koe vergezelde zijn inspirerende vriend tot in de wei waar hij van de trein was gestapt. En met een perfecte, nog ouderwets ambachtelijk theatrale timing stopte net op dat moment de trein, de deuren schoven open, de uitgeefdirecteur zwaaide nog een laatste keer en stapte op.
Toen hij wakker werd, reed hij Berlijn Haupt- bahnhof binnen. Slaperig stapte hij de metro in. Hij was net op tijd voor de Schillervoorstelling van het Berliner Ensemble, het betrof een moderne regie die verrassend actuele aspecten van de gekende tekst aan het licht bracht. Toen de acteurs de scène opkwamen, openden ze hun mond, klaar voor de eerste zin, maar in plaats van klank kwam er zand uit hun mond. Mul zand. Beigebruin, klam zand viel in kluiten uit de monden van de toneelspelers. Een na een kwamen de acteurs op, en angstig stelden ze vast dat zodra ze hun tekst wilden zeggen, zand uit hun mond gleed. Toen de scène was veranderd in een zandbak met daarop in verspreide slagorde de zachtjes zandbrakende acteurs, kroop de kleine Friedrich Schiller liefhebber uit een kier tussen de planken. De theateruitgeefdirecteur herinnerde zich hem nog maar al te goed, maar voor het aanwezige publiek was dit kleine heertje van nog geen tien centimeter een wonderbaarlijk theatraal curiosum.
‘Vrienden,’ sprak de Friedrich Schiller liefhebber, ‘zo wij de kunst liefhebben, hebben wij de vrijheid lief. Zo wij het heden beminnen, beminnen wij het verleden.’ Het publiek hing aan zijn lippen, benieuwd naar wat zou volgen, maar hij zweeg. Hij liep een na een langs de toneelspelers en gebruikte zijn klarinetje om de monden helemaal leeg te scheppen en eens flink uit te blazen.
Vervolgens begon hij in het zand, dat intus- sen de hele scene bedekte, een landkaart te tekenen. Toen zei hij: ‘Meestal weerspiegelt de landkaart het land, maar alleen in het theater kan het gebeuren dat het land de kaart volgt die daar wordt getekend.’ En hij tekende lijnen en bochten, heuvels en dalen, hij kneedde het zand, en terloops wees hij het publiek op de plek waar ze het gezelschap van de verantwoordelijke veranda’s en pergola’s konden gaan zien, of op de plek waar de idealistische burgemeesterssecretaris… Na een tijdje gaf hij aan de toneelspelers teken dat ze aan hun opvoering van Schiller mochten beginnen. En dat deden ze. Klassiek, canoniek en vakkundig. Gelukkig was de kleine Friedrich Schiller liefhebber zo klein dat hij niet in de weg liep, de toneelspelers speelden en hij tekende rustig voort, als was hij een van hen. De hele voorstelling lang tekende hij op de grote scène geduldig en nauwgezet voort aan de landkaart die het landschap schept.
En de metamorfose is sindsdien niet meer te stoppen.
www.pieterdebuysser.com
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.