Diederik Peeters en Kristien De Proost in Alles voor de tuin van Tristero © Herman Sorgeloos

Leestijd 12 — 15 minuten

Bespiegelingen van een Sprinkhaan

Toespraak door Diederik Peeters

Op 4 april werd in De Schelp van het Vlaams Parlement het startschot gegeven voor de hordenloop naarde structurele subsidieperiode 2013-2016. Het Vlaams Theater Instituut (VTi) presenteerde er met De ins & outs van podiumland de resultaten van zijn veldanalyse. (Uit die studie namen de media vooral over dat kunstenaars voor elke euro subsidie bijkomend anderhalve euro eigen extra omzet creëren.) Minister van Cultuur Joke Schauvlieghe kondigde aan dat de projectsubsidies voortaan 10% van het totale budget moeten uitmaken. De steunpunten en belangenbehartigers kwamen met een charter dat een wederzijds engagement en correcte spelregels tussen de sector en het beleid voorstelt. Yves Desmet schreef in De Morgen daags nadien dat de kunstenaars zelf in geen velden of wegen te bekennen waren. Waren er dan helemaal geen kunstenaars? Toch wel, een paar. Eén kreeg zelfs het woord. Op uitnodiging van het VTi sprak de Brusselse theatermaker Diederik Peeters een statement uit namens de soort waartoe hij behoort, namelijk de  ‘post-fordistische, immateriële – cultuurarbeider slash jobhopper’, de hybride kunstenaar van onze tijd.

Dames en heren,

Ik moest hier vandaag een statement komen poneren. Waarom zouden ze dat nu in godsnaam aan mij vragen? (Dat kan alleen maar een valstrik zijn, dacht ik. Want zo’n grote bek heb ik nu ook weer niet.) Maar toen ik de publicatie die vandaag wordt voorgesteld onder ogen kreeg, werd helaas snel duidelijk waarom. Ik ben namelijk het typevoorbeeld van de post-fordistische, immateriële cultuurarbeider slash jobhopper die in die publicatie zo grondig geportretteerd en geanalyseerd wordt.

En er lopen in deze sector blijkbaar meer en meer van die individuele ‘spelers-makers’ rond waarvan ik hier als blauwdruk voor u sta.

Ik kan u garanderen dat dat danig verschieten is, ineens een typevoorbeeld voor u in de spiegel te zien staan. Ik die dacht vooral mijn eigen persoonlijke en unieke zelf te zijn (alweer geheel conform de typering van die neoliberale creatieveling), ik word hier ongewild en zonder dat ik het zelf goed door heb opgevoerd als ongekozen woordvoerder van de immateriële individuele kunstenarbeidersvakbond.

‘Maar hoe ziet dat er dan uit, dat typevoorbeeld dat daar voor u in die vakbonds-spiegel staat?’

Wel, ik zal het u vertellen. Ik ben mobiel, flexibel, en vooral altijd en op elk moment ‘beschikbaar’. Op om het even welke vraag is mijn eerste antwoord dat ik ‘beschikbaar’ ben. (Ook voor het vri ben ik beschikbaar, et me voilà) – enfin, ik speel en ik maak, ik pleeg mij nu en dan in andere functies nuttig te maken voor collega’s en voeg daar af en toe nog een tussendoortje aan toe als tv- of filmpassant, gastdocent, workshopgever of statement-amateur. Ik wip met andere woorden in wisselende functies van de ene naar de andere samenwerking, en heb ondertussen – en niet in het minst – ook mijn eigen kleinschalige hybride projecten opgezet. Ik hots lustig door mijn Europese achtertuin en laat daar zoals het hoort een stevige ecologische voetafdruk bij achter.

Zie mij hier nu staan, in die belachelijke hoedanigheid van individueel typevoorbeeld en als hybride sprinkhaan. Als u werkelijk wilt weten hoe het met mij gaat dan kan ik u dat wel vertellen maar dan moet u wel uw oortjes wijd open zetten. Wees niet ongerust, zoals u zal zien ben ik van nature braaf en uiterst beleefd, en ik heb u daarenboven niks nieuws te vertellen. Alles wordt in die landschapsschets al uit de doeken gedaan.

Enfin. Om te beginnen kan ik u zeggen dat ondergetekend typevoorbeeld zich de laatste jaren zwaar geamuseerd heeft: ik heb veel gespeeld, veel gemaakt, veel gereisd en veel geleerd – en het was begot plezant.

Maar intussen komt die freelance-versnip-peraar zo stilaan wat op leeftijd, en na pakweg vijftien jaar jonge en beloftevolle flexibiliteit is hij zijn eigen ‘beschikbaarheid’ zo stilaan beu geraakt. Die is misschien toch vooral weggelegd voor frisse, jonge kuitjes. Dat jobhoppen is trouwens ook maar een manier om brood op de plank te brengen in een systeem dat om dat soort flexibiliteit vraagt. Maar het hindert in feite danig mijn zicht op toekomstperspectief. Probeer zo projectmatig heen en weer huppelend maar eens iets op te bouwen. In plaats van mezelf voor elk project steeds opnieuw uit te vinden en te bewijzen, heb ik dus vandaag goesting om me vast te bijten in mijn werk. Ik heb met andere woorden goesting in een beter evenwicht tussen die verdomde flexibiliteit die de hele tijd van mij gevraagd wordt, en een minimum aan continuïteit en stabiliteit. Dat, dames en heren, is vandaag mijn typische individuele kunstenaarsgoesting. En omdat opportunisme zoals u in de veldanalyse zal lezen ook een van mijn typische kenmerken is, is mijn volgende vraag natuurlijk hoe ik mijn typische goesting kan krijgen.

(1) We weten al lang dat een van de generische klachten van die generische individuele kunstenaar iets te maken heeft met het feit dat rondom hem zoveel mensen rondlopen die hem ondersteunen of presenteren en daarvoor op de zekerheidsmatras van een loon kunnen terugvallen. Hijzelf moet lustig blijven sprinkhanen van de ene freelance-job naar het andere project, en van de ene ‘kleine’ dagvergoeding naar het andere interimcontract. Dat hij met die dagvergoedingen en interimcontracten maar voor de helft van zijn werk betaald wordt, is dikwijls niet meer dan normaal. En onder-tussendoor mag hij genieten van het verdoken mecenaat dat de RVA met verve uithangt.

Ongeacht de omstandigheden, de besparingen of de budget cuts, van de kunstenaar wordt steeds verwacht dat hij ‘beschikbaar’ en efficiënt blijft. Hij wordt zonder meer geacht met creatieve oplossingen op de proppen te komen, een solo te maken in plaats van een duet, repetitieperiodes in te korten en desnoods zelf zijn licht te hangen en zijn decor te ontwerpen. Het heeft geen belang, zolang het resultaat maar wordt gegarandeerd. Ondertussen zijn diezelfde budget cuts voor organisaties dikwijls een even gangbaar als begrijpelijk argument om een kleiner engagement te rechtvaardigen.

Het is nodig en het is goed dat er geld is voor organisaties die individuele kunstenaars ondersteunen. Alleen, als er voor die kunstenaars zelf steeds minder geld voorhanden is, dan wil dat zeggen dat de rekening niet helemaal klopt.

(2) Dat iedereen rondom hem beter betaald wordt is nog maar een eerste, misschien oppervlakkig gevolg van het feit dat alles rondom de kunstenaar duurzaam en professioneel georganiseerd is, terwijl hijzelf in de precaire hoek blijft staan. Met alle werkplaatsen en alternatieve managementbureaus die momenteel staan te springen om te ondersteunen lijkt de duurzaamheid van die ondersteuning gegarandeerd, maar wat met de artistieke praktijk zelf?

Bon, laat duidelijk zijn dat die fervente ondersteuners en ondersteunende intermediators intussen hun nut al danig en met glans bewezen hebben. Getuige daarvan precies die generische generatie dertigers, die vandaag in mijn spiegel klaarstaat met haar typische, specifieke behoeftes om haar werk te stabiliseren, te professionaliseren, te optimaliseren en te fatsoeneren. Maar die typische individuele kunstenaars blijven alleen (of toch hoofdzakelijk) projectmatig geïmplementeerd in al die ondersteunende en intermediaire werkingen. En probeer in die omstandigheden maar eens te stabiliseren of te fatsoeneren.

Veel van de intermediaire organisaties zijn tien jaar geleden bedacht vanuit de idee de beginnende kunstenaar een ferme duw in de rug te geven, tot hij op zijn eigen poten kan blijven staan, zich in een collectief groepeert, zijn eigen gezelschap opricht of (nog het best van al) een structuur construeert rond zijn eigen individueel individu. Maar dat soort ontwikkelingsmodel lijkt vandaag nog weinig relevant. Voor het beleid alleen al omdat uitstroom uit de structurele pot vooralsnog niet aan de orde is. En tussen de individuele kunstenaars in mijn spiegel zie ik ook weinig lotgenoten die nog de ambitie koesteren om hun eigen gezelschap rond hun eigen persoon uit de grond te stampen. In onze typische kunstenaarsoogjes zien die modellen er wat verouderd en vergeeld uit, als een lichtjes gedateerde erfenis. De hybridisering van onze praktijk en de werkprocessen die steeds meer gebaseerd zijn op samenwerkingen, vragen om nieuwe en meer flexibele manieren om te ontwikkelen, te produceren en te presenteren. En daarenboven groeit bij die typische individuele kunstarbeider, of bij zijn collega-ondernemer, een economisch besef dat de idee van een hele structuur rond een enkel individu in een behoorlijk absurd licht stelt.

En dus gaat de kunstenaar op zoek naar andere manieren om zich van een langetermijnvisie te voorzien, hokt met zijn soortgenoten samen en probeert er overheadkosten mee te delen. Overal om mij heen, in België en in heel Europa, zie ik individuele kunstenaars op zoek naar een nieuw model: geen collectieven, geen gezelschappen, maar gemeenschappen van kunstenaars. Groepjes individuele kunstenaars wiens individuele werk liefst affiniteiten vertoont. Clusters kunstenaars die misschien af en toe samenwerken, maar vooral eikaars werk becommentariëren, onderling discussiëren over hun praktijk en bedenkingen en inzichten over het veld in eikaars gezicht gooien.

De ondersteuning van individuele kunstenaars wordt vooralsnog projectmatig aangeboden (en gesubsidieerd), zonder een langeter-mijnperspectief dat afgestemd is op de actuele praktijk. Beleid, maar ook het (intermediaire) veld, blijven achterop.

(3) Een ander gevolg van dat scheve evenwicht tussen ondersteuning en praktijk werkt nog veel meer op mijn typische kunstenaarszenuwen. En ik heb het nog geeneens over die veelbesproken 99 procent van het totale cultuurbudget dat naar kunstinstellingen gaat, en dat ene procent dat voor de individuele kunstenaar overblijft.

Nee, veel erger dan die percentages is het feit dat ik als individuele kunstenaar zo verdomd afhankelijk ben. Of tenminste dat ik zelf de hele tijd die afhankelijke positie inneem. Mijn rol in het podiumkunstenbedrijf blijft beperkt tot die van leverancier van services en producten, en die heeft afnemers nodig. Mijn eigen ideeën over dat bedrijf en over de context waarin die producten geconcipieerd en geconsumeerd worden, vallen buiten de bevoegdheden van die leveranciersrol en doen dus weinig ter zake. Want wie het geld heeft draagt de broek, initieert en bepaalt wat er gebeurt. En wie tegenwoordig geen geld in die broek heeft steken, moet zich noodgedwongen maar als koopwaar gaan gedragen.

En ik beken: ook ik probeer als gemotiveerde en zelfgemaakte handelsreiziger mijn saccochen te verpatsen aan de eerste de beste programmator die ik tegenkom. Ik vind me telkens opnieuw in die vragende, bedelende en afhankelijke positie terug, zelfs tegenover de mensen en structuren die me ondersteunen. Want die ondersteuning is zoals gezegd projectmatig en zonder langetermijngaranties. Nota bene onder druk van de grote behoefte aan doorstroming (ah, die jonge kuitjes !) zijn het natuurlijk de organisaties die kiezen met welke kunstenaars ze werken, niet omgekeerd. Van werkelijk ‘onderling en gezamenlijk overleg’ tussen kunstenaar en organisatie kan binnen deze machtsverhouding natuurlijk moeilijk sprake zijn.

Dus ge kunt maar beter op uw tellen passen, op niemands tenen lopen en begot voorzichtig zijn! Maar hoe vanuit die positie durven vernieuwen? Ik bedoel, hang in die positie maar eens de lastpak uit, laat staan de aap. Ge zult maar eens op straat gezet worden. Beleefdheid en voorzichtigheid groeien in deze mestgrond uit tot uitvergrote karikaturen van zichzelf. En ik beken alweer: ik word zo stilaan mak en helemaal laks van mijn eigen beleefde voorzichtigheid. En erger nog, ik word er angstig van.

En dus probeer ik voor de spiegel mijn meest strijdvaardige smoel uit, en kijk zo opnieuw de bange aap aan die voor me staat. Met opgeheven vinger slinger ik hem het volgende naar de kop: ‘Stop nu verdorie toch eens met zo ijverig de handelsreiziger en de deur-aan-deurverkoper uit te hangen! Stop met dat eindeloze gehengel naarde gratie en de goedkeuring van al die artistieke directeurs en curatoren! Trek zelf de scheefgetrokken balans tussen artiesten en hun ondersteuning recht! Wentel u niet zo knorrig i n die afhankelijke bedelaarsrol en neem zelfheft en initiatief weer in handen! Luierik! Ellendige lamzak! Wring organisaties in een andere relatie tot uzelf, dan die waarin ge louter verstrekker zijt van producten! Eis verdorie uw eigen ouderwetse autonomie op! En hoe? Organiseer uzelf! Hou er mee op u braafweg te conformeren aan de ondersteuning die voor u bedacht en voorzien is en stamp zelf uw eigen intermediaire organisatie uit de grond, in plaats van gedwee afhankelijk te blijven van de bestaande!’

(4) Een opmerking waar ik het als typevoor-beeld danig van op mijn typische heupen krijg, is dat individuele kunstenaars te individualistisch of te chaotisch zouden zijn om zichzelf te organiseren. Komende van een programmator of organisator klinkt dat in mijn typische immateriële werkmansoortjes natuurlijk alleen als betuttelend paternalisme. Want de werkelijke oorzaak van die moeite met organisatie is nu net datzelfde scheve evenwicht tussen kunstenaar en structuur. Ten eerste kan ik u zeggen dat het al enig organisatietalent vergt om al die fragmentarische jobhopperij te organiseren. En ten tweede is het nogal wiedes dat organisaties zich makkelijker en beter organiseren dan individuele kunstenaars – daar bestaan ze tenslotte voor, die organisaties, en daar worden hun medewerkers voor betaald. Organisaties organiseren zich, plegen overleg in overlegorgani-saties en netwerken in netwerken. En natuurlijk doen ze dat alleen maar voor het welzijn van de kunstenaar, al dat georganiseer. Maar hij wil daar, minstens als co-initiator bijvoorbeeld, zelf ook graag bij betrokken zijn.

Welke zot is zot genoeg om individuele en individualistische kunstenaars te organiseren? Dat kan alleen die kunstenaar zelf zijn. Dus zet ik opnieuw mijn strijdvaardige smoel op, en roep tegen mezelf: ‘Organiseer u, Peeters! Bundel uw krachten met gelijk- of ongelijkgestemde collega’s, deel de kosten van administratieve of productionele medewerkers en bevrijd u uit die lamme bedelaarsrol! En als er in het Kunstendecreet geen organisatievorm bestaat die aan uw noden of aan uw goestingen voldoet, vind dan verdorie zelf het soort structuur uit waar ge nood aan hebt. Maak clubjes, hok samen en trek zelf weer de rol van motor van het veld naar u toe!’

(5) Bon. Intussen is mijn tijd op. Het feit dat ik hier sta – mag staan – is misschien al een teken van een mentaliteitswijziging in de omgeving van die even ongeorganiseerde als individuele kunstenaar; hij wordt in het debat betrokken en daarmee al enigszins uit dat nauwe keurslijf van louter product- of serviceprovider gesleurd.

Voor ik het vergeet: dat dat ene procent er terug tien moeten worden is als ik het goed begrepen heb voor iedereen duidelijk, en eigenlijk al geregeld. Geef ons daar dan alstublieft ook nog de garantie bij dat er in de komende besparingsrondes niet meer aan geknabbeld wordt, want anders zitten we helemaal met de gebakken peren, en met een veld van afgeknabbelde structuren en afgeschaafde directe steun voor individuele kunstenaars.

Voor de rest staan alle beleidssuggesties in de veldanalyse die hier wordt gepresenteerd netjes opgesomd. En ik wil daar met mijn individuele, opportunistische kunstenaarsvinger vandaag nog het volgende uit onderstrepen.

Durf nieuwe organisatiemodellen te ondersteunen. Laat die precaire individuele kunstenaars nieuwe samenwerkingsmodellen uitbroeden waarmee ze enerzijds hun praktijk kunnen stabiliseren, en die anderzijds flexibel genoeg zijn om overeen te komen met de manier waarop ze tegenwoordig werken. Trek in uw decreet de definitie van projecten open en rek ze uit, en als ge dan toch bezig zijt misschien ook die van structuren. Experimenteer met een structureel project of een projectmatige structuur die tenminste al administratieve en productionele ondersteuning van individuele kunstenaars op langere termijn kan garanderen. En zorg er zo voor dat er weer wat evenwicht komt tussen artist-run en andere organisaties.

Dames en heren, wij danken u voor uw aandacht.

www.vti.be,www.overlegkunsten.org, www.kunstenenerfgoed.be

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

statement
Leestijd 12 — 15 minuten

#125

01.06.2011

—

31.08.2011

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!