Leestijd 19 — 22 minuten

Nieuw bericht, geen boodschap

Culturele tijdschriften: waarom bestaan die dingen nog?

‘Wie leest die dingen nog?’ Dat vraagt Michiel Leen zich over de Vlaamse literaire tijdschriften af in het september-oktobernummer van rekto:verso. Daniëlle de Regt vertaalt de discussie naar het veld van de culturele tijdschriften die worden gesubsidieerd binnen het Kunstendecreet – zoals bijvoorbeeld Etcetera. De vraag van Leen vindt zij een doodlopend spoor. Het zou, zo schrijft zij, een pak logischer en een stuk minder dooddoenerig zijn om te vragen: ‘Waarom zijn die dingen er nog?’ Wel, om meer dan één reden, zo blijkt.

Zeggen dat iets een grap is, is een beproefde truc om het ergste te rationaliseren. – Theodor W. Adorno, Versuch über Wagner, 1952

Moedwil en misverstand

“Wie leest die dingen nog?’ vraagt Michiel Leen zich af over de Vlaamse literaire tijdschriften in de laatste rekto:verso. Het is een vraag die er geen is. Want het antwoord is bij voorbaat al gegeven. ‘Het publiek van de literaire tijdschriften is al jaren een aandachtspunt’, aldus Sven Vitse, aftredend voorzitter van de adviescommissie Tijdschriften van het Vlaams Fonds voor de Letteren. De toestand wordt ingeschat als kritiek van zodra de oplage onder de 250 exemplaren zakt.

De ‘nog’ in de retorische vraag van Leen is vanuit historisch perspectief misplaatst. Alsof het vroeger beter was. Deze tijdschriften hebben nooit oplages gekend die een vergelijking met die van bijvoorbeeld Knack, Humo of Flair niet in het belachelijke trekt. Een oplage boven de vijfhonderd exemplaren is behoorlijk, duizend is een magische grens.

Vertaald naar het veld dat mij hier interesseert, namelijk de culturele tijdschriften die via het Kunstendecreet gesubsidieerd worden, zijn <H>Art, De Witte Raaf en rekto:verso de enige die daar bij mijn weten ruimschoots overheen gaan. Wat alles te maken heeft met de productie- en distributiestrategie die ze hanteren. Er is bewust gekozen voor een goedkope uitgave die een brede verspreiding buiten het geijkte EPO-distributienet toelaat.

Nu zeggen oplagecijfers weinig over de effectieve receptie van een tijdschrift. Hoe kan je nagaan of alle gedrukte exemplaren ook effectief gelezen worden? Abonneecijfers vormen eveneens een schimmig meetinstrument. Nogal wat bibliotheken hebben een abonnement op die tijdschriften. Wie weet is dat ene exemplaar wel goed voor vijftig lezers?

Maar laten we een kat een kat noemen. We hebben zulke onderzoeken niet echt nodig om te beseffen dat culturele tijdschriften niet kunnen bogen op een groot lezerspubliek. Tot zover niets nieuws onder de zon. Het enige verschil met nu is dat oplagecijfers en lezerspublieken vroeger nog geen aandachtspunten waren. Indien Leen, in plaats van een collecte te houden ter inzameling van een heleboel vrijblijvende meningen, de moeite had gedaan om de vraag ‘wie leest die dingen nog?’ te beantwoorden aan de hand van harde data, en die vervolgens had gepromoveerd tot basis van de discussie over de toekomst van de culturele en literaire tijdschriften, dan had hij vermoedelijk gelijk gekregen wanneer hij beweert dat het vijf voor twaalf is.

Aan dat noodlot valt volgens Leen te ontsnappen als de literaire tijdschriften ‘uit hun gesubsidieerde isolement komen en zich aan de hedendaagse lezer […] presenteren als bronnen van een acute, actuele reflectie over literatuur. Met snerpende kritieken. Met flitsend proza. Met aantrekkelijke beelden. Daarbij kunnen (en moeten) ze een aanvulling vormen op het hapklare letterennieuws van krantenbijlagen en boekensites, waar – ook onder jongeren – nog steeds ruime interesse voor bestaat. Het is niet aan het publiek, de schrijvers en uitgevers om plots “hun leven te beteren” en de tijdschriften te gaan (her)ontdekken; de berg zal niet naar Mohammed komen. Als de tijdschriften de eenentwintigste eeuw willen overleven, zullen ze in de eerste plaats mee moeten gaan met hun tijd en opnieuw duidelijk moeten maken waar hun meerwaarde en relevantie ligt voor het jonge, geïnspireerde publiek van nu en straks.’

Moedwil en misverstand buitelen hier over elkaar. Wie zijn die jonge, geïnspireerde lezers precies? Een klein vragenrondje bij de eigen medestudenten kan toch bezwaarlijk als exemplarisch argument gelden. Waarom ligt het accent op jongeren als zijnde de te prefereren doelgroep? Dat is op zijn zachtst gezegd nogal discriminerend. Hoe ben je in godsnaam complementair ten opzichte van die ‘hapklaar’ gemodelleerde kranten en tijdschriften als je daarvoor ‘knerpend’, ‘acuut’, ‘actueel’, ‘flitsend’ en ‘visueel aantrekkelijk’ uit de hoek moet komen? De kwalificatie ‘verdubbelend’ is terechter.

Vooral ergerlijk is dat Leen er zich blijkbaar niet van bewust is dat hij een pleidooi aan het afsteken is voor een verregaande integratie van de literaire en culturele tijdschriften in het spektakulariserings- en sensationaliseringsregime dat de socio-economische norm is. Voor een Gleichschaltung die iedere vorm van kunst- en maatschappijkritiek ontmantelt en die tijdschriften dus in het hart van hun wezen raakt.

Als we het wezen van die tijdschriften al in termen van complementariteit zouden moeten vatten, dan liever een antagonistisch geïnspireerde. Wanneer bijvoorbeeld De Standaard van 18 september 2010 zijn lezer trakteert op een stickerboek genaamd Wim Delvoye Anthology onder het olijke motto ‘De Standaard en Wim Delvoye maken kunst’, dan heeft De Witte Raaf zijn eigen complementariteit razend goed begrepen door prompt een ellenlang interview met Delvoye te publiceren dat tactisch inzoomt op het begin van de carrière van Delvoye. Alleen al de titel ‘Creating icons of a new tinsel’ maakt duidelijk welke artistieke en retorische omslag binnen de carrière van Delvoye er hier eigenlijk gethematiseerd wordt, en waarvan die Standaard van 18 september als dubieuze slotsom gezien kan worden.

Wie beweert dat culturele en literaire tijdschriften meer bij de tijd zijn indien ze zich flitsend, snerpend en tegelijkertijd dociel-verleidelijk presenteren, die heeft niet alleen hun mogelijke surplus misbegrepen, maar vooral de stand van zaken van de wereld zelf. Het tweede is veel pijnlijker en onvergeeflijker dan het eerste.

Die gedachte kon ik aanvankelijk nog exclusief op conto van Leen zetten. Tot ik medio september een mail geforward kreeg met de vraag of CELT VZW (de overkoepelende organisatie voor de culturele en literaire tijdschriften) misschien niet dieper zou willen ingaan op de observaties in Leens onderzoek. Blijkbaar zijn de culturele en literaire tijdschriften voornemens om die niet-aflatende boutade ‘wie leest die dingen nog’ in combinatie met een wankele argumentatiebasis ernstig te nemen.

De grap is dat men dus van plan is een probleem te tackelen dat al lang geen probleem meer is. De reden waarom die tijdschriften gesubsidieerd worden is juist omdat men al eerder heeft vastgesteld dat ze niet in staat zijn om te beantwoorden aan het dominante marktregime dat de hoogste performantie en grootste gemene deler promoot. En dat men ze desalniettemin waardevol genoeg vond om ze niet zomaar aan die wetten over te leveren.

Als het gaat over de toekomst van de culturele en literaire tijdschriften, dan grossiert men naast vragen blijkbaar ook in logica’s die er geen zijn. ‘Wie leest die dingen nog?’ is een doodlopend spoor voor die discussie. ‘Waarom zijn die dingen er nog?’ zou een pak logischer en een stuk minder dooddoenerig zijn.

Rock on!

Culturele tijdschriften worden gemaakt en volgeschreven door masochistische ezels die er geen probleem van maken om zich telkens aan dezelfde steen te stoten. Redacteurs zijn ezels omdat ze zichzelf iedere keer weer verplichten om tegen beter weten in te werken. Ze beseffen dat hun zweet aan het einde van de rit grotendeels onbeloond zal blijven. In het beste geval worden ze onthaald met een aai en krijgen ze als dank een verlepte wortel voorgeschoteld.

‘Op het vlak van personeelsontwikkeling bevinden de periodieke publicaties zich in een groeifase’, aldus minister Anciaux in zijn laatste toelichting bij de subsidiëring van de culturele tijdschriften. Groeifase? Financieel gezien trappelen die publicaties toch al geruime tijd ter plaatse? Hun subsidies hebben gecumuleerd het soortelijk gewicht van een middelgroot theatergezelschap.

Anciaux bezigde toen een liberalistische new speech die moet verhullen dat de culturele tijdschriften op het vlak van professionalisering de laatste blamage van het Kunstendecreet zijn. Vaste dienstverbanden zijn hier quasi onbestaande. Vergoedingen voor geleverde prestaties zijn dusdanig onder de maat dat ze gekwalificeerd kunnen worden als een ethisch vraagstuk. Als ik de rubriek ‘Hoeveel verdient…’ in de Jobat mag geloven, dan zou een auteur per maand zestig pagina’s A4, enkele interlinie, Times New Roman punt 12 moeten publiceren, wil hij of zij aan hetzelfde maandloon komen als een kleuterleidster of een verwarmingsinstallateur. RSZ, maaltijd-cheques en vakantiegeld niet inbegrepen.

De personeelsontwikkeling van de periodieke publicaties heeft buiten iets ezelachtigs ook iets punky. Dit moeten binnen de culturele sector wel de laatste bestuurlijk gerecupereerde enclaves zijn die de Do It Yourself-gedachte nog actief uitdragen. Ze zijn anti-establishment tegen wil en dank.

Maar deze attitude is niet altijd zo nobel en opofferingsgezind als ze lijkt. Net zoals bij punk kleeft er iets gemakzuchtigs aan. Een tijdschrift kan rustig blijven aanrommelen omdat er domweg niets beters van verwacht wordt.

Hoe dan ook, de subsidiënt van nu is niet meer die van vroeger. De subsidiënt-nieuwe-stijl rekent zijn rekeningen tot in de puntjes door. Pas als die kloppen kan er gesproken worden over zaken als ‘kwaliteit’ en ‘relevantie’. Hij is pas geneigd om een vzw meer geld te geven wanneer hij denkt dat die vzw daarmee beter zou kunnen inspelen op de wetten van de markt. Dus als de return on investment toeneemt. Wat ook meteen het toetsingsinstrument zal zijn bij een volgende subsidieronde.

Als je omwille van die investeringslogica meer subsidies ontvangt, dan heb je een vergiftigd geschenk in handen gekregen. Je bent inderdaad in staat om de redactionele werking van het blad te professionaliseren. Je kunt auteurs vergoeden volgens de basisregels van het fatsoen. Maar de volgende stap zal onvermijdelijk zijn dat de inhoud van het blad evenzeer aan performantie moet winnen. Want de subsidiënt moet zijn return van de investment terug kunnen traceren. Je blad zal dus flitsender, aantrekkelijker en spitanter moeten worden. Want de return on investment-logics kan maar gedijen als de verschillende performantieniveaus samengeschakeld worden tot een vicieuze cirkel. Kortom, als de toegestopte zak met geld ineens zwaarder weegt, dan zou het wel eens kunnen dat er een doos van Pandora op de bodem ligt.

Zoals gezegd benaderen periodieke publicaties subsidiemiddelen het beste als een kwestie van ethiek. Het is bijvoorbeeld niet ethisch verantwoord dat een auteur die met grote regelmaat in culturele tijdschriften publiceert, per definitie als statuutloze armoezaaier door het leven moet gaan. Dit is in strijd met het solidariteitsprincipe waarop verzorgingsstaten zogezegd steunen. Voor het overige moeten we in het achterhoofd houden dat idealisme té gemakkelijk omgeturnd kan worden tot een louter retorische strategie met financiële accumulatie als doel.

Punk is tegenwoordig niet iets is dat je doet. Het is iets dat je je slechts tot op zekere hoogte kunt permitteren. Vergeet nooit het lot van Johnny Rotten. Die verdient nu zijn geld als gezicht van biologisch verantwoorde pakjes boter van Country Life. Ook dat zegt misschien wel meer over de stand van zaken in de wereld dan over die van Rotten.

Poëticale vechtmachines

Je kunt het zo gek niet bedenken of er bestaat wel een tijdschrift over. Zo ook over tijdschriften. Het Tijdschrift voor Tijdschriftkunde (TS) gaf in 2002 het lustrumboek Floppen en fiasco’s. Mislukkingen uit de tijdschriftgeschiedenis uit. Het is een kroniek van gemiste kansen waaruit heel wat wijsheid te puren valt over het ‘waarom’ van culturele tijdschriften.

TS beschouwt een tijdschrift als mislukt wanneer het niet beantwoordde aan de doelstellingen van de oprichters en redacteurs, of wanneer het niet langer dan één jaar bestond. Economische factoren spelen natuurlijk een rol bij de ondergang. Maar het zijn zeker niet de enige factoren, of de meest doorslaggevende. De inhoud zelf kan evenzeer debet zijn. Volgens TS zijn tijdschriften de cultuurdragers en -producenten die van oudsher ‘de drijvende krachten waren achter culturele, historische, literaire en wetenschappelijke wendingen’. De redenen waarom de motor kan vastlopen is volgens de auteurs grosso modo te wijten aan een gebrek aan brandstof, slecht onderhoud of sabotage.

Over sabotage en slecht onderhoud hebben we het hier al gehad. Daar heeft iedereen altijd de mond vol van. Die discursieve verkokering heeft er jammer genoeg voor gezorgd dat de brandstof, de enige echte bestaansgrond van een cultureel tijdschrift, te vaak buiten schot is gebleven. Terwijl dat wel eens het echte probleem zou kunnen zijn.

Harold Polis, uitgever van De Bezige Bij Antwerpen, geeft in zijn interview met Leen aan dat het vervelend is dat nogal wat tijdschriften zichzelf als ‘ideologische, poëticale vechtmachines’ zien. Bijgevolg wentelen ze zich in discussies die voor te weinig mensen van belang zijn.

Ik zou willen dat ik Polis hierin gelijk kon geven. Want poëticale vechtmachines zijn behept met een visie. Een plan. Een missie. Maar laten die nu net schitteren door afwezigheid in het landschap van de culturele tijdschriften. Dat veld laat zich lezen als een bonte verzameling van splinterbommetjes die de minimaalste impact beogen. Een tijdschrift als Staalkaart kan symptomatisch genoemd worden voor de ontwikkeling die zich de afgelopen twintig jaar sluipenderwijs heeft voltrokken. Nogal wat tijdschriften ambiëren tegenwoordig een staalkaart te zijn. Beetje van dit, beetje van dat, interviewtje hier, bespreking daar, en dat allemaal afgekruid met een zachte cultuurkritische toets teneinde een maatschappelijk relevant aroma te bekomen. Het is Congo-jaar, dus iedereen doet iets met Congo. Vrouwen vormen binnen het maatschappelijke bestel nog altijd een ondergeschoven kind, dus in plaats van een deus ex machina wordt er voor de gelegenheid een deus ex vagina samengesteld. Streven is een blad dat ‘filosofie en religie, literatuur en kunst, film en theater, politiek en maatschappij…’ wil belichten, wat in realiteit gewoon gelijkstaat aan anything goes.

Aan de andere kant van het spectrum staan de tijdschriften die opgevat zijn als reservaten, strikt gericht op conservatie. Spiegel der Letteren en Orgelkunst zijn voorbeelden van de oude stempel. Maar hun poëticale strategieën verschillen in wezen niets van hun heel wat hipper vormgegeven pendanten als bijvoorbeeld Filmmagie en Gonzo (circus). Ze weerspiegelen slechts wat reeds bestaat of ooit heeft bestaan. Opdat een film, cd of middeleeuwse mysticus niet in de vergetelheid geraakt. Deze tijdschriften zijn behoudsgezind in alle betekenissen van het woord.

Nogal wat culturele tijdschriften verspreiden tegenwoordig geen boodschappen, maar berichten. Frank Albers heeft het bij het rechte eind wanneer hij in zijn interview met Leen zegt dat sommige literaire tijdschriften een postuum bestaan leiden. Hetzelfde kan gezegd worden van een aantal culturele. Hun noodzaak is bij wijlen ver te zoeken, en hun functie van drijvende kracht achter artistieke en maatschappelijke omwentelingen’ is steeds meer een kwestie van simulatie. Een strategie die je soms in rekto:verso tegenkomt. Polemieken worden niet zozeer opgepikt, maar geprefabriceerd. Pittig uit de hoek komen fungeert als een conditio sine qua non om een discussie aan te zwengelen. Het resultaat is paradoxaal genoeg meer retorische rook dan maatschappijkritisch vuur. Het is niet omdat men op papier druk kritisch aan het gebaren is, dat men dan ook effectief een relevante kritiek aan het spuien is.

Ranking the Stars

Een tijdschrift is uiteindelijk maar zo goed als zijn auteurs. Dat is het tweede probleem waarmee de culturele tijschriften kampen. Er zijn te weinig goede auteurs. Dit heeft in eerste instantie te maken met het gebrek aan financiële levensvatbaarheid van het beroep. Het is lastig doorgroeien als je op zwart zaad zit. Ten tweede met het gebrek aan sturing vanwege de redacties van de tijdschriften. Ik kan hier alleen voor Etcetera spreken, maar ik vermoed dat het elders niet anders is. Omdat het al een hele klus is om het blad op enigszins behoorlijke wijze vol te krijgen en aan de drukker te bezorgen, staat een grondige begeleiding van met name jongere auteurs niet hoog op het prioriteitenlijstje. Dit is geen excuus maar een betreurenswaardig en te laken feit.

De consequentie van deze twee gebreken is dat de culturele tijdschriften grosso modo volgeschreven worden door auteurs die het zich kunnen permitteren om daarin te publiceren, en waarvan de tijdschriften op hun beurt denken dat ze er zich geen buil aan zullen vallen. Daarom zijn academici oververtegenwoordigd in de auteursbestanden van de culturele tijdschriften. Ironisch genoeg brengt dat gegeven een nieuw acuut probleem met zich mee. Ook hun noodzaak is soms ver te zoeken.

Dit is het directe resultaat van de calculatielogica die ook binnen het academische bestel de overhand heeft gekregen. De academicus-nieuwe-stijl denkt wel twee keer na voor hij of zij zijn of haar energie steekt in een doorwrochte kunstkritiek of een essay dat min of meer buiten het eigen onderzoeksveld ligt. De return on investment is namelijk te klein.

Voor de niet-ingewijden: de merites van een academicus schuilen tegenwoordig meer dan ooit in zijn of haar discursieve bedrijvigheid. Wat men schrijft is van ondergeschikt belang. Waar men publiceert is cruciaal. Zowel buitenlandse wetenschappelijke tijdschriften als een aantal Vlaamse culturele tijdschriften staan ingeschreven in een rangorde die iedere academicus moet volgen. Bijvoorbeeld Performance Research of The Drama Review hebben een A-statuut. Dat wil zeggen, goed voor vijf punten. Streven, Etcetera en De Witte Raaf spelen in de B-klasse. Twee punten per gescoord artikel. Rekto:verso is een C. Daar krijg je één puntje voor. Aan het einde van ieder academiejaar slaat de universitaire overheid aan het turven. Hoe meer punten, hoe beter jij of jouw onderzoeksgroep beoordeeld zullen worden. Die beoordeling vormt meteen ook de centrale spil bij het opstellen van het globale allocatiemodel van de universiteit. Hoe meer output, hoe meer geld. Voor externe fondsen geldt hetzelfde. De toeschietelijkheid van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek staat in proportionele verhouding tot de kwantitatieve output van de aanvragers.

De exacte rangorde en puntenverdeling verschilt op dit moment nog van universiteit tot universiteit. Maar de logica is overal van kracht en heeft zich gaandeweg ontpopt tot een anale fixatie. De gevolgen ervan zijn nefast. Iedere academicus gezegend met een overlevingsinstinct publiceert tegen de sterren op. Het liefste in het buitenland. Boeken, je kunt er niet genoeg van maken of samenstellen. En als je echt het beste wil maken van dit systeem, dan probeer je met dezelfde congrespaper of hetzelfde artikel op verschillende plaatsen tegelijkertijd te scoren.

Soms is dat een goede zaak. De ideeën die erin stonden verdienden een beter platform dan een of ander godvergeten academisch tijdschrift dat door anderhalve man en een paardenkop gelezen wordt. Maar vaker komt het er op neer dat men een verplicht nummertje dusdanig concipieert dat het tot in het oneindige gereproduceerd kan worden. Het is dus niet zo gek dat academici zo actief zijn in de culturele tijdschriften. Die vormen immers een belangrijke schakel binnen deze reproductielogica.

Dat is niet eens het ergste. Kwalijk is vooral dat die logica een weerslag heeft op wat er door de academici wordt geschreven. Nieuw bericht, geen boodschap is ook hier de dominante trend. Het academische bedrijf en de culturele tijdschriften kampen met hetzelfde Calimerocomplex. Het zijn geen poëticale of ideologische vechtmachines meer omdat ze de inzichten van trendy poststructuralistische denkers zoals Foucault en Deleuze, waarmee ze in hun artikels graag schermen, dusdanig ernstig hebben genomen dat er wel een moment moest komen dat ze ook zichzelf als absolute relativiteit gingen zien, en iedere vorm van ideologisch-orthodoxe stellingname afwezen wegens politiek verdacht.

Meteen ook de reden waarom academici in hun artikels net zoals de culturele tijdschriften in hun mission statements jongleren met holle frases. De cirkelredenering is de retorische figuur par excellence geworden. ‘Ja, maar…’, ‘hier valt tegenin te brengen dat…’ of ‘hoe kunnen we nog…’ zijn stoplappen waarin een deconstructief gebaar verscholen ligt dat enkel en alleen het falen van het eigen betoog thematiseert.

Naar het schijnt is het in de wetenschaps-communicatie tegenwoordig erg hip om aan ‘pecha kucha’ te doen. Lezingen worden verhakkeld tot korte presentaties waarbij het de kunst is om gelijke tred te blijven lopen met de Powerpoint-presentatie achter je die automatisch afloopt. Ik heb nog nooit zo’n sessie meegemaakt, maar ik heb me laten vertellen dat het een erg levendig, to the point en interactief format is.

‘Pecha kucha’ is Japans voor ‘prietpraat’. Het vertoont een frappante familiegelijkenis met ‘Twitter’, wat in het Engels ‘kwetteren’ betekent. Het ziet ernaar uit dat Deleuzes droom van de bemiddeling van de werkelijkheid via primitieve expressies en doorgedreven pragmatisme realiteit is geworden. Het beeld van een volière vol vrolijkheid dringt zich op. Maar al dat levendige gefladder maskeert dat we tegen elkaar aan het oppiepen zijn in een dode kamer.

Nog nooit was het academische bedrijf zo nuttig en zinloos tegelijkertijd. De culturele tijdschriften zouden erover moeten waken dat ze zich niet te ver laten meeslepen in die tangconstructie. Ze zien zichzelf beter niet als verlichte volière. Daarmee doen ze zowel zichzelf als de kunst en de wereld die ze trachten te bekritiseren, te weinig geweld aan.

Virtueel messianisme

Het internet is de messias van deze tijd. Er wordt dusdanig veel geloof in geïnvesteerd, dat het iets beangstigends krijgt. Want zoals bij alle religies is de kern ervan onredelijkheid.

Het is irrationeel om te denken dat het internet kunst- en cultuurkritiek zal democratiseren omdat het die kritiek vrij verkrijgbaar maakt. Mensen zullen die site namelijk nog altijd moeten vinden. Het internet bestaat uit een heleboel in elkaar geschoven niches.

Dit maakt een panoramisch overzicht ervan onmogelijk. Het internet is een doolhof opgebouwd uit marginaliteiten. Een cultureel tijdschrift zal dus niet minder marginaal worden wanneer het zich op het net smijt. Het omgekeerde effect is aannemelijker.

Het is even irrationeel om te denken dat het internet corrigerend kan optreden ten opzichte van de massamedia wanneer het gaat over hun tanende aandacht voor gedegen kunst- en cultuurkritiek. Ervan uitgaande dat die kritiek pas waardevol is als ze de complexiteit van haar voorwerp huldigt, zal men daarvoor meer woorden nodig hebben dan onze cognitieve vaardigheden toelaten om via een scherm te verwerken. Dit is een wetenschappelijk bewezen feit.

Er zijn al zo weinig goede auteurs, waarbij ‘goed’ niet gelijkstaat aan de minimale voorwaarde van grammaticaal correcte zinnen produceren, maar aan ideeën hebben. Dat zal er niet beter op worden als ze zichzelf exclusief via het internet moeten gaan uitbaten. Auteurs stellen intellectueel eigendom ter beschikking. Juridisch gezien is dit op het internet niet het best beschermde goed. Dat ze dat eigendom dan maar gratis van de hand moeten doen, is de dood in de pot. We hadden al vastgesteld dat het gebrek aan adequate verloning mede verantwoordelijk is voor het globale niveau van de kunst- en cultuurkritiek. Een auteur heeft doorgaans na verloop van tijd pas iets te vertellen. Ideeën hebben tijd nodig om te rijpen. Wanneer die tijd volgepropt moet worden met een heleboel nevenactiviteiten omdat hij of zij anders niet kan overleven, moeten we niet verbaasd zijn dat onze oogst zwart zaad is.

Wie denkt dat ‘de man in de straat’ minstens zoveel wezenlijks te vertellen heeft als de doorgewinterde kunst- en cultuurcriticus, moet gedurende één week de lezersreacties doornemen die onder de onlineberichtgeving van bijvoorbeeld De Standaard geplaatst kunnen worden, om een beeld te krijgen van hoe democratisering er op haar huiveringwekkendst uitziet.

Maar het allerbelangrijkste is dat we ons bewust zijn van het monsterlijke karakter van deze volière der volières. Tien jaar geleden kon men het zich nog permitteren om enthousiast te worden over de idee van grenzeloze uitwisselbaarheid, permanente beschikbaarheid en een grondige herdenking van gemeenschapsvorming. Nu zou men beter moeten weten.

Het internet is ingekerkerd in het neoliberale regime van de absolute performantie. Het is er de blauwdruk van geworden. Uitwisselbaarheid is uitgehold tot inwisselbaarheid.

Ik ga niet ontkennen dat het internet mogelijkheden biedt voor kunst- en cultuurkritiek. Archivering zou een waardevolle functie kunnen zijn. Maar ervan uitgaan dat het het antwoord is op al onze gebeden, is niet alleen naïef maar ook gevaarlijk. Men ontkent dan dat het wezen van het internet in feite haaks staat op het wezen van de kritiek.

Tot slot

Vanuit democratisch oogpunt dienen culturele tijdschriften aan twee basisvoorwaarden te voldoen. Ze moeten betaalbaar en beschikbaar zijn. Daarnaast moeten ze in staat zijn om hun eigen relevantie in te schatten. Die is nauw verwant met de relevantie van de gekozen poëticale strategie. Die moet op haar beurt op kritische wijze rekenschap geven van het tijdsgewricht waarin ze opereert. Simpel gezegd, je moet vertrekken van het besef dat als iedereen al twittert, het volstrekt geen zin om dat zelf dan ook maar te gaan doen.

Indien alle redactieleden van Etcetera het volledig eens zouden zijn met al het bovenstaande, dan was je nu een ander soort blad aan het lezen. Dit is een blad waaraan geen consensus, maar dissensus ten grondslag ligt. Zolang die spanning gethematiseerd kan worden, hebben we denk ik een reden om te bestaan. ©

Bibliografie

Michiel Leen (2010): Toen waren ze nog met zeven. Literaire tijdschriften in Vlaanderen anno 2010. Ongepubliceerde eindverhandeling, Lessius Hogeschool.

Michiel Leen (2010): ‘Wie leest die dingen nog? Literaire tijdschriften in Vlaanderen’. In rekto:verso, nummer 43, september/oktober 2010.

Helleke van den Braber, Lotte Jensen e.a. (ed.) (2002): Floppen en fiasco’s. Mislukkingen uit de tijdschriftengeschiedenis. Nijmegen: Vantilt.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

essay
Leestijd 19 — 22 minuten

#123

01.12.2010

—

28.02.2011

Daniëlle de Regt

Daniëlle de Regt is redacteur van Etcetera, studeerde vertaler/tolk, film- en beeldstudies, theaterwetenschap en cultuurmanagement. Momenteel is ze onderzoeksmedewerker bij de Hogeschool Antwerpen, en medewerker cultuur voor De Standaard.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!