© Eva Honings

Leestijd 5 — 8 minuten

Lullabye – Anneleen Keppens

Wie zorgt er voor wie zorgt?

Wie zorgt er voor wie zorgt? Dat is de wat enigmatisch geformuleerde kern van Lullabye, de danssolo van Anneleen Keppens die in première ging tijdens AMOK, een festival rond kunst en zorg, georganiseerd door Kunstencentrum KAAP op de site van het psychiatrisch ziekenhuis Onze Lieve Vrouw in Brugge. Daarin staat een moeder centraal, als oerbeeld van de zorgende. Geen zorgrelatie die in principe zo volstrekt vervlochten is als die tussen een moeder en haar kind. Deze relatie verschijnt in Lullabye als een bijna heilige twee-eenheid.

In Lullabye wordt die twee-eenheid verbeeld, en tegelijk verkend en afgetast in al haar complexiteit. Op de scène zien we Anneleen Keppens, ze ligt in een landschap van kleurrijke doeken, eromheen staat een constructie van palen met daaraan touwen en katrollen. Het lijkt een uit de kluiten gewassen speeldeken, een mobiel voor moeders: een klein, eigen universum, een plek van veiligheid en geborgenheid. Daarbinnen zien we alle facetten van het moederschap: het spelen en de vrolijkheid, maar ook veel eenzaamheid, de vermoeidheid en nood aan rust en zelfzorg. Maar wat vooral opvalt is het verlangen naar contact met de buitenwereld, in deze voorstelling zo mooi verbeeld door het publiek dat in een halve cirkel rondom en vlakbij het speelvlak zit, en door de uitgelichte muren van de sportzaal waar de voorstelling plaatsvindt.

“Vanuit een grote authenticiteit bouwt ze haar personage op: je kunt je zo voorstellen dat de bewegingstaal uit het leven zelf is ontstaan.”

Keppens gebruikt hiervoor een bewegingstaal die subtiel is maar goed leesbaar. Vanuit een grote authenticiteit bouwt ze haar personage op: je kunt je zo voorstellen dat de bewegingstaal uit het leven zelf is ontstaan. Die echtheid is ook de beste remedie tegen een al te letterlijke illustratie van het moederschap, een potentiële valkuil waarin Keppens gelukkig niet trapt.

In de scenografie wordt ook duidelijk dat de rol van de moeder op allerlei manieren verbonden is. Telkens wanneer Keppens een rolbeweging maakt zet ze elders in het decor een beweging in gang. Die dynamiek roept een paradox op: het decor is enerzijds een plek van geborgenheid, een cocon, een privéruimte, maar tegelijk is het een wereld waarin niets zonder gevolg is. Elke beweging zet een andere in gang, alles heeft een consequentie. Wat betekent dat voor iemand die rust wil vinden?

“Mijn gedachten dwalen even af naar de instagramfilmpjes van moeders die zich even aan hun kroost onttrekken door zich te verstoppen in een kamerjas aan een haak in de badkamer.”

Als antwoord op die vraag ontpopt haar personage zich en betrekt ze ook het publiek bij haar wereld. Soms verwelkomend, maar op andere momenten vooral bedachtzaam, beschermend zelfs: let op, dit is mijn domein, er is maar één iemand die deze ruimte écht begrijpt, en dat ben ik, lijkt ze te zeggen. Je ziet een moeder die slaapt, die langzaam rolt, een moeder die geborgenheid zoekt, en die zich af en toe wegsteekt. Mijn gedachten dwalen even af naar de instagramfilmpjes van moeders die zich even aan hun kroost onttrekken door zich te verstoppen in een kamerjas aan een haak in de badkamer.

De soundtrack van Nicolas Rombauts is op dat moment nog een rustige fond op de achtergrond. Dat zal straks veranderen, wanneer de intensiteit van de voorstelling stijgt, de beats zich steeds manifester aan het geluidstapijt onttrekken en ook de klanken opzwepender worden. In die fase brengt Keppens ook de spaarzame maar zo efficiënte tekst binnen in de voorstelling. Het zijn losstaande woorden, maar ze geven sturing aan de choreografie: repetition, celebration, complication, interruption, growing growing growing, life and death.

“In die centrale betekenis vertelt Lullabye ook een verhaal dat veel breder is dan enkel de moeder-kind relatie. Het gaat ook om mensen die voor hun partner of ouder(s) zorgen, om mantelzorgers, om zorgprofessionals.”

Naarmate de voorstelling vordert, komt de vaststelling naar boven dat de zorgrelatie veel complexer en meerstemmiger is dan ze aanvankelijk lijkt. Keppens betrekt het publiek gaandeweg meer bij haar bewegingen. Ze geeft haar ‘baby’ aan iemand uit het publiek en vraagt hem het kind op haar rug te zetten, of vraagt twee mensen om samen met haar een doek te wiegen – de lullaby als wiegenlied, het schommelen dat rustig maakt. Uiteindelijk gaat ze nog een stap verder en vraagt ze het publiek om haar te wiegen.

Hier belandt de voorstelling bij de eigenlijke kern, want hoe hoogstpersoonlijk een zorgrelatie ook mag zijn, er is ook altijd een verlangen naar verbondenheid. In die centrale betekenis vertelt Lullabye ook een verhaal dat veel breder is dan enkel de moeder-kind relatie. Het gaat ook om mensen die voor hun partner of ouder(s) zorgen, om mantelzorgers, om zorgprofessionals. In wezen draagt elke zorgrelatie een potentieel immense intensiteit in zich, die alleen draaglijk blijft wanneer ze niet in eenzaamheid gedragen moet worden. Ik opende er mijn bespreking mee: wie zorgt er voor wie zorgt?

“In deze eerlijke en rake danssolo van een klein uur brengt Keppens ons langs alle facetten van het zorgen, onverbloemd en toch vol liefde.”

Meer dan ooit is het belangrijk daarover na te denken, in een samenleving die snakt naar zorg, méér zorg, in al haar dimensies: zorg voor kinderen maar ook voor moeders, en voor vaders, voor buren en onbekenden. Iedereen krijgt ermee te maken en we hebben er nooit genoeg van. Lynn Berger schreef er een prachtig boek over met de heerlijk efficiënte titel Zorg (Berger, L., 2022, Zorg: een betere kijk op de mens, De Correspondent Uitgevers). Daarin betoogt ze niet alleen dat iedereen zorg nodig heeft, maar ook dat iedereen gemaakt is om zorg te geven. En dat zorg een breed palet is, van luiers verversen tot mensen opereren, en alles daartussen, in alle denkbare richtingen die tussen mensen mogelijk zijn. Dat zorg, anders gezegd, hetgene is wat mensen tot mensen maakt.

Exact dat is de essentie, als je onder de anekdotiek kijkt, van Lullabye. In deze eerlijke en rake danssolo van een klein uur brengt Keppens ons langs alle facetten van het zorgen, onverbloemd en toch vol liefde. Haar bewegingstaal roept soms een zekere luchtigheid op, maar evengoed troost, warmte, melancholie en een verlangen naar verbondenheid. Alles in deze voorstelling is goed overdacht en tegelijk zo leesbaar, en herkenbaar. De voorstelling opent met een eenzame moeder, en eindigt in een beeld waarin het collectieve geëerd wordt. Het zijn geen tegenstellingen, wel integendeel: hulp vragen en toelaten is allicht het summum van vertrouwen geven en kwetsbaarheid durven toelaten.


 

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

#183

08.09.2026

—

14.01.2027

Tom Rummens

Tom Rummens ruilde een loopbaan van meer dan twintig jaar in de cultuursector in voor een opleiding verpleegkunde. Hij is gefascineerd door het kruispunt tussen zorg, ethiek en maatschappij en publiceert regelmatig over deze thema’s.

 

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!