© Steven Hendrix

Leestijd 5 — 8 minuten

God van de slachting – Crets Van den Begin Van Geel

Ontsporen is een kunst

Een piepklein podium, vier stoelen, evenveel toneelspelers, een handvol accessoires en een steengoede tekst, soms kan theater simpel zijn. Lien Thys, Ini Massez, Jonas Van Geel en Stany Crets spelen God van de slachting (oorspronkelijk: Le Dieu du Carnage) van Yasmina Reza in een regie van Peter Van den Begin. Reza gebruikt, zoals ze dat vaker doet, het podium om het sociale spel van het dagelijkse leven te laten ontsporen: de sociale maskers moeten af. Het toneelspel als vlijmscherp scalpel. Alle personages zijn wandelende clichés, en daarom zo echt als het leven zelf.

In God van de slachting brengt Reza, net als in haar bekendste stuk Kunst, een aantal mensen samen: één avond, één ontsporing. Het podium is hun sociale huis clos: ze moeten het met elkaar uitzingen. En naarmate de avond vordert, spant Reza de veer van de sociale conventie aan. Tot die springt. Zo biedt Reza inkijk in de frustraties en perversies die achter het masker van welvoeglijkheid van de (culturele) burgerij schuil gaan. De ongemakkelijke sociale beleefdheid van de middenklasse ontspoort tot een groteske komedie. Meedogenloos vergroot Reza de onhebbelijkheden uit van een sociale klasse die zo geobsedeerd door zichzelf is dat ze zich nooit vragen moet stellen over haar eigen privileges. Is dat immers niet de essentie van de burgerlijke identiteit: blind voor zichzelf?

We bevinden ons in het salon van Véronique (Lien Thys) en Michel (Jonas Van Geel). Ze ontvangen Alain (Stany Crets) en Anette (Ini Massez). De zoon van het tweede koppel heeft de zoon van het andere koppel een paar tanden uitgeslagen. Ze zijn samengekomen om dat “als volwassenen” uit te praten. Dat gaat natuurlijk grandioos mislukken. Want de kleinburger kan zich enkel in zichzelf verplaatsen. Het in aanvang beleefde gesprek is dus gedoemd om te ontsporen. En dat zal het ook doen. De vier spelers duwen gretig het gaspedaal in.

“God van de slachting gaat eigenlijk over ‘beschaving’. De burgerij vindt zichzelf ‘beschaafd’, ‘gematigd’, ‘redelijk’. Maar Reza ontbloot wat achter dat masker verscholen zit: kwetsuren, achterdocht en jaloezie.”

Véronique is een wandelend cliché. Ze is schrijfster en werkt halftijds in een kunstboekhandel. Ze houdt er mooie, progressieve opvoedingsidealen op na, die ze uiteraard oplegt aan anderen. Ze gelooft in de waarde van kunst en cultuur. Haar verdraagzaamheid is eigenlijk pretentie. Erger nog, wanneer ze over “Afrika” spreekt, is ze ronduit bevoogdend. Michel, haar echtgenoot en pantoffelheld, is de banaliteit zelve. Hij is groothandelaar in huishoudartikelen (“ik heb ten minste een gewone job”) – pannen, douchebakken, WC’s – en is de feitelijke kostwinner: Véronique kan met kunst bezig zijn dankzij de WC-spoelbakken van haar man (in een hilarische scène geeft Van Geel een commerciële uiteenzetting over de types spoelbakken die hij in verkoop heeft). Achter zijn banaliteit gaan echter frustratie en cynisme schuil. De hamster van zijn dochter jaagt hem de stuipen op het lijf, dus zet hij die meedogenloos op straat. Michel is zich als enige van de vier bewust van zijn eigen middelmatigheid. Vandaar zijn cynisme, maar ook zijn menselijkheid.

Anette en Alain staan een trapje hoger op de hiërarchische ladder van de middenklasse. Zij is vermogensbeheerder, hij advocaat. Ze kijken eigenlijk neer op het andere koppel. Dat zeggen ze niet met zoveel woorden, maar ze stralen het wel uit. Alain is een patserige advocaat die enkel de taal van het geld begrijpt. Principes zijn voor losers. Hij begrijpt de inzet van de hele avond niet. De zoon van Véronique en Michel beledigde zijn zoon, waarop de tweede de eerste een paar tanden uitsloeg. Dat doen jongens nu toch eenmaal? Wat is dus het probleem? De hele avond is hij druk in de weer met zijn gsm: zijn ersatz-fallus. “Mannen en hun accessoires”, verzucht Annette. Zij is eerst geciviliseerd en gedistingeerd. Ze kijkt beleefd neer op het andere koppel, zoals alleen de hogere middenklasse dat kan. Maar uiteindelijk barst het glazuur. Ze wordt ziek (teveel clafouti?) en kotst letterlijk de kunstboeken van Véronique onder.  Het geld kotst op de cultuur.

“Peter Van den Begin regisseerde het kwartet als speler: no-nonsense. De genadeloze sociale commentaar blijft daardoor misschien wat schetsmatig, maar daar tegenover staat het geestige spel van deze vier erg bekwame actrices en acteurs die al hun duivels mogen ontbinden.”

God van de slachting gaat eigenlijk over ‘beschaving’. De burgerij vindt zichzelf ‘beschaafd’, ‘gematigd’, ‘redelijk’. Maar Reza ontbloot wat achter dat masker verscholen zit: kwetsuren, achterdocht en jaloezie. Ze laat sociale conventies ontsporen. Wat begint als beleefdheid, wordt een grotesk schouwspel. In dat schouwspel wisselen de allianties voortdurend: de vrouwen vinden elkaar eventjes in hun frustratie, de mannen herwinnen tijdelijk hun viriliteit, mét drank en (voor Michel) een sigaar (wink wink), en zelfs de koppels worden door elkaar gehusseld: bij alweer een nieuwe aanval van misselijkheid van Anette houdt Michel liefdevol haar haren uit de emmer.

Peter Van den Begin regisseerde het kwartet als speler: no-nonsense, geen specifieke herinterpretatie, alles laten vertrekken van de tekst en de door die tekst gecreëerde situatie, om zo de spelers alle teugels te laten vieren. De genadeloze sociale commentaar (want in de kern is het stuk een sociale satire in de lijn van Molière) blijft daardoor misschien wat schetsmatig, maar daar tegenover staat het geestige spel van deze vier erg bekwame actrices en acteurs die al hun duivels mogen ontbinden. De evenwichtsoefening is niet van de poes. Laat je de bom te vroeg barsten, dan is het pompen of verzuipen. Het viertal speelt een reeks van meer dan dertig voorstellingen in Zaal Platform (in het gesubsidieerde circuit benadert enkel Compagnie Cecilia dergelijke reeksen) en ze kunnen dus elke avond een nieuw evenwicht uitproberen. De locatie werkt overigens goed mee. Paltform is eigenlijk de veilingzaal van Bernaerts. Aan de muren hangt – laat ons eerlijk zijn – ietwat middelmatige kunst. Een uitstekend decor dus voor een satire over de burgerij.

“Achter het spelplezier en de schaterlach zit een bijtende sociale satire. God van de slachting is een deurenkomedie zonder deuren, een stuk over pretentie zonder pretentie.”

Wie gaat kijken naar God van de slachting, beleeft zonder meer een leuke avond, dankzij de vier toneelspelers en een uitermate geestige én intelligente tekst. Maar achter het spelplezier en de schaterlach zit een bijtende sociale satire. Achter het glazuur van de beschaving is de mens nog steeds wild, egoïstisch en ongemanierd, en dus mens. God van de slachting is een deurenkomedie zonder deuren, een stuk over pretentie zonder pretentie.


God van de slachting speelt nog tot 19 december in Zaal Platform in Antwerpen. Ontdek de speeldata hier.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

#183

08.09.2026

—

14.01.2027

Karel Vanhaesebrouck

Karel Vanhaesebrouck doceert theater- en cultuurstudies aan de ULB en het RITCS in Brussel. Hij is tevens gastdocent aan het ESACT in Luik. Hij is actief als essayist en dramaturg.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!