Leestijd 10 — 13 minuten

Jonge makers, verenig u!

Waarom er niet te veel podiumkunstenaars afstuderen

Worden er te veel podiumkunstenaars opgeleid? Absoluut niet, vindt theaterdocent Noëmi Degrauwe, we leiden ze alleen verkeerd op. Het romantische ideaal van de autonome, geniale kunstenaar is achterhaald. “Als toneelscholen slim zijn, vormen ze groepen in de plaats van individuele makers of acteurs”. Haar advies aan de nieuwe lichting: verenig u, werk hybride, en neem je tijd.

Iets meer dan een jaar geleden verscheen Wouter Hillaerts artikel in De Standaard met de vraag of er niet te veel podiumkunstenaars afstuderen. Het zorgde voor openlijke discussies in de sector en zette de ambities van menig afstuderend acteur of theatermaker op losse schroeven. Er klonken stemmen in van jonge makers, programmatoren, schooldirecteurs en de oude garde. 

Als iemand die de podiumsector al een dikke tien jaar volgt, wil ik graag reageren. Een beetje slow, meer dan een jaar na datum… Maar ja, is dat kwalijk in een wereld waar meestal enkel de waan van de dag het nieuws haalt? Ook dit jaar staat er alweer een nieuwe lichting kraakvers afgestudeerde acteurs en theatermakers klaar. Hen wil ik graag een hart onder de riem steken.

Ik studeerde ooit voor theaterdocent in Utrecht, een opleiding waarvan de docenten zeiden dat je er niet op je plek zat als je in het professionele veld aan de slag wilde gaan (en voor de meerderheid hoefde dat ook niet). Maar zelfs van mijn opleiding zijn er mensen terechtgekomen in dat professionele veld, hoewel dat dus niet de bedoeling was en we met 25 personen, ontzettend groot voor de gemiddelde theaterklas, in het jaar zaten. Naast de klas van acteurs, die ook nog eens uit een twaalftal mensen bestond. Bij ons zeiden ze als een van de eerste scholen: “als je hier begint, willen we dat je de opleiding afmaakt”. Na het eerste jaar zijn er een achttal klasgenoten zelf opgestapt, omdat ze voelden dat het niets voor hen was, met alle eer aan zichzelf. 

“Een theateropleiding is haast een van de weinige onderwijsplekken waar jonge mensen zich kunnen ontwikkelen op lichamelijk, cerebraal én emotioneel gebied.”

Eerst en vooral wil ik het dus even hebben over een ‘numerus clausus’: het toelaten van een beperkt aantal studenten. Om dan nog eens in de loop van de opleiding de meerderheid weg te sturen, zoals in de ‘goeie oude tijd’ en de grote scholen van weleer. Soms zaten er nog maar drie leerlingen in een klas, soms werd er zelfs een heel jaar weg gestuurd omdat ze niet zouden voldoen aan de gestelde kwaliteitsnorm, want er moesten enkel ‘topacteurs’ geleverd worden. Mensen werden afgebroken om weer opgebouwd te worden, gevormd of gekraakt.

Los van het feit dat scholen dit niet meer doen omdat hun financiële middelen intussen afhangen van de behaalde studiepunten door studenten, en los van hoe triest het eigenlijk zou zijn, ben ik wat blij dat deze praktijk niet meer gangbaar is. Ik heb destijds menig jong volwassene geweten die tot in hun diepste zielswezen geraakt waren, want niet enkel de afwijzing voldeed, maar iemands hele persoonlijkheid moest eraan geloven. Vrienden, leuke spelers, die na een jaar toneelschool nog maar een schijn van zichzelf waren en nooit meer op een podium wilden staan. Terwijl ze helemaal niet zo slecht waren toen ze eraan begonnen — anders waren ze toch ook nooit toegelaten? 

En dat terwijl een theateropleiding haast een van de weinige onderwijsplekken is waar jonge mensen zich kunnen ontwikkelen op lichamelijk, cerebraal én emotioneel gebied. Domeinen die in ons klassieke, zittende, hoofdelijke onderwijs veel te weinig aan bod komen. De wereld zou er volgens mij wel bij varen, mochten er veel meer mensen zo’n ontwikkeling hebben gekregen. Naar de destructieve variant van theateronderwijs moeten we volgens mij absoluut niet terug, het was naast kwalijk ook gewoon ronduit schadelijk. 

Ook de doorstroom van die uitverkoren enkelingen naar de mooie ensembles van weleer was relatief, want als je dertig jaar geleden niet van Studio Herman Teirlinck of Dora van der Groen kwam, maar van het Lemmensinstituut, conservatorium Brussel of Gent, lagen je kansen ook al een stuk lager om in de podiumsector aan de slag te kunnen. Dat je nu een meer gemengd landschap ziet van goede spelers en makers uit de verschillende scholen met elk hun eigen artistieke identiteit, maakt het veld enkel diverser en vruchtbaarder. Het is geen onderonsje meer van een door inteelt geplaagd netwerk, waar sommige krokodillen blijkbaar naar terug te lijken verlangen.

Maar wat dan met dat grote overschot aan jonge makers als je grotere klassen en meerdere scholen hebt die kwaliteit leveren? Bij de mensen die het conventioneel ‘maakten’ uit mijn klas, als in: geprogrammeerd worden en touren op professionele podia, zie ik drie verschillende profielen, die volgens mij terug te vinden zijn onder alle theaterstudenten. 

Als eerste heb je de ambitieuze types. Diegene die nog voor ze beginnen aan de opleiding al weten waar ze willen staan, namelijk: de grote zaal. Het meest prestigieuze podium mogelijk. Ze werken hard, zijn niet meteen meer getalenteerd dan de rest, maar gaan er meer dan volledig voor. Kost wat kost. Ze netwerken, zoeken hun weg naar de juiste strategische figuren, nemen geen ‘nee’ als antwoord. Werken tot in de late uren (verwaarlozen meestal zichzelf) en geraken er uiteindelijk zo wel. Het zijn de lone wolfs waar je als klas niet echt op moet rekenen, tenzij er wat uit te halen valt voor hen. Ze grijpen alle kansen, maar dan echt alle kansen. Ik zag hen op podia van derderangs festivals staan waar ik me van afvroeg wat ze daar deden. Zalen zelf huren en hun voorstelling er programmeren met zuurverdiende spaarcentjes en er eigenlijk hun broek aan scheuren. Ze gingen door, door, door, als pitbulls in hun droom vastgebeten, terwijl anderen al lang aan het twijfelen sloegen. Maar het loont het wel. Ze zorgden dat hun naam zo vaak voorbij kwam dat hij een belletje begon te doen rinkelen. Ze staan ondertussen op die podia waarvan ze ooit hadden gehoopt er te mogen schitteren. Genieten van aandacht en waardering in de sector. Of het hun gat van ambitie heeft gevuld, is voor mij nog steeds een vraag, maar als erkenning en zichtbaarheid de maatstaf is, zijn ze er geraakt. 

“Ik gun elke jonge maker meer luwte om jezelf in te ontwikkelen en te groeien voor je erg zichtbaar wordt. Het zorgt enkel voor stevigere wortels en een dikkere stam als er storm komt.”

Een andere categorie is het uitzonderlijke talent. Best zeldzaam, iedereen hoopt stilletjes ergens dat die het is, maar eigenlijk zou je het niet moeten willen zijn. Vaak de jongelingen die effectief alles in goud lijken te veranderen wat ze aanraken, waarvan gewoon iedereen het ziet en weet dat ze uitzonderlijk zijn. Die zo eens op het jaar of zelfs om de paar jaar voorkomen. Waar docenten graag een poortje voor openen. Zelfs al zitten ze er zelf eigenlijk niet op te wachten, omdat ze het vaak doen omdat ze eigenlijk niet anders kunnen dan spelen of maken om hun innerlijke Sturm und Drang te bedwingen. Ze worden soms al opgepikt voor ze afstuderen en helaas zijn ze ook vaak een kort leven beschoren in de sector. Vanwege de druk en verwachtingen, die hun plezier en intrinsieke inspiratie of motivatie doet wegsmelten bij elk nieuw jonge makers-traject of -podium waarop ze worden geduwd en geprezen. Ze houden het meestal na een aantal jaren voor bekeken en gaan wat anders doen. Er zijn er die het wel volhouden, maar ik gun eigenlijk elke jonge maker meer luwte om jezelf in te ontwikkelen en te groeien voor je erg zichtbaar wordt. Het zorgt enkel voor stevigere wortels en een dikkere stam als er storm komt.

Dan is er de laatste categorie: de toneelklas die elkaar vindt. Die samen plezier heeft, elkaars kwaliteiten benut en er zo samen geraakt. De sociale dynamiek is hier de grootste uitdaging, maar het is veruit de minst eenzame. Alleen ga je snel, samen ga je ver. In mijn klas waren het de jongens die elkaar vonden in een gezamenlijke stijl, een mix van slapstick/acrobatie en maatschappelijk relevante thema’s, maar vooral puur fysiek spelplezier. En ze staan er, op festivals en mooie podia. Als er eentje wat alleen wil maken, kan hij rekenen op de credibiliteit van het collectief waar hij deel van uitmaakt en gaan de deuren ook gemakkelijker open. Zo zijn er tal van voorbeelden en collectieven die samen in de klas hebben gezeten, elkaar door en door kennen, complementair zijn en er geraken. 

“Mijn voornaamste boodschap is: verenig u. Zie je medestudenten niet als concurrenten, maar als medereizigers met verschillende complementaire vaardigheden om er te geraken. Wees oprecht aardig en collegiaal, hou de contacten warm.”

Mijn voornaamste boodschap is dus eigenlijk: verenig u. Verenig u en zie je medestudenten niet als concurrenten, maar als medereizigers met verschillende complementaire vaardigheden om er te geraken. Het gouden talent zal op deze manier wel overleven en zijn schittering delen, de ambitieuze maker zal wegen openen, en de gezellige caféhangers — een andere categorie die er alleen niet zo snel zouden geraken — zijn broodnodig voor de sfeer. 

Daarnaast mag je niet onderschatten dat je netwerk met je meegroeit. De collega op je studentenjob achter de bar van de schouwburg of vrijwilliger waarmee je broodjes smeert op een theaterfestival die theaterwetenschappen of sociaal-cultureel werk studeert, wordt binnen vijf à tien jaar misschien programmator of artistiek leider van een huis of festival. De artistieke huisgenoten waarmee je armzalig, maar gelukkig samenwoont, krijgen ergens een voetje binnen en vragen je om mee te spelen. Het hangt niet allemaal af van cynische programmatoren en directeurs waar je krampachtig een koffie-afspraak probeert mee te krijgen, of die je in de zaal uitnodigt op je premature toonmoment na een residentie die sowieso al te kort was. Die al platgeslagen zijn en die als ze je naam of gezicht nog nooit zagen voorbijkomen, waarschijnlijk begrijpelijk gaan glimlachen, je misschien een kruimel gaan toewerpen uit mededogen en dan ‘nee’ zeggen. Verenig u weer, met de jonge mensen, het culturele veld van morgen. Wees oprecht aardig en collegiaal, hou de contacten warm. 

“Het ideaal van de kunstenaar die zijn eigen, autonome werk maakt, gaat maar voor zeer weinig mensen op.”

Sowieso is de kunstenaarspraktijk meer hybride dan men op de toneelschool doet uitschijnen. Ik weet dat ik een jaar na mijn afstuderen een document over werk op de website van Kunstenpunt las en dat als een verademing ervoer. Er werd in omschreven hoe je als kunstenaar schakelt tussen externe opdrachten, eigen werk en bijvoorbeeld kunsteducatie of nog een andere baan. Het ideaal van de kunstenaar die zijn eigen, autonome werk maakt, gaat maar voor zeer weinig mensen op. 

En hoeft dit wel een ideaal te zijn? Het komt nogal achterhaald en romantisch over in een maatschappij waar kunstenaars juist maatschappelijk relevant proberen te zijn. Je hoeft jezelf tegenover oud-leraren of collega’s niet te verantwoorden met “maar ik ben ook bezig met een eigen project hoor”, als je aandacht en tijd even naar iets helemaal anders is gegaan. Ik zie jonge collega’s die de eerste drie jaar na hun afstuderen alles tegelijkertijd proberen te doen: eigen werk maken, alle opdrachten aannemen die ze maar kunnen krijgen en dan nog een baan in de kunsteducatie of horeca om de huur en het brood te betalen. Ik zag haast evenveel jonge collega’s na twee of drie jaar een burn-out krijgen omdat het te veel was. 

“Als toneelscholen slim zijn, vormen ze groepen in de plaats van individuele makers of acteurs, en geven ze mee dat niet enkel het autonome kunstenaarschap de zuiverste en te behalen vorm is.”

Het hoeft niet allemaal hier en nu. Er zit veel eer, plezier en artistieke uitdaging in lesgeven. Je doet vlieguren in het makerschap met een communityproject. Je doet er connecties op voor bijvoorbeeld een volgende residentieplek of een meer erkende collega wordt je coach. Of je staat plots wel in dat theater op het grote podium waar je eigenlijk van droomt, met dus dat community project of kunsteducatieve voorstelling, zonder dat je op vijftig nee’s en tien gesloten deuren bent gebotst. 

Ik wil maar zeggen: als toneelscholen, maar ook kunsthumaniora’s en -academies, slim zijn, vormen ze groepen in de plaats van individuele makers of acteurs. Dan geven ze mee dat niet enkel het autonome kunstenaarschap de zuiverste en te behalen vorm is. En vooral ook een manier van zelfzorg waarmee jonge makers weten: het hoeft niet allemaal hier en nu. Stop niet, heb plezier, geduld, neem rust en ga door.

Michael Haneke maakte zijn meest bekroonde meesterwerken pas na zijn zeventigste. Jullie hebben dus nog alle tijd. 

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

opinie
Leestijd 10 — 13 minuten

#183

08.09.2026

—

14.01.2027

Noëmi Degrauwe

Noëmi Degrauwe is coördinator en leraar van de afdeling Theater aan de Hoofdstedelijke Kunstacademie in Brussel. Zij studeerde voor Theaterdocent aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht en werkt sindsdien in Brussel aan verschillende kunsteducatieve, sociaal-artistieke en soms professionele projecten in samenwerking met scholen, culturele spelers en andere makers.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!