De Materie – Phia Ménard/Opera Ballet Vlaanderen/Bas Wiegers
Een schurend vooruitgangsdenken
Sébastien Hendrickx
The Dead Sea (1985), Yurakucho Asahi Hall © Nourit Masson-Sekine
Terwijl studentenprotesten Belgrado opschudden, houdt theatermaker Sanja Mitrović vanuit Brussel een dagboek bij. Algauw tekent zich een rode draad af: welke sporen hebben politieke systemen in haar eigen lichaam achtergelaten? Haar notities voeren terug naar het Joegoslavië van haar jeugd, naar brieven van haar vader en naar haar geboortestad, die al drie keer van naam veranderde.
Sinds november 2024 wordt Servië opgeschrikt door maandenlange studentenprotesten. De aanleiding was verontwaardiging over het instorten van de overkapping van het treinstation in Novi Sad, waarbij zestien mensen omkwamen. Geleidelijk groeide het uit tot een bredere beweging die om echte politieke verandering vraagt. Deze tekst brengt de dagboekfragmenten en notities samen die ik sindsdien heb bijgehouden, terwijl ik de protesten volgde vanuit Brussel en werkte aan Zemlja, een nieuwe theatervoorstelling.
Ik schrijf dit vanuit Brussel. Afstand is niet neutraal: het verandert hoe we ons gebeurtenissen herinneren, of hoe we ze gadeslaan terwijl ze zich ontvouwen.
Ik volg de protesten in Servië vanuit België. Ik zie beelden, lees verslagen, scan krantenkoppen en bekijk video’s. Afstand herschikt gebeurtenissen. Wat mij bereikt, is altijd al geredigeerd. Ik voel het gewicht en het ritme van al die lichamen die urenlang op straat staan niet. Maar de afstand stelt me wel in staat om alles als onderdeel van een groter historisch proces te zien. Hoe verder weg ik ben, hoe minder ik voel wat er gebeurt, maar hoe beter ik de patronen kan duiden die ik erin herken.
Studenten. Menigten. Een catastrofe die het begin wordt van iets nieuws. Of misschien ook niet.
Een lichaam op straat is nooit zomaar een lichaam. Er kleeft meteen een betekenis aan. De een ziet een student, de ander een demonstrant, nog een ander een bedreiging of juist een baken van hoop.
Ik probeer niet te snel te begrijpen. Begrijpen sluit dingen af. Ik wil aandachtig zijn voor wat zich herhaalt.
Gisteren was ik de hele dag in de weer met berichten en telefoontjes met vrienden in Belgrado. Vandaag dwalen mijn gedachten voortdurend af naar mijn geboortestad. Naar Zrenjanin. Of eigenlijk Bečkerek. Of Petrovgrad.
In de afgelopen eeuw veranderde de stad waar ik opgroeide bij elke nieuwe staatsvorm van naam. Bečkerek bestond eeuwenlang, van de middeleeuwen tot 1935. Petrovgrad, vernoemd naar koning Peter I Karađorđević, hield het elf jaar vol, van 1935 tot 1946. En Zrenjanin, een eerbetoon aan partizanenheld Žarko Zrenjanin, bestaat inmiddels zo’n tachtig jaar, van 1946 tot nu.
Ik herinner me nog discussies in de jaren 1990, toen ik studeerde, over het plan om de stad wéér om te dopen en ‘Zrenjanin’ opnieuw te veranderen in ‘Petrovgrad’. Die discussie was snel voorbij. Iemand merkte nuchter op dat het vervangen van paspoorten, straatnaambordjes en kentekenplaten simpelweg te duur was. De naam bleef.
Wat verandert er eigenlijk als een stad een andere naam krijgt? Verandert de stad zelf, of alleen het verhaal dat ze over zichzelf vertelt? Wat blijft er over als vlaggen of grenzen veranderen? Hoe leven politieke systemen voort in de lichamelijke en sociale gewoonten?
Geschiedenis wordt net zozeer doorgegeven via een sfeer als via schoolboeken. Via de tastbare aanwezigheid van iets wat we niet goed kunnen benoemen. In stiltes. In verhalen die abrupt afbreken. In namen die niet langer worden uitgesproken.
Als kind groeide ik op te midden van grootse historische narratieven, en toch bleef het meeste onbesproken. Bepaalde namen mochten niet vallen, bepaalde onderwerpen werden stilletjes gemeden. Er stonden huizen met een verleden waar niemand het ooit over had.
Pas veel later ontdekte ik de echte geschiedenis van het Banaat, de noordelijke regio die nu verdeeld is tussen Servië, Roemenië en Hongarije, waar mijn geboorteplaats ligt. Ik leerde over de bezetting, de deportaties, de verdwijningen. Toen ik zag hoe grondig geschiedenis (bewust) vergeten kan worden, begon ik me af te vragen waar die geschiedenis dan blijft.

© Sanja Mitrović
Als ik nu de naam Zrenjanin uitspreek, hoor ik de oude namen erin naklinken. Ik zie de stad tegenwoordig als een lichaam. Niet als een symbool of identiteit, maar als een plek waar verschillende tijden dwars door elkaar heen blijven bestaan.
En als ook een lichaam net zo zou werken als een stad: hoeveel geschiedenissen kan het dan tegelijk dragen? Hoeveel namen? Hoeveel verschillende manieren om je er thuis te voelen? Hoeveel afgebroken verhalen?
Is de verhouding van een stad tot haar geschiedenis te vergelijken met hoe een lichaam zich tot de wereld verhoudt: de manier waarop we een kamer binnenstappen of een vreemde inschatten; voorzichtig of juist met een vertrouwen dat we niet kunnen uitleggen?
Misschien boeit fascisme me daarom niet zozeer als historisch onderzoeksveld. Wat me meer fascineert is wat het achterlaat. Hoe het doorsijpelt in alledaagse gebaren. In de manier waarop we onze gemeenschap vormgeven. In de scheidslijnen die we trekken tussen wie erbij hoort en wie wordt buitengesloten. In de verhalen die we blijven herhalen, en de verhalen die we verzwijgen.
Als kind liep ik vaak langs het monument voor Sonja Marinković. Haar naam hoorde simpelweg bij de geografie van de stad, zoals de naam van een bushalte. Ik had geen idee wie ze was. Pas veel later hoorde ik dat ze als jonge vrouw in 1941 was geëxecuteerd. De meeste verhalen over haar komen neer op een bekend heldenverhaal: een jonge partizaan, gemarteld en op 31 juli 1941 gefusilleerd in Bagljaš, die weigerde haar rug naar het vuurpeloton te keren en pal achter haar idealen bleef staan. Haar legendarische laatste woorden: “Schiet maar! Dit zijn communistische borsten.”
Maar het is niet de mythe die me bijblijft.
“Wat verandert er eigenlijk als een stad een andere naam krijgt? Verandert de stad zelf, of alleen het verhaal dat ze over zichzelf vertelt?”
Sonja was geen militair. Ze was student, landbouwingenieur en vrijheidsstrijder. Ze had een mank been en liep moeilijk. Haar lichaam voldeed in niets aan het ideaalbeeld van het sterke, gedisciplineerde, perfecte lichaam dat in politieke mythen zo vaak wordt verheerlijkt. Maar ondanks, of juist dankzij die imperfectie werd ze een van de belangrijkste symbolen van het verzet.
Jarenlang heb ik bloemen bij haar monument gelegd. Ik herinner me de ceremonies, de toespraken, de kransen en de schoolbijeenkomsten. Nu besef ik dat mijn herinnering niet zozeer gehecht is aan Sonja zelf, maar aan de rituelen waarmee de herinnering aan haar levend werd gehouden. Wat me nu het meest raakt, is het besef dat het lichaam dat wij als heroïsch vierden, in werkelijkheid imperfect en kwetsbaar was. Dat ontroert me dieper dan welke ronkende toespraak dan ook.
Soms vraag ik me af wat er vandaag écht nog over is van Sonja Marinković in een stad die veel sporen van haar naam draagt. Is het haar verhaal? Een ideologie? Een levende herinnering? Of louter de gewoonte om haar naam uit te spreken?
Toen de studentenprotesten de afgelopen maanden geen direct politiek resultaat boekten, rees er kritiek—zelfs vanuit de hoek die de beweging aanvankelijk onvoorwaardelijk steunde. Sommigen twijfelden aan het nut van de louter symbolische acties en de open, losse structuur; ze vroegen zich af of de doelen niet te vaag waren geworden. Anderen stoorden zich aan de retoriek, die het risico liep een taalgebruik te kopiëren dat historisch gezien bij nationalistische mobilisatie hoort. Dat zou de beweging kwetsbaar maken voor kaping door conservatieve krachten.
Ik begrijp en deel sommige van die zorgen. Maar wat mij écht verontrustte, was hoe snel twijfel plaatsmaakte voor absolute zekerheid. Ik merkte het in discussies, die steeds enger werden. Elk probleem had plotseling één verklaring, elk meningsverschil leidde direct tot een duidelijk moreel oordeel. In plaats van te zoeken naar wat waar is, gaat het er alleen nog om wie gelijk heeft en wie niet: een strakke scheiding tussen ‘wij’ en ‘zij’. Ambivalentie werd onverdraaglijk. Nuance leek wel een zwakte. En twijfel klonk al snel als verraad. Het brengt me terug bij het fascisme als een hardnekkige, terugkerende verleiding. Fascisme begint niet per se met haat. Soms begint het als ongeduld met complexiteit, als het dwingende verlangen om de wereld overzichtelijker te maken dan ze is. De wens dat één enkel verhaal alle andere verhalen vervangt.
Mijn vader bewaarde de brieven die hij schreef tijdens zijn militaire dienst in Joegoslavië, samen met de foto’s uit die tijd. Op een van die foto’s staat hij met een geweer. Zijn blik gericht in de verte, alsof hij verzonken is in gedachten over iets buiten de tijd, gedachten die hem wegvoeren van het grasveld waar de foto is genomen, waar hij eerder lijkt te poseren dan deel te nemen aan een militaire oefening.

© Sanja Mitrović
Later, toen hij als schade-expert bij een verzekeraar werkte en werd behandeld voor kanker, bewaarde hij ook foto’s van de beschadigde gebouwen die hij beroepsmatig moest documenteren. Het was alsof hij sporen probeerde vast te leggen van alles wat aan het verdwijnen was. Alsof die kapotte daken, muren, putten, boilers en leidingen de architectonische bloedverwanten waren van een lichaam dat door ziekte werd gesloopt, en een land dat door oorlog werd verscheurd.
Jarenlang dacht ik dat geschiedenis in documenten te vinden was. In archieven, foto’s en brieven. Toen ik met dat materiaal aan de slag ging, geloofde ik dat het me zou helpen het verleden te begrijpen. Maar documenten hebben hun beperkingen. Ze bewaren alleen de feiten, nooit de ervaring zelf.
Een foto toont wel een gebouw, maar niet de angst. Een brief bewaart een zin, maar niet de warmte van de hand die hem schreef. Een document kan bewijzen dát er iets is gebeurd, maar het kan nooit uitleggen hoe die gebeurtenis blijft voortleven.
Tegenwoordig vraag ik me steeds vaker af of ik niet op de verkeerde plek zocht. Het belangrijkste archief van mijn vader zat niet in dozen vol papier; het zat in zijn lichaam. In de manier waarop hij een kamer binnenkwam en onbewust de aanwezigen scande. In de manier waarop mijn moeder stilviel of abrupt van onderwerp veranderde zodra het over politiek ging. In mezelf: die korte aarzeling voordat ik iets hardop uitspreek, zelfs als er niets te verbergen valt.
“Wat me nu het meest raakt, is het besef dat het lichaam dat wij als heroïsch vierden, in werkelijkheid imperfect en kwetsbaar was. Dat ontroert me dieper dan welke ronkende toespraak dan ook.”
Als ik kijk naar de studenten die al maanden te voet door Servië trekken, vraag ik me af welke herinneringen er op dit exacte moment in hun lijf worden opgeslagen. Welke reflexen er over tientallen jaren weer naar boven zullen komen, wanneer zij een nieuwe generatie de straat op zien gaan.
In de videobeelden van de protesten fascineert het lopen me nog het meest. Zowel de impuls om mijn eigen lichaam te bewegen door wat ik zie, als de beelden zelf: colonnes studenten die honderden kilometers afleggen, voetstappen die samenvallen in één gedeeld, hypnotiserend ritme.
Omdat ik in Joegoslavië opgroeide, raakte ik instinctief afgestemd op de choreografie van het collectieve lichaam. Die was overal: in het klaslokaal, bij de ceremonies van de Jonge Pioniers waarmee kinderen toetraden tot de socialistische jeugdbeweging, tijdens nationale feestdagen en op televisie. De staat creëerde het beeld van saamhorigheid via synchroon bewegende lichamen.
Als ik nu naar de studenten kijk, reageert mijn lichaam soms met een flits van ongemak nog voor mijn verstand me kan corrigeren. Niet om de eisen die ze stellen—die zijn door en door democratisch—maar door het ritme van het stappen, het beeld van de massa, de discipline op zich.
Een lichaam dat marcheert in dienst van de macht en een lichaam dat marcheert uit protest, lijken sprekend op elkaar. Het enige verschil is de relatie tussen die bewegende lichamen en de macht die ze ofwel reproduceren, ofwel betwisten.
In haar essay Fascinating Fascism schrijft Susan Sontag over de politieke fantasieën rond het menselijk lichaam. Ze beschrijft een esthetiek die kracht, discipline, perfectie en collectieve harmonie verheerlijkt. Ze laat zien hoe een ideologie grip krijgt via beelden, via het idee van welke lichamen aantrekkelijk zijn en welke niet.
Mijn vraag begint waar die beelden ophouden.
Toen ik onderzoek deed naar butoh, vroeg ik me vaak af waarom het me zo aantrok. Niet vanwege het exotisme of de esthetiek. Er was iets anders aan de hand. In butoh ontmoette ik voor het eerst een lichaam dat nergens het bewijs van wil zijn; een lichaam dat niet symbool staat voor een natie, een klasse of een cultuur; een lichaam dat weigert een ideaal te zijn.
Ik ervoer zo’n lichaam als vreemd bevrijdend.
Als ik naar butoh-performers kijk, voelt het vaak alsof ik lichamen zie die verschillende temporaliteiten tegelijkertijd in zich dragen: het lichaam van een kind, dat van een bejaarde, het lichaam van de levenden en het lichaam van de doden. Een lichaam dat tot het heden behoort en tegelijkertijd diep in het verleden verankerd ligt.
Het lichaam als archief. Niet van documenten, maar van sporen: een plek waar niets helemaal verdwenen is, maar ook niets meer helemaal aanwezig.
Ik ben in Zrenjanin en loop door straten die ik al bijna mijn hele leven ken.
Er is niets dramatisch te zien. Mensen gaan naar hun werk, kinderen fietsen voorbij, iemand staat te wachten op de bus. De geschiedenis is onzichtbaar, en toch is ze overal.
Vertaling: Floris Baeke
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.