Lullabye – Anneleen Keppens
Wie zorgt er voor wie zorgt?
Tom Rummens
© Sander Salden
Thomas Claessens en Hendrik Kegels vinden elkaar in ‘Tsjik Tsjak Wham’, een filosofische praatkomedie die ze maakten in het kader van het ‘Eigen Kweek’ traject. Wat begint als niets – twee mannen die het publiek vertellen dat er letterlijk niets zal gebeuren – eindigt als een well made play. Misschien wel iets te well made.
Claessens en Kegels staan gekleed in beige en marineblauw voor een kale speelvloer. Met hun werkschoenen en bodywarmertjes lijken ze op een kruising tussen een krokodillentemmer en een Colruytmedewerker. Als twee wannabe risicoanalisten verzekeren ze het publiek dat er niets zal gebeuren. Niets onverwachts, niets toevalligs. Er is voldoende koffie en dus geen reden tot paniek. Al zullen er deze avond dan geen misverstanden zijn, lijken hun naamloze personages toch weggelopen uit een Vlaamse sitcom. Het mag dan ook niet verbazen dat de koffie uiteindelijk op geraakt en dat er wel degelijk van alles gebeurt.
Ze maken snel duidelijk waarom ze op een kale vloer beginnen en het publiek zo geruststellen. Hun oorspronkelijke kostuums en decor hielden namelijk teveel risico in. Ze werden te raar bevonden (‘ ’t is iets tussen Pollock en de Bruyckere met ook nog wat Malevich’) en zijn dus veilig weg gestald in de coulissen. Als doorwinterde theaterganger hoor je hier een geestige knipoog in naar hoe sommige -minder doorwinterde – toeschouwers zich verhouden tegenover ‘hedendaags theater’. Aangezien ze het er niet te dik opleggen, werkt het ook voor het hele publiek. Theaterleken én -snobs lachen smakelijk om het duo die in hun controledrift het theater zo veilig mogelijk proberen te deconstrueren dat er haast geen theater meer overblijft.
Het enige stukje decor dat we in de eerste helft van de voorstelling te zien krijgen, is hun trouwe vriend: een koffieapparaat van het merk Moccamaster. Koffie slurpend lullen ze verder over hoe ze alle mogelijke dingen die zouden kunnen mislopen, verholpen hebben. Claessens en Kegels zijn soepel op elkaar ingespeeld en vullen elkaar vlotjes aan. Het enige waar hun twee personages in verschillen, is dat de ene ervan overtuigd is dat ze letterlijk al het gevaar geëlimineerd hebben terwijl de ander spreekt over minimaliseren. Want ja, de kans is nooit nul.
Van ‘geen theater’ evolueert de voorstelling stelselmatig naar ‘heel veel’ en vooral ‘heel vol’ theater.
Het zou namelijk zo maar eens kunnen dat er een lamp naar beneden valt, zo boem pats, pal op de dame in de witte blouse op de tweede rij, vertelt er een. Stel u voor, vult de ander aan. Vervolgens beginnen ze zich voor te stellen hoe de voorstelling dramatisch zou kunnen mislopen. Aan de hand van wat ongedwongen publieksparticipatie verbeelden ze hoe er een spot als een brandende meteoroïde de zaal in rolt en iemand op de eerste rij in brand steekt. Gelukkig zijn ze ook daar op voorzien: “Mevrouw,” vraagt een van de twee aan een toeschouwer achter het slachtoffer, “u werkt dan in een brandwondencentrum en vertelt haar dat alles wel goed zal komen.” Later doen ze ook alsof de hele zaal in de fik schiet en gaan ze over tot hun evacuatieplan. Een geslaagde scène. Getuige daarvan hoe gewillig de brandwondenspecialiste ad interim meeging in de fantasie van Claessens en Kegels, maar ook het feit dat een deel van de zaal al half rechtgekomen was uit hun stoel om zich effectief te laten evacueren. De kracht van verbeelding is iets bijzonders.
Dat ‘niets in de mouwen’-gegeven van het eerste deel van Tsjik Tsjak Wham doet denken aan de tweede avondvullende show van Wim Helsen: Bij Mij Zijt Ge Veilig. Hierin slaagt Helsen er eveneens meesterlijk in om zo’n illusie op te werpen: iedereen buiten de zaal is zogezegd veranderd in een salamander, enkel het publiek en hijzelf zijn nog mens. In tegenstelling tot Helsen blijken Claessens en Kegels echter wél vanalles in hun mouw te hebben. Het begint bij de Moccamaster die het op spectaculaire wijze begeeft. Claessens en Kegels tonen hun talent voor slapstick en schrikken vakkundig als hun bondgenoot plots in stukken vaneen vliegt. Het fictieve gevaar van een vallende toneelspot gaat over in het reële gevaar van een onvoorspelbaar koffiemachine.
Zonder koffie beginnen de twee mannen de controle te verliezen. Hun pogingen om niet in paniek te schieten, worden wanhopiger en de intensiteit waarmee ze de thema’s van het eerste deel van de voorstelling uitdiepen, neemt toe: de nood aan orde en structuur, het proberen wegwerken van elke vorm van toeval en de toneelspot-als-meteoroïde komen in verhevigde vorm terug. Kegels’ personage, dat nu in de wacht hangt bij de helpdesk van Moccamaster, stelt zich voor dat alle hemellichamen in het universum van meteoren en meteoroïden – er is weldegelijk een verschil weet Kegels ons te vertellen – tot planeten en kometen verstrengeld zitten in een harmonieus hemelballet; en dat op de tonen van de klassieke wachtmuziek. Claessens antwoordt daarop dat het net het tegenovergestelde is, een ongeregelde boel, chaos, geen klassieke muziek maar Rammstein. Om terug vat te krijgen op het toeval rollen de twee heren hun securitykamer op scène onder de tonen van Also Sprach Zarathustra van Strauss (via 2001 a Space Odyssey blijven we zo in de ruimte). Op negen aan elkaar vastgemaakte flatscreens kunnen we elk hoekje van CC Vredeberg, tot in de wc’s toe, in de gaten houden.
De ontploffende Moccamaster en de energie-injectie in de voorstelling dat dit met zich meebrengt, komt op een gelegen moment. De naakte scène en het oeverloze gebabbel begonnen stilaan hun spanning te verliezen. Het is een gedachte die nog door m’n hoofd zal spoken tijdens Tsjik Tsjak Wham, het is veel tsjik tsjak maar soms ontbreekt de wham. De tekst en dramaturgie van de voorstelling zitten intelligent in elkaar, maar met intelligentie alleen kom je er niet. Geregeld komen Claessens en Kegels terecht in een klein dipje wanneer ze te lang blijven stilstaan bij een van de vele ideeën die aan bod komen tijdens de voorstelling. Naar gelang de vloer voller en voller met decor komt te staan, blijven ook de ideeën waar de voorstelling mee jongleert zich opstapelen. Van ‘geen theater’ evolueert de voorstelling stelselmatig naar ‘heel veel’ en vooral ‘heel vol’ theater.
Er is nog iets interessants aan te merken op Tsjik Tsjak Wham: de paradox van het toeval. Toeval wegwerken en volledige veiligheid garanderen is een illusie, belooft de promotekst. Daarom noemen de makers Tsjik Tjsak Wham een “zacht pleidooi voor meer toeval en controleverlies”. Naarmate de voorstelling vordert, verliezen de twee controlefreaks dan ook stelselmatig alle grip en worden ze slachtoffer van chaos en onvoorziene omstandigheden. Maar daar schuilt de paradox: hun personages verliezen misschien de controle, maar als theatermakers hebben Claessens en Kegels ten allen tijde de touwtjes stevig in handen. Er wordt met andere woorden niets aan het toeval overgelaten in Tsjik Tsjak Wham, wat haaks staat op de door de makers geformuleerde intentie. Hun werkwijze spreekt hun voornemen tegen.
Het is en blijft een enorm straf bouwwerk dat Claessens en Kegels hier neerzetten, laat dat duidelijk zijn. Elke onvoorziene omstandigheid, elke schijnbaar geïmproviseerd ideetje, past binnen de strakke dramaturgie van Tsjik Tjsak Wham. Elk lijntje dat opgeworpen wordt gedurende de voorstelling wordt ook effectief terug opgevangen. Als een Tsjechoviaans geweer gaat alles af. ‘Tsjechovs geweer’ verwijst naar het narratieve principe dat elk onderdeel van je vertelling noodzakelijk moet zijn. Elk element dat je aanhaalt in je voorstelling moet dus een duidelijk doel hebben. Zo ook maken Claessens en Kegels de cirkel in Tsjik Tsjak Wham helemaal rond. Met als culminatiepunt het eindbeeld van de voorstelling – dat ik niet wil verklappen – waar alles mooi in samenkomt. Maar misschien zit het net iets te mooi in elkaar. De strakke dramaturgie voelt soms beknellend aan, waardoor het moeilijk is om effectief toeval toe te laten. Doordat alles zo vlotjes in elkaar past en elk idee wordt uitgelegd, is er bijna nergens ruimte om als toeschouwer je eigen verbeelding de vrije loop te laten. “Ik wil inslaan, ik wil brokstukken!” roept Claessens vlak voor het einde van de voorstelling. “Ik ook,” fluistert een toeschouwer achter me, “ik ook,” denk ik terug.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.