De Materie – Phia Ménard/Opera Ballet Vlaanderen/Bas Wiegers
Een schurend vooruitgangsdenken
Sébastien Hendrickx
Wevelgem, 29 januari 1985. Theater AtZ, dat zich niet zonder branie als “het nieuwste en enig echt hedendaags Westvlaams professioneel theatergezelschap” heeft aangekondigd, werpt zich met Der Papiertiger van Thomas Brasch tussen de talrijk opgekomen schapen en leeuwen. Sinds coproducent Limelight met zijn receptieve programma het in folklore stikkende Kortrijk ventileert, lijkt de artistiek-intellectuele appetijt aangescherpt. Ook de Kulak ontwaakt na twintig jaar uit haar postnataal slaapje. Deze sfeer van creatieve wisselwerking inspireerde regisseur Philip Vandenberghe en proportioneert de ambitie t.o.v. de leemte op dat vlak in de Westvlaamse regio.
Als kraambed/arena is een nieuwe en hypervernuftige schouwburg in een Kortrijkse randgemeente afgehuurd. Deze lokatie zint me niet zozeer voor een Brasch en wekt even de indruk van een mogelijk misverstand. Al vrij vlug blijkt ze een ruimtelijke consequentie te zijn van het strenge en zindelijke regie-concept, dat met het openen van het grote voordoek reeds zijn ritme en toonsleutel aangeeft. Met getimede horten en elektronisch bijgestuurde schuur-geluiden, schuiven de gordijnen traag naar de zijkanten. De nadrukkelijkheid van deze act neemt me zo in beslag, dat ik me op het plooienballet verkijk en pas na deze ouverture plots een totaalindruk krijg van speelruimte en decor. Een vale fond (lijkt vergeeld papier) waarop in een hoek iets vaag organisch. Het suggereert verte, lucht, zee, het ongewisse en relativeert de anekdotische dimensies. Voor de rest is de tonaliteit grijs. Evenwijdig aan de fond, een doorlopende balustrade met passage erachter. De aanwending van dit essentiële decorstuk is tot het strikte minimum beperkt, zodat de complexiteit van het begrip waarvoor het staat, spelenderwijs duidelijk wordt. Het is een markatielijn tussen diverse werelden, de reling op de kade waar Sindbad aanmeert, de benauwende grenslijn tussen leven en dood, waarop een speler equilibreert en daarna in de diepte stort. Links achter een stoelen-groep. Tegen de drie wanden, telkens vier symmetrisch opgestelde sokkels met daarop voorwerpen, die naderhand rekwisieten blijken (boek, megafoon, briefopener, revolver, vlag, ballon, kaartspel…). Het geheel: een streng gelijnde abstractie, een architectonische afslag van de visie waarin Vandenberghe het spel geconcipieerd heeft.
De zeven spelers hebben zich een voor een aan het publiek voorgesteld als mensen – die niet uit hun vel kunnen – en daar leveren ze dan ook anderhalf uur het bewijs van. Aanvankelijk wil dat nog wel eens tegenvallen. Een rilling, een overstapje, een stemklik, kortom : zenuwen, die door de motoriek van de drill snel weggedrukt worden. De machine komt in de eerste fabrieksscène goed op gang. De spelers lopen met afgemeten passen langs denkbeeldige lijnen, debiteren monotoon hun tekst, brengen bewegingen op elkander over als onderdelen binnen eenzelfde mechanisme en bouwen strofisch formaties op en af. Even een picturale reminiscentie aan Bausch, Rosas en aanverwanten. Maar Der Papiertiger is van stof te complex en bijwijlen verbaal te pulserend om zich in louter geijkte vormen te laten begrijpen. De tekst is rapsodisch gecomponeerd op motieven met eenzelfde thema, dat in zijn kern dualistisch en controversieel is en dat als een impulsieve rebellie tegen de doodsgedachte kan samengevat. Het besef niet uit zijn vel te kunnen en de drang juist dat toch steeds opnieuw te proberen. Als een paard door de wand willen springen, maar “Angst is geen wand en een man is geen paard.” Brasch behandelt dit universele, dramatische conflict aan de hand van levenservaringen, die hij evenwel metaforisch in eenzelfde perspectief plaatst. Hij tekent deze individuele strijd tegen psychische, politieke, sociale, historische, culturele achtergronden en bouwt daarbij voortdurend spiegeleffecten in. Hoop, teleurstelling, verraad… reflecteren in de man-vrouw relatie, in Kristus, in een boerenopstand, in Jimi Hendrix, in opeenvolgende politieke leiders, in een verdeelde staat of stad, in het eigen spiegelbeeld. Van de vonkgevende, innerlijke strijd laat Vandenberghe ons echter té weinig zien.
De idee van de versplintering wordt dan wel weer enkele malen zuiver gevisualiseerd in een centrifugale choreografie, in een veelbetekenende stoelschikking of door het aanbrengen van een rasterwerk, waarin de spelers in cellen naast elkaar verder proberen te communiceren. Met dat laatste worden tegelijk materiële en psychische drempels uitgezet. Van hieruit tekent Vandenberghe tevens de opstand van de boeren uit het Neckardal tegen het vorstenleger, dat zich in de stad Weinsberg juist op een uitval voorbereidt. Brasch levert hiervan een eruptisch verslag, waarin zijn pessimisme voortdurend met snedige commentaren op het anekdotisch gegeven van de opstand zelf inhakt. Vanuit de hokjes brengen de spelers het verslag van deze dubbelkamp, terwijl ze in versneld tempo de vellen papier op de grond laten dwarrelen om tenslotte op luchtige wijze het resterende pak de lucht in te keilen. Een typisch relativerende act. Dat relativerende heeft wel enig gewicht in Vandenberghes regie en geeft aanleiding tot verwijzingen naar het toneel zelf (voordoek-act, schikking der rekwisieten, badinage met revolver) al verleidt dit hem nooit tot goedkope effecten of dito grappen. Maar ik blijf enige brutaliteit missen, die geregeld in de tekst opwelt. Ik mis de kopstoot tegen de muur, de kreet. Van de dreigende hooivorken, de opengereten smoelen en het bloed dat uit de aderen springt is het cerebraal samenproppen van een vel papier m.i. toch een te schraal pendant.
De uitgesponnen Sindbad-Kassandra-scène bekoort me dan weer meer. Meer afgetekende dialoogstof en duidelijker situaties luchten de acteurs blijkbaar op. Er manifesteert zich plots ook meer inzicht in spreken en handelen. De machine faalt even en mensen zetten de handeling voort. De rolwisselingen stadbewoner/matroos verlopen vloeiend, onopvallend. Het koor heeft zich even met het gegeven ‘opstandigheid’ vereenzelvigd, waardoor het spel tevens virieler wordt. Een goede vondst is de act met de ballon (waarop een gezicht getekend) die Sindbad naar zijn noodlot lijkt voort te stuwen. Maar hijzelf is het, die hem tegen zijn hals drukt, zoals het ook zijn gewicht is, dat de ballon daarna doet openklappen : de enige echte explosie in het stuk. De verstillende scènes worden hierna des te geladener en worden ook bewuster gedragen. Wanneer het koor, gezeten achter bekraste plexi-raampjes, dromerig de epiloog mijmert, kijkt de toeschouwer uiteindelijk in zijn spiegels.
Nee, de eersteling van AtZ is zeker niet moeders felste geworden. Na de voorstelling worden in de cafetaria schemergesprekjes gevoerd. Een paar avant-gardisten uit het milieu spuwen even hun gal en sluiten zich daarna in hun cenakel. Zo’n houding verdient de prestatie niet. De ernst en de eerlijkheid waarmee een poging gedaan wordt om in deze dorre regio aan eigentijds theater (of theater tout court) te bouwen, verdient krediet én kritiek. Die geeft men niet met een giftige uitspraak en nog minder door met de rug te kijken.
De papieren tijger
Groep : AtZ;
auteur: Thomas Brasch;
regie en vertaling: Philip Vandenberghe;
decor: Willem Deneckere;
muziek: Yves Knockaert;
film: Andre Colinet;
licht: Geert Hinnaert;
bewegingsadvies: Caro Lambert;
stemadvies : Pierre Callens;
acteurs: Ann Bellemans, Hilt Devos, Anke Devrij, Mark Olyslager, Dirk Opstaele, Jürgen Verslype, Rena Vets.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.