Costa Kritiek
Aflevering 2: Margot De Grave Loyson
Margot De Grave Loyson
Li Fet Met
Begin november nam het meertalige Molenbeekse theatergezelschap Ras El Hanout KVS over. Ze brachten er zeven voorstellingen die de brede scope van hun artistieke taal in de verf zetten. Sixtine Bérard woonde de takeover bij en sprak met tientallen mensen: bezoekers, medewerkers van de KVS en Ras El Hanout, en deelnemers aan hun ateliers. Wat valt er uit zo’n samenwerking te leren over de delicate evenwichtsoefening tussen grote culturele instellingen en kleinere organisaties in het kunstenveld?
“De kruidenmengster is de kokkin van migratie,” schrijft de Franse schrijfster Fatima Ouassak in Rue du Passage (2024). “Voeding maakt het mogelijk een gevoelsmatige en affectieve band te behouden met het land, met de moeder, met de grootvader; een band met de aarde […], met de bomen […], met de planten […], met eeuwenoude kennis […]. Een band met de voorouders, en dus met jezelf.”
Dit fragment echoot sterk de raison d’être van Ras El Hanout, het Brusselse theatergezelschap dat in 2010 werd opgericht door een groep vrienden die geloofden in de emanciperende en verbindende kracht van theater – en die zelf ook graag op de planken stonden. Ze wilden een podium creëren waar de gelaagdheid en de constructie van identiteit onderzocht én gevierd konden worden. De naam is daarbij zinnebeeldig: ras el hanout is een kruidenmengsel dat typisch Marokkaans is maar bestaat uit tientallen specerijen uit de hele wereld, waarvoor geen exacte verhoudingen bestaan. Het verwijst naar een regionaal verankerde én kosmopolitische smaak die meegaat met mensen die dat gebied verlaten – zoals Ouassak beschrijft.
Vijftien jaar later is medeoprichter Mohamed Salim Haouach artistiek leider van het gezelschap dat intussen een eigen zaal heeft in hartje Molenbeek en zijn artistiek-culturele werking via ateliers en artistieke stages in verschillende Brusselse wijken ontwikkelt. De oorspronkelijke ambitie is dezelfde gebleven: een plek creëren die verbinding stimuleert – met anderen, maar ook, in de woorden van Ouassak, “met de voorouders, en dus met jezelf”.
In hun werking lopen ‘amateurkunsten’ – de ateliers voor niet-professionelen – en ‘professionele kunsten’ – de voorstellingen die in andere zalen worden geprogrammeerd – sterk door elkaar. Mohamed Salim Haouach neemt voor de meeste stukken de regie op zich, vaak vergezeld door co-regisseurs en mensen die meedachten over het concept van de voorstelling. De voorstellingen van Ras El Hanout spelen voornamelijk in culturele centra – zowel binnen als buiten Brussel – en in hun eigen zaal, waarvoor ze tevens volop fondsen aan het verzamelen zijn.
“Veel instituten contacteren ons alleen als ze ‘een divers publiek’ willen aantrekken. Maar we doen niet alleen aan sociaal werk: we maken ook theater. (Baptiste Rol)”
Het gezelschap weet zich al 15 jaar te redden met – voornamelijk lokale – subsidies en kortstondige samenwerkingen. Daarnaast hebben ze langdurige partnerschappen lopen met de KVS en met Zinnema, en werken ze geregeld samen met overheidsdiensten of andere vzw’s. Zo maakten ze bijvoorbeeld een docufictie om mensen bewust te maken van watervervuiling, als antwoord op een projectoproep van Leefmilieu Brussel. Het valt op dat ze voornamelijk gefinancierd worden vanuit een sociale, of socio-culturele, hoek en weinig steun krijgen vanuit bovenlokale fondsen voor podiumkunsten. Dat ligt in de lijn van wat sociologe Eva Swyngedouw vaststelde in haar onderzoek (2022) naar de ondervertegenwoordiging van artiesten met een migratieachtergrond op de Brusselse culturele arbeidsmarkt. Daarin geeft ze Ras El Hanout als voorbeeld van een gezelschap dat qua financiering in de eerste plaats vanuit een erg een sociale hoek bekeken wordt.
“Het culturele establishment categoriseert kunst van artiesten met een migratieachtergrond vaak als kunst die thuishoort in het sociaal-culturele circuit en niet in het culturele circuit met hoofdletter ‘C’”, schrijft Swyngedouw (1). Het zijn vooroordelen waar Ras El Hanout de gevolgen van ziet. “Veel instituten contacteren ons alleen als ze ‘een divers publiek’ willen aantrekken of een ‘diverse groep jongeren’ nodig hebben. Dat zijn dan vragen die we van de publiekswerkers krijgen, en niet van programmatoren. Maar we doen niet alleen aan sociaal werk: we maken ook theater,” zegt Baptiste Rol, een van de langstlopende medewerkers. “Veel mensen zijn in de eerste plaats geïnteresseerd in ons publiek en niet in ons artistieke werk – waardoor ze niet zien hoe dat werk juist in nauwe samenhang staat met dat publiek,” schetste Haouach in een interview met BX1.
Het moge duidelijk zijn: Ras El Hanout is geen one-trick pony. Wat is het dan wel? Een “théâtre citoyen musulman”. Een intrinsiek meertalig collectief. Een gezelschap dat meer aandacht besteedt aan de leesbaarheid van het verhaal dan aan rook- en lichteffecten. Een sociaal geëngageerde theaterwerkplaats die artistiek ambitieus is – maar minder artistieke middelen heeft dan pakweg DE HOE. Maar ook een artistieke werkplaats die ‘theater’ aanwendt als herdenkingsplek par excellence.
Voor Ras El Hanout is geschiedenis geen ver verleden: het is nu en hier tastbaar. Zo wil oprichter Haouach al lang een voorstelling op poten zetten over de gelaagde geschiedenis van de thuisbasis van Ras El Hanout: Molenbeek. Het ‘kleine’ verhaal verbinden met het ‘grote verhaal’ – die van geopolitiek, oorlogen, kolonialisme – typeert hoe Ras El Hanout omgaat met geschiedenis. In Ma Andi Mangoul maakt Haouach tajine klaar op scène terwijl hij het verhaal van zijn vader vertelt die Arabische les gaf aan rijkswachters. En passant verwijst hij daarbij naar arbeidsmigratie uit Marokko in de tweede helft van de 20ste eeuw, etnisch profileren, slachtoffers van politiegeweld Mawda Shawri en Mehdi Bouda… om te eindigen met gedeelde kommetjes tajine. Haouachs vader springt af en toe in beeld, om te vertellen over ‘die periode’. Na afloop van de voorstelling doet Haouach een oproep aan het publiek om te spreken met hun oudere gezinsleden, om te horen welke verhalen zij met zich meedragen.
“Ras El Hanout wil geen abstracte taal gebruiken om te zeggen waar hun voorstelling over gaat: ze vertellen een verhaal dat al bestond. Daarin zijn ze schatplichtig aan het werk van dramaturg Augusto Boal.”
Een intiemere aanpak van herinneren zien we in A la prochaine, mama, het hartverscheurende relaas van een jongen die op jonge leeftijd zijn moeder verloor. Acteur Anas Achaâra ontwikkelde dit stuk bij de theaterateliers van Ras El Hanout. Samen met regisseurs Yasmina Ahkim, Mehdi Boukyoue en Mohamed Salim Haouach verwerkte hij de rouwarbeid die hij al een leven lang – en recent ook bij de psycholoog – uitvoerde tot een volwaardige theatertekst. Achaâra staat een uur lang alleen op het podium, in een sobere scenografie: een witte rechthoekige balk die achtereenvolgens dienst doet als bed, metrobank en grafzerk.
Tegen het einde van het stuk hoor ik op verschillende plekken mensen snikken, ook de vrouw naast mij. Tijdens het nagesprek, een vaste praktijk bij Ras El Hanout, worden ervaringen gedeeld – niet alleen over de voorstelling, maar ook eigen verliesverhalen. De vrouw naast mij vertelt dat ze heel hard aan haar vader moest denken, die ze ook op jonge leeftijd verloor. Haar moeder zit er stil bij. We wandelen samen de zaal uit en hebben het even over Libanon, waar ze geboren is, en de legendarische Libanese zangeres Fairuz en haar zoon Ziad Rahbani die onlangs stierf. De moeder van de vrouw die huilde zegt dat ze tijdens het stuk moest denken aan alle kinderen wiens ouders vermoord werden in Palestina. Zonder het te forceren had de voorstelling, die nochtans over een uiterst persoonlijke gebeurtenis ging, iedereen om verschillende redenen geraakt. Dat zal een constante blijken in alle stukken van Ras El Hanout die tijdens de takeover worden getoond: in de nagesprekken gaat het naadloos over hoe het stuk resoneert met wat er nu gebeurt.
Elk thema waar Ras El Hanout mee aan de slag gaat, is concreet en herkenbaar. Metaforen worden ingezet als narratieve instrumenten binnen een scène, maar niet als overkoepelende dramaturgie. Ras El Hanout wil geen abstracte taal gebruiken om te zeggen waar hun voorstelling over gaat: ze vertellen een verhaal dat al bestond. Daarin zijn ze schatplichtig aan het werk van dramaturg Augusto Boal, vertelt Haouach. Net als Boal vertrekt Ras El Hanout liefst vanuit gesprekken – met spelers uit hun ploeg, deelnemers aan de ateliers, familieleden, passanten…. “We vinden niets uit,” zegt Haouach, “alleen nieuwe manieren om het te vertellen.”
Met Srebrenica, le chemin inverse trekt Ras El Hanout hun “devoir de mémoire” helemaal door. Het gezelschap trok met een groep jongeren naar Bosnië om er de marš mira te wandelen, een tocht door de bergen die de genocide in Srebrenica gedenkt. Net zoals een brechtiaans Lehrstück is Srebrenica, le chemin inverse niet alleen een les voor het publiek: ook de acteurs leren bij, maar dan door te spelen. Het stuk kadert in hun didactische inzet, zo schrijft Ras El Hanout op hun website, dat “verleden en heden, herinnering en rechtvaardigheid, kunst en menselijkheid met elkaar verbindt”.
Het didactische aspect van hun voorstellingen schuilt ook in de nagesprekken, en hoe die georganiseerd worden. Neem bijvoorbeeld Replay, een voorstelling in regie van Pitcho Womba Konga. Daarin speelt Haouach een radiopresentator die overtuigd is dat hij juist handelde in een situatie van grensoverschrijdend gedrag, wat wordt tegengesproken door een vrouwenstem. Die voorstelling werd na afloop omkaderd door seksuologe Zina Hamzaoui, wat aanleiding gaf tot een open gesprek over grenzen en intimiteit. Ras El Hanout vat theater op als een gesprek: in het creatieproces, maar ook op scène. Ook in voorstellingen als Ma Andi Mangoul – die geen klassiek forumtheater zijn – wordt directe interactie met hun publiek niet geschuwd. Zo worden in die laatste voorstelling drie toeschouwers uitgenodigd om in de jury te zetelen die moet beslissen over de schuldvraag bij het proces van een politieagent die een dode op haar geweten heeft.
De voorstelling Li Fet Met is, van alle voorstellingen in de takeover, het meest schatplichtig aan Augusto Boal en zijn theater van de onderdrukten. Het is een uitwerking van het zogenaamde forumtheater. Een conflict wordt geënsceneerd en het publiek wordt gevraagd in te springen als het iets wil voorstellen – een andere toon, een andere repliek, een andere manier van handelen. In Li Fet Met gaat het echter niet om een al te netelige situatie: we zien een familie met een moeder die alles doet, een oudere zoon die zich bewust plooit naar de vereisten van “de witte orde” (zoals beschreven door Sibo Kanobana in zijn gelijknamig boek), een jonge dochter die met de nodige branie haar plaats zoekt en een brabbelende grootvader. Bijkomende uitdaging: de grootvader spreekt alleen Derija en de kleindochter heeft die taal nooit geleerd. In de eerste scène moet de dochter een taak maken voor school over haar familiegeschiedenis – haar grootvader kwam in België om te werken – maar de gezinsleden willen haar niet te woord staan. Ook hier zien we hoe Ras El Hanout hecht aan het bewaren en ontsluiten van (familie)geschiedenissen.
Hoewel de ‘problemen’ die aan bod komen raken aan macro-structuren – zoals ongelijkheid op school, agisme en de onevenwichtige last binnen heteroseksuele koppels – dwingt het forumtheaterformat ons ertoe de verantwoordelijkheid op de personages te leggen. Je kan immers niet inspringen op scène en de wereld veranderen, maar je kunt het personage van ‘de dochter’ er wel toe aanzetten na te denken over wat ze wil doen in het leven. In die zin was ik maar half overtuigd door de toepassing van forumtheater op dit stuk, maar dat stond het plezier niet in de weg.
Reda, een kind dat naast mij zit, wiens benen de grond niet raken, charmeert de zaal met onverwachte inzichten. “Het is niet erg om fouten te maken, want daar kun je uit leren,” deelt hij mee, als reactie op de strenge terechtwijzing van de dochter op scène. Na afloop van de voorstelling ga ik even in gesprek met Reda en zijn mama. Zijn mama is hier samen met medestudenten uit haar Franse les, hun leerkracht is er ook bij. Reda staat me enthousiast in het Frans, Nederlands én Arabisch te woord. Hij is negen en zegt dat hij van de voorstelling heeft genoten, omdat het over opvoeding ging en soms grappig was.
“Grappig” is, net als “herkenbaar” en “nodig”, een woord dat blijft terugkomen in de publieksreacties. Tegelijk kleeft er voor oprichter Mohamed Salim Haouach iets ambivalent aan. “Ik wil geen nar op het podium zijn.” Hoewel hij zelf mede zijn ingang in het theater vond door stand-up, merkte hij al snel dat de samenleving het makkelijker leek te hebben met een grappende en grollende niet-witte moslim dan wanneer hij iets zonder humor zei. Humor kan een efficiënte narratieve – en politieke – methode zijn, maar een ongemakkelijke boodschap hoeft niet altijd in een grap te worden verpakt.
“In mijn gesprek met Ras El Hanout word ik zelf een beetje ongemakkelijk als ik het over godsdienst heb. In interviews met atheïstische gezelschappen heb ik immers nog nooit vragen gesteld over hun afwezig godsgeloof.”
Dat de creaties van Ras El Hanout voortvloeien uit ateliers waar durf, vertrouwen en spelplezier centraal staan, betekent niet dat de voorstellingen speels en eenvoudig zijn. Replay is bijvoorbeeld geen pretje om te spelen, benadrukt Haouach. Ik vraag acteur Ayoub Benali, uit Qui cherche, die vindt, of hij desondanks ook in de huid van de radiopresentator zou kunnen kruipen. Ayoub moet er niet lang over nadenken. Ja, dat zou hij willen. Want dat vindt hij het fijne aan acteren: iemand anders inkleuren, buiten jezelf kruipen, de wereld anders zien. Als ik hem vraag naar de plek van religie bij Ras El Hanout en in zijn acteerspraktijk, wuift hij dat ook weg. “Ik ben moslim maar ik val niet samen met mijn personages. Ik zou bijvoorbeeld in het echte leven nooit de clown uithangen zoals ik dat in Qui cherche, die vindt doe.”
De Bruxelles à la Mecque – de laatste voorstelling van de takeover – was hopeloos uitverkocht. Mohamed Salim Haouach, Adnane El Haruati en Mohamed Allouchi spelen drie ietwat verdwaalde personages die de tocht naar Mekka ondernemen. Dat doen ze op een komische, soms didactische wijze. De drie personages hebben elk een andere reden om de hadj – de pelgrimstocht naar Mekka – te ondernemen. Er zijn dan ook honderden manieren om moslim te zijn; maar veel ruimte voor die verhalen is er niet, op scène. Er is überhaupt weinig plaats voor religie binnen het dominante, gesubsidieerde kunstenveld. Als erover wordt gesproken, is dat vaak krampachtig – denk maar aan het hele debacle rond het Ramadan Friendly-initiatief van verschillende Brusselse culturele instellingen. Evenwel bestaan er voorstellingen die complexloos schakeringen van religieuze beleving ensceneren, zoals Eindelijk (2021) – waarmee Mitch van Landeghem en Carine Van Bruggen personages opvoerden die een gesprek aangingen over God en geloven – en The Havdalah Cabaret, (2024) van queer joods collectief Shabbes 24/7.
In mijn gesprek met Ras El Hanout word ik zelf een beetje ongemakkelijk als ik het over godsdienst heb. In interviews met atheïstische gezelschappen heb ik immers nog nooit vragen gesteld over hun afwezig godsgeloof. Maar Ras El Hanout stelt zichzelf voor als een “théâtre citoyen musulman” en ik vraag me af wat dat voor hen betekent. “Moslim zijn in Brussel is verhalen bezitten, maar geen ruimte hebben om ze te delen,” vertelt Haouache. Uit die nood aan ruimte ontstond Ras El Hanout.
Die plek vonden ze in hun eigen gebouw, l’épicerie, maar dus ook in de KVS. Die tonen al langer werk van Ras El Hanout en co-produceerden Qui cherche, die vindt en Replay. Maar wat betekent een samenwerking tussen een groot stadstheater en een kleinere, religieus gekaderde speler als Ras El Hanout in de praktijk? En hoe zorg je ervoor dat zo’n partnerschap niet uitmondt in recuperatie of het afkalven van hun eigen stem?
Kathy Van den Bossche, artistiek coördinator van de KVS, licht in een gesprek toe hoe de samenwerking met Ras El Hanout is opgebouwd. “Ras El Hanout kan iets dat wij niet kunnen,” zegt ze. “En wij beschikken over technische, economische en ruimtelijke middelen die zij missen.” En ja, dat “iets dat wij niet kunnen” heeft ook met publiek te maken. Ras El Hanout verwelkomt een meertalig en zeer divers publiek – in leeftijd, afkomst, opleiding en religieuze overtuiging. Vaak trekken families samen naar een voorstelling: in de tribunes zag ik veel intergenerationele groepjes, geen veelvoorkomend beeld in het hedendaagse theaterveld. Maar wanneer de KVS zegt dat Ras El Hanout “iets kan wat wij niet kunnen”, gaat het niet alleen over dat publiek. Het betreft evenzeer hun artistieke werking, hun lokale verankering en solidariteit, en de grotere vrijheid waarmee Ras El Hanout afstand kan nemen van eurocentrische kaders. Dat zal wellicht niet zonder interne frictie gepaard gaan. Tijdens de lange gesprekken die ik voerde met de betrokkenen viel me echter vooral de nederigheid op – en het respect voor elkaars werk en verschil.
Die wederzijdse erkenning vormt de kern van de samenwerking: Ras El Hanout speelt in de KVS-box zoals ze dat in hun eigen ruimte doen: er worden lustig talen door elkaar gesproken, de nagesprekken worden grotendeels gevoed door vragen uit het publiek, er is niet te veel stress over het exacte aanvangsuur en er worden niet opeens megalomane decors opgetrommeld. Tegelijk vermijdt de KVS om het gezelschap in haar eigen structuren of artistieke lijnen te kneden. Sommige stukken werden wel “gepimpt”, aldus Van den Bossche, met een wat chiquer lichtontwerp. Ze vermelden de takeover op hun website, maar eisen geen inhoudelijke wijzigingen en nemen de communicatieteksten van Ras El Hanout over. En de tickets werden deels via de kanalen van de KVS verkocht en deels via die van Ras El Hanout.
In praktijk levert dat een duidelijke meerwaarde op voor beide partijen. Voor de KVS betekent het een programmatische verrijking met werk dat stevig verankerd is in de leefwereld van Molenbekenaars en dat zichtbaar resoneert bij diverse publieken. Quasi alle toeschouwers die ik aansprak waren voor het eerst in KVS. Voor Ras El Hanout creëert het toegang tot goed uitgeruste zalen, professionele technische omkadering en een groter bereik. Daarnaast maakte de KVS ook bijkomende artistieke samenwerkingen mogelijk, onder meer door de fees te betalen van gastregisseurs Aïcha Cissé en Pitcho Womba Konga. Cissé regisseerde Qui cherche, Die Vindt (2021), terwijl Womba Konga instond voor de regie van Replay (2025). In een interview met Bruzz geeft Haouach bovendien aan dat ze het fijn vinden om door zo’n samenwerkingen ook voor een ander publiek te spelen. Dat verlangen geldt dus niet alleen voor de KVS.
“Veel cultuurhuizen lijken nog te denken dat volledige meerstemmigheid in één huis mogelijk is, en gaan zo voorbij aan het uitsluitende karakter van democratie.”
KVS en Ras El Hanout verschillen sterk van elkaar: in middelen, in de verwachtingen van de buitenwereld, in hun artistieke en spirituele referentiekaders, in hun omgang met het publiek en elkaar, en in de ruimtes waarin ze werken. De statigheid van het KVS-gebouw maakt dat mensen er niet zomaar binnenlopen, zegt Van den Bossche. Bij Ras El Hanout is die drempel lager: daar wandelen mensen geregeld spontaan binnen tijdens ateliers of na voorstellingen.
“The democratic character of a society can only be given by the fact that no limited social actor can attribute to herself or himself the representation of the totality and claim to have the ‘mastery’ of the foundation,” schrijft politiek filosofe Chantal Mouffe in The Democratic Paradox (2000). Veel cultuurhuizen lijken nog te denken dat volledige meerstemmigheid in één huis mogelijk is, en gaan zo voorbij aan het uitsluitende karakter van democratie: er zullen altijd noden en verlangens zijn die lijnrecht tegenover elkaar staan, en die soms niet verenigbaar zijn binnen dezelfde plek. De slagzin van 404 – Nothing for everyone, something for everybody – gaat bijvoorbeeld nog steeds uit van één plek, één huis dat er voor iedereen kan zijn. Dat is volgens mij een illusie.
Tegelijk biedt terugplooien op het eigen verschil of op een essentialiserende identiteit ook geen garantie voor meerstemmigheid. De samenwerking tussen KVS en Ras El Hanout toont voorzichtig hoe culturele partners elkaar kunnen stutten zonder te versmelten, in het belang van artistieke creatie én de stad. Daarbij hoort dat verschillende noden worden bediend – maar niet noodzakelijk binnen dezelfde plek. Ras El Hanout toont bijvoorbeeld geen naakt op scène, maar pleit (uiteraard) niet voor een algemeen verbod. KVS programmeert soms hermetische stukken, maar verwacht (uiteraard) niet dat Ras El Hanout hun heldere dramaturgie afzwakt.
Voor geen van beide organisaties is samensmelting een verlangen. Hun samenwerking is verfrissend omdat ze elkaar in hun verschil laten bestaan én met elkaar willen bestaan. Dat gebeurt niet uit filantropie: beiden halen er iets uit. Ons kunstenveld mag best wat vaker gestoeld zijn op dergelijke verschillen die elkaar vinden.
(1) Adam, I., Adefioy, T., D’Agostino, S., Schuermans, N., & Trauner, F. (Red.). (2021). Migration, equality & racism. ASP editions – Academic and Scientific Publishers; Swyngedouw, E. (2022). “Don’t they jump on the seats?” The underrepresentation of migrant and minority artists in the cultural labour market of Brussels. Ethnic and Racial Studies, 45(15), 2934-2955. https://doi.org/10.1080/01419870.2022.2058883.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.