(A)

Mokhallad Rasem, Koen van Kaam, Jorgen Cassier, Paul Pourveur

Leestijd 8 — 11 minuten

400 jaar Shakespeare: drie statements

To perish or not to perish

Waarom blijft Shakespeare 400 jaar na zijn dood nog steeds de meest gespeelde theaterauteur van de Lage Landen? Koen van Kaam en Jorgen Cassier van Zuidpool, toneelauteur Paul Pourveur en regisseur Mokhallad Rasem laten hun licht schijnen over het hedendaagse belang van the bard. Of het gebrek eraan. Of niet. Uit hun statements spreken drie heel verschillende visies over de omgang met het toneelrepertoire.

“Shakespeare is dead, get over it.”

door Paul Pourveur

Kunstvormen zoals architectuur of beeldhouwkunst hebben hun ruïnes. Ruïnes behoren definitief tot het verleden en maken deel uit van het versteende geheugen. Ze geven de status van de menselijke evolutie aan op een specifiek ogenblik in de geschiedenis.

Theater heeft geen ruïnes, geen onvolledige voorwerpen – enkel tekstmateriaal dat opgeslagen is in het geheugen van de mensheid. Theater ondergaat dan ook dezelfde mechanismen als die van het geheugen. Wanneer ik een herinnering oproep uit mijn jeugd, wordt deze opgepoetst en behoudt zij de levendigheid van weleer. Als klassieke toneelstukken opnieuw worden opgevoerd, ondergaan ze eenzelfde proces. Klassieke toneelstukken behouden hun originele functie tegenover het publiek, lijken nooit ‘oud’ of ‘stoffig’ en geven zelfs de valse indruk dat ze ‘actueel’ zijn.

De specifieke band van het theater met het geheugen stimuleert de interpretatie, stimuleert de overinterpretatie. Klassieke toneelstukken worden overladen met zingeving. Ze worden beschouwd als een oneindige set van antwoorden die het heden verklaren of als model kunnen fungeren voor het heden.

Het theater beschouwt het verleden vaak als een vaste waarde, als drager van waarheden. Maar deze waarheden zijn niet altijd toepasselijk op het heden, ze overleven de eeuwwisselingen niet, omdat tijdperken de waarheden naar de omstandigheden herschikken. De grote thema’s zoals liefde, macht, enzoverder reizen door de eeuwen heen, maar worden constant geherdefinieerd al naargelang een sociale omgeving, een wereldbeeld, een perceptie van de werkelijkheid.

De verwoede pogingen om het verleden te herspelen, telkens als een referentie te gebruiken, brengt een onvermijdelijk mythologiseren van het voorwerp, van het toneelstuk met zich mee, waardoor het een speciale, onaantastbare status meekrijgt, maar waardoor het toneelstuk ook verstard raakt in een totaliserende verabsolutering.

Klassiek repertoire is, net zoals een compact disc, een voorwerp dat blijkbaar nooit verslijt – hetgeen angstwekkend is. Als deze dingen niet verouderen, is het net alsof de toeschouwer de enige is die wel verslijt, wel oud wordt. Tijdens een voorstelling van een klassiek toneelstuk heb ik steeds het gevoel dat niet Shakespeare of Molière of Goethe dood is, maar dat ik dood ben.

De toneelstukken van Shakespeare worden vaak bestempeld als ‘universeel’. Maar in onze gefragmenteerde half-reële/half-virtuele wereld is niets meer universeel.

Door Shakespeare als ‘brandend actueel’ of ‘eeuwigdurend’ naar het hier en nu te halen, wordt ook de ideologie binnengesmokkeld dat de menselijke aard niet is veranderd sinds de zeventiende eeuw en dat de wereld eveneens dezelfde is gebleven – hetgeen toch kwalijke gevolgen kan hebben voor de geestelijke gezondheid van de hedendaagse mens.

Van Shakespeare wordt vaak een merknaam gemaakt met de duidelijke boodschap dat Shakespeare de eigenlijke definitie van theater is, dat hij het theater belichaamt.

Toegegeven: ik heb nooit die obsessie van theatermakers begrepen voor klassiek theater. Heeft het met nostalgie te maken, nostalgie naar een wereld waarin alles nog begrijpelijk en verklaarbaar was of gaat het om een westers cultureel imperialisme, het geloof in een culturele suprematie?

Ik zeg niet dat theater aan geheugenverlies moet lijden, maar misschien is het hoog tijd dat het op zoek gaat naar een andere verhouding met het verleden, met de traditie.

Hoe dan ook: ik ben een grote bewonderaar van het werk van William Shakespeare.

“De volledige menselijke natuur in kaart gebracht”

door Koen van Kaam & Jorgen Cassier (Zuidpool)

”Geboren worden is uittreden, sterven is binnentreden.” Lao Tse, de grote Chinese denker, stelt het leven voor als een minuscule, haast onzichtbare speldenknop tussen ’er nog niet zijn’ en ’er niet meer zijn’. Ontneem alle personages van alle teksten die Shakespeare ooit heeft geschreven hun rang en stand. Schakel alle koningen gelijk met hun doodgravers, de edelen met hofnarren, zuiplappen en poortwachters. De geliefden met keizers, keizerinnen en ambachtslieden. Etnische minderheden met sprookjesfiguren, gefaalde staten en usurpators. Troonopvolgers met broers en zussen en mythische goden met de uitbater van een stamkroeg. Dan blijft er maar één fantastisch maar ontluisterend beeld over: de mens is een moment en het bestaan een oogwenk. Ieder mensenleven wordt vermalen en verteerd door het altijd voortdenderende monster van de geschiedenis en de zin ervan is nauwelijks te achterhalen. Om het met de woorden van Shakespeare zelf te zeggen nadat Koning Richard II in zijn kerker afstand heeft gedaan van zijn kroon en zijn aardse bezittingen: de mens vindt geen vrede met zichzelf tenzij hij vrede heeft met dit = de mens is niets…

In deze ondraaglijke patstelling, in dit theater waarin met een nepzwaard duchtig wordt gestreden voor zin en betekenis heeft Shakespeare als eerste de volledige menselijke natuur in kaart gebracht. Hij vond de mens uit waar hij bij stond, of hij nu in de vip-loges zat of tussen het plebs op de parterre. Hij schreef met een bijna kinderlijk speelse pen ons bestaan op. Bijna achteloos. Gewoon. In vijf beklemtoonde en vijf onbeklemtoonde lettergrepen. Zo: v – v – v – v – v –

Als Macbeth, nadat hij uit pure paranoia zo ongeveer zijn hele hofhouding – medestanders en vrienden incluis – heeft uitgeroeid, het nieuws verneemt van de dood van zijn vrouw, komt hij aanvankelijk niet verder dan dat het niet het moment is, dat het als het ware niet in zijn planning past (’She should have died hereafter’). Wat volgt leest als een filosofische bespiegeling over het leven:

’Life ’s but a walking shadow, a poor player
That struts and frets his hour upon the stage,
And then is heard no more: it is a tale
Told by an idiot, full of sound and fury,
Signifying nothing.’

Als ik, een arme speler, ergens die woorden uitspreek voor een publiek, nadat ik meer dan een uur op dat podium heb gestrut en gefret, en tot ik niet meer word gehoord, furieus aan Macbeth gestalte geef en geluid aan al diens zinnen, woorden, lettergrepen, komma’s, vragen, uitroeptekens, word ik als speler daar en instant, en enkel in dat moment herleid tot idioot, die van het leven een verhaal maakt, of erger nog, van mijn verhaal het leven. Ik betreed een andere dimensie van betekenis die enkel geldt in de particuliere realiteit van dat theater, omdat de fictie van personage, intrige en plot slechts een moment door de realiteit van de mens achter de speler wordt ingehaald, in het singuliere moment van een vluchtig hardop uitgesproken ’signifying nothing’.

Deze processen en implicaties van het gesproken woord (meer dan zijn literaire waarde), namelijk wat het betekent te spreken, iets en plein public te zeggen, los van scenische context, plotontwikkeling en dramaturgische consequentie, verlenen Shakespeare zijn unieke plek onder de klassieken. Hij schonk ons de psychologie van het spreken, en bijgevolg een bijzonder inzicht in onze natuur: de mens is een taalconstructie; de mens is wat hij zegt dat hij is; maar wie kan zeggen dat hij is wat hij zegt dat hij is…

In die zin is het bijna een schande (we doen hem alleszins tekort) dat zijn teksten ons zijn overgeleverd in geschreven vorm. Ze zijn nooit bedoeld om gelezen te worden, maar om te worden gememoriseerd en vervolgens uitgesproken, gehoord, en, indien mogelijk, onthouden. William Shakespeare was geen auteur. Hij was geen schrijver, zoals wij een schrijver zien. William Shakespeare was een leverancier van woorden, die enkel tot leven komen in de stemmen van arme spelers en op die manier werelden en realiteiten blootleggen, die bij een stillezen diep in het verborgene blijven. Ook vandaag. En hier. In onze hedendaagse theatrale realiteit. In ons inmiddels willens nillens bijgestelde beeld van de mens als louter taalconstructie.

Macbeth draait zich om en werpt zijn verstijfde bode, die stil getuige was van heel zijn ’life is a tale, told by an idiot, signifying nothing’, achteloos toe: ’Thy comest to use thy tongue, thy story quickly!’

In die onmogelijkheid begint de arme man schoorvoetend, maar plichtbewust aan een nieuw, aan ’zijn verhaal’. En bij uitbreiding wij aan het onze.

“Het leek wel alsof hij in onze tijd leefde”

door Mokhallad Rasem

Tijdens mijn theaterstudies in Bagdad maakte ik kennis met het oeuvre van Shakespeare. Zijn stukken waren toen een openbaring, het was net alsof ze zich in de hedendaagse realiteit van Irak afspeelden. Hij beschreef onze crisis, ons gedrag, onze afkeer, onze isolatie, ons geweld, onze stilte, onze geschiedenis, onze machthebbers. Alsof hij in onze tijd leefde. Shakespeare bezat het literaire lef om via zijn stukken dominante figuren in hun blootje te zetten en hield ons op die manier een spiegel voor.

Ik las zijn teksten met de ogen van een kind van de Arabische cultuur, en associeerde shakespeareaanse thema’s als dood, liefde, jaloezie, twijfel, moord, angst, geweld, haat, samenzwering, religie, waarheid, honger, onderdrukking, pijn, vernietiging, oorlog, kwaad, wreedheid, chaos, verdriet, … vooral met mijn eigen leefwereld. Ik besefte dat de geschiedenis zich herhaalt, maar het was niet enkel mijn realiteit die ik beschreven las.

Toen ik mij enkele jaren later in België vestigde en voor Toneelhuis voorstellingen begon te maken, heb ik zeer bewust voor Shakespeares oeuvre gekozen. Het ging mij daarbij niet om een tekstgetrouwe enscenering van het repertoire. Ik wou op zoek gaan naar universele codes en een parallel trekken met mijn persoonlijke verhaal en achtergrond. Mijn oude en mijn nieuwe leefwereld vielen samen in zijn werk, en Shakespeare gaf mij de ruimte om een geheel eigen universum te creëren met het beste van beide werelden, op de grens tussen werkelijkheid en verbeelding.

Romeo & Julia (2013)

Toen ik op bezoek was in Irak, wees mijn moeder op een oude kapotte auto in de buurt van ons huis. De auto was van een koppel dat intussen is gestorven. Mijn moeder vertelde me hoe die auto haar voortdurend herinnert aan de liefde tussen die twee mensen die altijd samen gingen rijden. Ze zaten altijd samen in de auto, op weg naar het park, op weg naar het restaurant. Dat verhaal heeft me heel erg geïnspireerd. Ik ging uit van de vraag ‘wat als Romeo en Julia niet gestorven waren?’ De uitgebrande auto werd het decor. Waar de klassieke Romeo en Julia een tragische dood sterven door de oorlog tussen hun families, bleven de drie Romeo’s en Julia’s die ik op de scène zette in leven, ondanks een oorlog en ondanks elkaar. Die drie generaties Romeo en Julia waren elkaars heden, verleden en toekomst, en ook elkaars gedachten, herinneringen en dromen.

Hamlet Symphony (2014)

In 2008 – ik was toen al in België – kreeg ik het bericht van mijn familie dat mijn vader was overleden. Omdat mijn papieren nog niet in orde waren, kon ik toen niet terugkeren voor de begrafenis. Ook nu kan ik nog steeds niet naar zijn graf omdat hij in Syrië begraven ligt, waar mijn familie omwille van de ellendige situatie in Irak naartoe vluchtte. In de weken na zijn dood droomde ik iedere nacht over hem. Hij sprak met mij alsof hij nog steeds in leven was. Toen ik dan eindelijk de mogelijkheid kreeg om terug te keren naar mijn land, trof ik mijn stad na de val van de macht verwoest aan en werd ik geconfronteerd met de afwezigheid van mijn vader, net als Hamlet. Rouw om de dode vader en wraak op de nieuwe dictator stonden centraal in de voorstelling die ik maakte. Ik gebruikte als metafoor voor de vlucht van het geweld een boot, waarmee Hamlet vertrekt, op zoek naar de waarheid.

Othello (2015)

Als nieuwkomer in België probeer ik mijn eigen plek te vinden. De manier waarop mensen met elkaar omgaan, hoe ze samen leven en een samenleving organiseren houdt me sterk bezig. Kunnen mensen uit andere culturen, van een ander continent, elkaar wel vertrouwen? Wat betekent ons verleden? De kleur van onze huid? Hoe goed moet je iemand kennen om van hem of haar te houden? In hoeverre verbeeld je je de ander, zelfs degene die je liefhebt? In Othello concentreerde ik me op de spanning tussen drie mensen die uit elkaar worden gedreven door wantrouwen, jaloezie en angst. Desdemona werd het zwarte personage en Jago neemt niet haar zakdoekje, maar haar papieren weg. Thema’s als individuele jaloezie, discriminatie en macht werden overstegen. Het racisme beperkt zich niet tot de drie personages maar krijgt op die manier een politiek kader.

Voor mij is de essentie in Shakespeares stukken de mens, die zich uiteindelijk steeds probeert te verhouden tot zichzelf. Deze mens is op zoek naar de waarheid en verlangt ernaar, zelfs wanneer de waarheid niet bestaat. Zijn werk nodigt ons uit de realiteit te onderzoeken en die op een andere manier te lezen. Op het podium kunnen we op zoek gaan naar de waarheid die verdwenen is in onze maatschappij, in het mechanische politieke systeem. Theater kan democratie bieden in een land zonder democratie. Theater is catharsis. Het wast onze hersenen schoon en kan ze opnieuw programmeren. En het werkt genezend, in twee richtingen, zowel voor het publiek als voor de artiesten op scène.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

statement
Leestijd 8 — 11 minuten

#145

15.06.2016

14.09.2016

Mokhallad Rasem, Koen van Kaam, Jorgen Cassier, Paul Pourveur

Mokhallad Rasem is als regisseur verbonden aan het Toneelhuis.

Koen van Kaam is tezamen met Jorgen Cassier artistiek leider van Zuidpool. Ze spelen en regisseren theatervoorstellingen.

Jorgen Cassier is tezamen met Koen van Kaam artistiek leider van Zuidpool. Ze spelen en regisseren theatervoorstellingen.

 

Paul Pourveur is schrijver, dramaturg en scenarist. Hij is verbonden aan het RITCS als vakhoofd van de vakgroep ‘schrijven’.

statement

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!