Huurschouwburg

Alex Mallems

Leestijd 8 — 11 minuten

150 jaar Bourla

De geschiedenis van een theatermonument

De Bourlaschouwburg in Antwerpen staat er al een paar jaar verlaten bij. Terwijl op hoog niveau geruzied wordt over de bestemming van het gebouw, is het langzaam aan het aftakelen. N.a.v. het 150-jarige jubileum schetst Alex Mallems de geschiedenis van dit statige gebouw, en vroeg scenograaf John Bogaerts naar zijn indrukken.

Aan de Comedieplaats, tussen de Arenbergstraat en het Theaterplein, ligt de Bourla-schouwburg er desolaat-verlaten bij. In 1980 ondernam het KNS-gezelschap immers zijn “laatste verhuis-tocht naar de hoop en naar bredere horizonten”11 Domien De Gruyter, De laatste tocht, programma 1, KNS, 1980-81.— lees naar de nieuwe Stadsschouwburg. De ‘Bourla’ paste zijn naam aan aan de geschiedenis : van ‘Koninklijke Franse Schouwburg/(Grand) Théâtre Royal Français’ naar ‘Stedelijke Schouw-burg/Théâtre Communal’ tot ‘Koninklijke Nederlandse Schouwburg’ ; in de volksmond de ‘Royal’ de ‘Franse Comedie’, de ‘Franse Comood’, de ‘Franse Opera’, of ‘den ouden KNS’. Het zijn evenveel namen die in Antwerpen leven voor eenzelfde gebouw. Het wijst op een rijke traditie, op een verbondenheid ook, met de stad en vooral met het publiek.

De Bourla-schouwburg bestaat dit jaar 150 jaar. Eerder toevallig viel ons oog op een gedenkplaat aan de gevel : “P.B. Bourla stadsbouwmeester 1783-1866, ontwerper van deze schouwburg, ingehuldigd ten jare 1834.” 150 jaar, bijna zo oud als België. Minstens aanleiding voor een soort viering in dit Peter Benoit-jaar, zou je denken? Ging zijn oratorium De Schelde hier b.v. niet in première op 22 februari 1869? De Stad Antwerpen zit wellicht nog met de miljardenkater van zijn prestigieuze Stadsschouwburg en plaatst de ‘oude KNS’ liever niet in de spotlights. Belang heeft men daar op dit moment trouwens allesbehalve bij: achter de roestende hekkens aan de hoofdingang worden de natte herfstbladeren en andere rotzooi niet eens weggekeerd. Het gebouw zelf takelt zienderogen af. Gelukkig is de ‘Bourla’ een geklasseerd momument, anders zou de slopershamer wel eens kunnen dreigen. Dezelfde slopershamer die de andere prachtige ‘Koninklijke Nederlandse Schouwburg’ aan de Kipdorpbrug in 1960 met de grond gelijk maakte.

Tapissierspand

Het terrein aan de Comedieplaats (tot 1853 de Schouwburgplaetse) heeft een eeuwenoude theatertraditie die begint in 1553: het bouwjaar van het Tapissierspand. Deze veilingshalle voornamelijk voor tapijten werd vanaf 1709-1712 reeds als publiek theater ingericht. Het werd toen vooral gebruikt door de armenalmoezeniers die er liefdadigheidsvoorstellingen organiseerden. In 1753 wordt het door brand vernielde 16e eeuwse pand heropgebouwd met een nieuwe zaal (architect E. Baets). Het Tapissierspand bleef tot 1829 hét theatercentrum van Antwerpen. Het Vlaamse toneel komt er echter nauwelijks aan bod. Vanaf de Oostenrijkse bezettingsperiode genoten de Franse en Italiaanse opera’s er immers de voorkeur. Onder het Frans bewind promoveert het Tapissierspand tot ‘Grand Théâtre’, Willem I verleent het in 1816 de eretitel ‘Théâtre Royal’. Ondertussen was het uitgegroeid tot een centrum van quasi uitsluitend Frans cultuurleven.

In 1829 neemt de Stad Antwerpen het Tapissierspand over voor de ronde som van 30.000 Gulden. Het wordt onmiddellijk afgebroken om plaats te maken voor een nieuw prestigieus schouwburggebouw naar de plannen van stadsbouwmeester Pierre Bruno Bourla. Na een studiereis langs theaters in Parijs, Straatsburg en Dijon ontwierp Bourla een neo-classicistische, voor die tijd erg progressieve schouwburg, die als één van de best gebouwde in Europa erkend werd. Het uitgewerkte idee van de gebogen voorgevel als hoofdingang (waarschijnlijk geïnspireerd op het Parijse Théâtre Feydeau van de architecten Molinos en Legrand) en vooral de bijhorende functionele integratie van de openbare weg in het gebouw, kunnen als een originele bijdrage van Bourla tot de schouwburg-bouwkunst gerekend worden. Onder de navolgers hiervan rekent men onder andere de architecten Moller (het Theater te Mainz, 1833), Roelandt (de Schouwburg te Gent, 1837) en Semper (het Hoftheater te Dresden, 1838-1841). De voorgevel van de Bourla is versierd met borstbeelden in nissen van bekende toneel- en opera-auteurs (Racine, Lopez de Vega, Sofokles, Shakespeare, Van Vondel, Schiller, Spontini, Mozart, …). De dakrand is bekroond met natuurstenen beelden van de negen muzen. De gebogen lijn van deze voorgevel loopt vloeiend over in de horizontaliteit van zij- en achtergevels. De sobere gevelarchitectuur staat in contrast met de barokke overdaad van het (later) uitgewerkte interieur.

Uit het verslag van de onderzoekscommissie van het Bourlaplan blijkt duidelijk dat Antwerpen kreeg wat het wou : “een schouwburg met zulk een groot aanzien dat het in gans Europa door de kenners zal aangehaald worden als een der fraeyste gebouwen die de hedendaagse bouwkunde ten uitvoer zal gebragt hebben.” De ‘bescheiden’ Antwerpenaars hadden het zelfs over het ‘Achtste wereldwonder’! (De geschiedenis herhaalt zich blijkbaar, want 150 jaar later wordt van de Antwerpse Stadsschouwburg gezegd dat het één van de best geoutilleerde theaters van West-Europa is.) De totale kostprijs van de ‘Bourla’ overschreed uiteindelijk het miljoen, in plaats van de oorspronkelijk voorziene 300.000 Gulden (ook de kosten van de Stadsschouwburg werden voor de helft onderschat).

Franse Opera

Die hoge kostprijs werd in ruil voor zoveel roem graag betaald door de francofone burgerij. Hun mondain ‘Théâtre Royal Français’ zal de traditie van het oude Tapissierspand immers alle eer aandoen en de systematische culturele verfransing voortzetten. Op 1 september 1834 werd de nieuwe schouwburg plechtig ingehuldigd met representatieve voorstellingen van La Dame Blanche en Le Billet de Loterie. Wat dit weelderig theater voor de Vlaamse gemeenschap betekende vatte de historicus Torfs wel best samen: “het was een mooie broeikas voor een vreemd plantsoen.” Inderdaad, het Antwerps stadsbestuur koos bijvoorbeeld partij voorde Franse Opera toen Victor Driessens, stichter-directeur van het eerste officieel erkende nederlandstalig toneelgezelschap in België, het ‘Nationaal Tooneel van Antwerpen’ (de latere KNS), de schouwburg aan de Comedieplaats voor zijn gezelschap opeiste.

De Bourla-schouwburg werkt trouwens als een erg goede barometer voor het maatschappelijk klimaat in de Metropool. De belangrijke verbouwingen van 1865 zijn daar wellicht het beste voorbeeld van. Tussen 1858 en 1864 was in politiek-propagandistische opdracht van Napoleon III de monumentale ‘Opéra de Paris’ gebouwd. Dit neo-barokke gebouw puilt werkelijk uit van de overdreven ornamentiek, exuberante wandschilderingen en andere weelderige decoratie. Verblind door zoveel pracht en praal wilden de zelfbewust-hautaine Antwerpse parvenu’s natuurlijk niet achterop blijven. Stadsbouwmeester Pieter Dens (Bourla’s opvolger) reist richting Parijs en de ‘Royal’ wordt een vergelijkbaar rijk barok kleedje aangepast. Ger Schmook, Antwerpens ‘croniqueur par excellence’ heeft in zijn onnavolgbare stijl deze interne verbouwingen tot in het kleinste detail beschreven onder de veelzeggende titel Beschouwingen bij een praalziek vertoon 22Ger Schmook, Beschouwingen bij een praalziek vertoon, Tijdschrift Antwerpen, jg. XVIII deel 2, jg. XXV deel 1.. Het volstaat hier dan ook aan te geven dat na de renovatie van 1865 de nu ‘royaal’ beklede zaal liefst 2200 plaatsen bevatte, of 170 meer dan …de Parijse Opera. Dit illustreert wel duidelijk de weinig artistieke, maar des te meer protserige functie van het Théâtre Royal Français voor de sinjorenbourgeoisie.

Vlaamse ontvoogding

Parallel met de opkomst van de Vlaamse Beweging en de teloorgang van de franstalige invloed in Antwerpen, bloedt de Franse Opera en vooral operette langzaam dood. Camille Huysmans, burgemeester van de Scheldestad en één van de ‘drie kraaiende hanen’, ondertekent het definitieve doodsvonnis in 1933, net één jaar voor de honderdste verjaardag-viering: het gezelschap van de Franse Opera wordt opgedoekt. De francofone achterban spartelde tevergeefs tegen onder andere via volgende pathetische oproep in Le Courier d’Anvers: “Donc, laissez le Royal fêter son centenaire … Laissez donc, s’il en doit être ainsi, mourir cette vieille dame d’épuissement après la fête de famille d’un anniversaire mémorable et ne prêtez pas la main au vilain geste qui la veut poussez au tombeau …” Huysmans kwam op zijn beslissing echter niet terug.

Al te gemakkelijk wordt het opdoeken van de Franse Opera als een louter politieke daad gezien. Uit verslagen in het Stadsarchief blijkt dat, naast de evidente financiële bezwaren (het onderhouden van twee opera-gezelschappen in crisistijd), vooral artistieke argumenten doorslaggevend waren. In die tijd was Jan Albert Goris (jawel, Marnix Gijsen) bestuurder van de dienst voor Culturele en Economische Propaganda van de Stad Antwerpen. In die functie analyseerde hij voor Camille Huysmans de situatie van de twee operagezelschappen te Antwerpen. Daarin stelt Marnix Gijsen dat de vraag van muzikale cultuur weinig met de taalvraag te maken heeft : niemand gaat immers naar de opera louter voor het libretto, maar wel voor de muziek. Bovendien zou het wegvallen van de Franse Opera te Antwerpen gecompenseerd kunnen worden via een uitwisselingssysteem met Brussel en Gent (de draaischijf-idee). Tenslotte concludeert Gijsen dat zelfs met verenigde krachten, één goed operagezelschap op het noodzakelijk artistiek peil houden een zware opgave betekent. Het samenbrengen van de meest getalenteerde artiesten uit de twee stedelijke gezelschappen zou die kwaliteit zeker opvoeren.

De ontbinding van het franstalige operatgezelschap had voor het volgende seizoen 1933-1934 echter zware artistieke gevolgen voor de ‘Bourla’, die prompt van Théâtre Royal Français gedegradeerd werd tot ‘Stedelijke Schouwburg/Théâtre Communal’. Het werd een receptieve schouwburg waar volksmaatschappijen hun ‘kosteloze vertoningen’ brachten: de Maatschappij de Nieuwe Concerten kon er terecht, naast de tournees van de Comédie Française en de music-hall-avonden van Mourru de Lacotte. Kortom de Bourlaschouwburg werd de lokatie voor een allegaartje van culturele manifestaties, soms hoogstaand, vaker gebracht door tweederangsverenigingen (artistiek dan) als ‘Hoop en Liefde’, ‘Club Telegraphic’, ‘Club Fraternel’ en andere ‘Ant-werpen’s Postfanfares’.

Vanaf het daaropvolgende seizoen 1934-1935 werd deze weinig fraaie toestand ongedaan gemaakt: de KNS onder leiding van Willem Benoy, verhuisde van de Huurschouwburg aan de Kipdorpbrug naar de Stedelijke Schouwburg. Het KNS-gezelschap zou er — behalve het eerste oorlogsjaar– blijven tot 1980. Aan de gevel hangt nog steeds in verlichte letters de nieuwe benaming: Koninklijke Nederlandse Schouwburg.

Onderhoud

Het is belangrijk even te blijven stilstaan bij een materieel probleem, dat voor de Antwerpse schouwburgen zware gevolgen zou hebben: het ontoereikend onderhoud van zowel de Bourla-schouwburg als de Huurschouwburg. Reeds in 1930 stelde een geneeskundige commissie zo’n ernstige tekortkomingen qua hygiëne vast, dat zelfs overwogen werd een gedeelte van de Bourlaschouwburg totaal te renoveren. Zo drastisch werd er in de praktijk uiteindelijk niet verbouwd: men bleef opteren voor lapmiddelen.

Hetzelfde gebeurde met de Huurschouwburg. Er bestond in 1941 nochtans een plan om die oude schouwburg in renaissancestijl totaal te verbouwen. Lode Monteyne, theatercriticus en tijdens het seizoen 1943-1944 zelfs eventjes KNS-directeur, schreef daarover dat het KNS-gezelschap voorlopig zijn intrede nam in het vroegere ‘théâtre Royal’, om toe te laten dat haar oude schouwburg volledig zou gerenoveerd worden. Slechts de buitenmuren met hun bogen, zuilen en allegorische beelden zouden recht blijven. Die plannen zijn echter nooit gerealiseerd: de Huurschouwburg bleef gewoon de thuishaven van het Jeugdtheater, terwijl de KNS ‘voorlopig’ in de Bourla bleef.

Ter gelegenheid van het honderdjarig KNS-jubileum in 1953, werd de infrastructuur van de Bourlaschouwburg wel wat gemoderniseerd: de versleten zetels werden vervangen, er kwam een nieuw lichtorgel en een geluidsinstallatie. Voor het personeel kwamen er douches, betere loges, een garderobe en een repetitiezaal. Nauwelijks vijf jaar later blijkt dat deze aanpassingen niets fundamenteels veranderden aan een essentieel probleem van het gebouw, namelijk dat van de veiligheid.

In 1958 werd een wel erg zwarte bladzijde in de geschiedenis van de Antwerpse stadsschouwburgen. Aanleiding was een brandje zonder veel erg in een van de kelders van de Bourla. De publieke opinie én de verantwoordelijke instanties waren kort voordien echter opgeschrikt door een tragische bioscoopbrand te Scles-sin. Een strikte toepassing van de voorschriften inzake brandveiligheid leidde tot de sluiting van én de Bourla, én de Huurschouwburg, én de Vlaamse Opera: KNS, KJT en KVO stonden ineens op straat! Voor het relatief jonge operagebouw aan de Frankrijklei (architect Van Mechelen, 1904-1907) volstonden enkele minder ingrijpende aanpassingen om aan de voorschriften te beantwoorden. Voor de twee negentiende eeuwse schouwburgen was de toestand echter dramatisch.

Nieuwe Stadsschouwburg

Het oorspronkelijke ‘Schouwburglokaal voor het Nederduits Tooneel’ van de Kipdorpbrug, werd volledig afgeschreven en in 1960 gesloopt. Nochtans werd deze door architect Pieter Dens ontworpen schouwburg (1874) algemeen beschouwd als een schitterende theaterruimte. Sir Laurence Olivier vertrouwde Domien de Gruyter ooit toe: “van al de theaters waar ik ooit speelde, is dat van Antwerpen akoestisch het meest perfecte, en qua ruimtelijke verhouding auditorium-toneel het meest aantrekkelijke.” 33idem(l)Het rijke theaterverleden van deze schouwburg (eerste eigen theater van de KNS, de scène waarop o.a. Jan Oscar de Gruyter voor KNS speelde) moest plaats maken voor de toekomst: de nieuwe stadsschouwburg werd inderdaad oorspronkelijk op deze plaats voorzien.

De Bourlaschouwburg kreeg intussen, ondanks een reeks verbeteringswerken (hoofdzakelijk nieuwe electrische leidingen en het dichtmetsen van de orkestbak) slechts een voorlopige vergunning. De houten balkons dreigden in te zakken; de afmetingen van deuren, trappen en gangen, de toneelbouw in zijn machinerie en onderdelen beantwoordden namelijk onder geen enkel opzicht aan de voorschriften. Een grondige en dus jaren durende verbouwing van de Bourla (of van de Huurschouwburg) werd niet opportuun geacht: waar zou men ondertussen KNS en KJT huisvesten? Een geleidelijke renovatie (zoals die bijvoorbeeld in de NTG-schouwburg gebeurt) was ook niet haalbaar: het gebouw was — in tegenstelling tot zijn Gentse tijdgenoot — erg slecht onderhouden en bovendien afgekeurd. Enkel fundamentele aanpassingen konden een échte oplossing bieden: de Antwerpse gemeenteraad besliste ten slotte unaniem tot de bouw van de nieuwe stadsschouwburg die uiteindelijk op het Arsenaalplein (nu Theaterplein) werd gebouwd. Tijdens de langdurige werken (meer dan 20 jaar!) bespeelden KNS en KJT samen de Bourlaschouwburg.

Toekomst

Over de nieuwe bestemming van dit wel erg bescheiden jubilerende schouwburggebouw doen allerlei geruchten de ronde: de Philharmonie zou er intrekken, het zou een theatermuseum worden, … . De bevoegde dienst van de Stad Antwerpen (nog steeds eigenaar van het gebouw) gaf als officieel standpunt dat minister voor Nederlandse Cultuur Poma initiatieven genomen heeft om het gebouw over te nemen. Het Ballet van Vlaanderen zou er zijn vaste repetitieruimte krijgen. Momenteel wordt er nog onderhandeld tussen Stad en Staat over de overnamevoorwaarden. Een kwestie van kredieten binnen de Vlaamse regering. Een paar maand geleden werd een beslissing naar de begroting van volgend jaar verschoven. De 150-jarige jubilaris blijft dus minstens een jaar langer verkrotten. Een prachtige klassieke schouwburg, met een theaterruimte die zeker mogelijkheden biedt voor vandaag, blijft verder onbespeeld.

Alex Mallems

 

artikel
Leestijd 8 — 11 minuten

#9

15.01.1985

14.04.1985

Alex Mallems

artikel