‘Celebrities & difficulties: Soren Kierkegaard asks Walter Benjamin’ – deufert + plischke

Fredric Jameson

Leestijd 10 — 13 minuten

Symptomen van theorie of symptomen voor theorie?

De notie van het ‘einde’ van theorie ging gepaard met aankondigingen van het einde van een heleboel andere dingen, geen enkele ervan erg accuraat. Laat me beginnen met duidelijk te maken wat ik bedoel met theorie.

Theorie als taalbewaker

Ik geloof dat theorie de plaats inneemt van filosofie (en ook andere disciplines) op het moment dat men er zich van bewust is dat het denken linguïstisch of materieel is en dat concepten niet onafhankelijk van hun linguïstische expressie kunnen bestaan. Je zou het een soort filosofische ‘ketterse visie op omschrijvingen’ kunnen noemen. In ieder geval sluit het meteen heel wat filosofische en methodische teksten uit die opgebouwd zijn rond systemen of intenties, betekenissen of waarheidscriteria. Kritiek wordt nu een kritiek op taal en haar formuleringen, dat wil zeggen, een onderzoek naar de ideologische connotaties van verschillende formuleringen, de schaduwzijde van bepaalde woorden en termen, de aanvechtbare wereldbeelden die gegenereerd worden door de meest feilloze definities, de ideologieën die uit de poriën van schijnbaar waterdichte stellingen sijpelen, de fouten die zelfs in de meest rechtschapen redeneringen hun sporen nalaten. Dit om maar duidelijk te maken dat theorie -als het onder ogen zien van materialistische taal- een soort taalbewakersfunctie heeft, een onverbiddelijke search and destroy missie met als doelwit de onvermijdelijke ideologische implicaties van onze taalpraktijken. Voor theorie is elke vorm van taalgebruik, inclusief dat van zichzelf, vatbaar voor deze slippertjes en olievlekken, en dit omdat er niet langer een correcte manier bestaat om iets te zeggen. Alle waarheden zijn op hun best momentaan, situationeel en gemarkeerd door een geschiedenis die constant verandert. Mijn omschrijving doet de meeste lezers ongetwijfeld al denken aan het deconstructivisme en sommigen zullen er misschien ook wat Althusserianisme in zien. We kunnen inderdaad een soort esthetiek van teksten opstellen (op voorwaarde dat esthetiek hier begrepen wordt als een streng canon van taboes en conventies): een fundamentele norm zou daarbij het uitsluiten van substantiële statements en positieve filosofische stellingen zijn. Alle affirmatieve stellingen vertonen met andere woorden barsten en zijn ideologisch omdat ze onze eigen persoonlijke en klasse- (én ras- én gender- ) gerelateerde standpunten reflecteren.

Het zou fout zijn deze visie op theorie te koppelen aan relativisme of scepticisme (wat fataal leidt tot nihilisme en intellectuele verlamming); integendeel, het gevecht om verwoordingen te ‘rectificeren’ is een vrijwel eindeloos proces dat onophoudelijk nieuwe problemen genereert. Wat de algemene contradictie van theorie betreft – hoe een redenering opbouwen zonder effectief iets te zeggen: hier zijn al heel wat oplossingen voor bedacht, die ik nu niet allemaal zal opnoemen. Eén voorbeeld volstaat: het neologisme, de gedoemde poging om de zware bagage van bestaande taal te slim af te zijn door middel van postnatuurlijke vernieuwing. Maar de eeuwige vijand van theorie, materialisering, laat van die poging geen spaander heel.

Een vertaling op grote schaal

Wat we nu moeten beseffen (ik kom langzaam dichter bij de vraag naar theorie vandaag), is de manier waarop deze visie op denken en schrijven geleidelijk aan grote gebieden van traditionele disciplines annexeert, dat wil zeggen, tradities waarin ouderwetse representatiepraktijken -het geloof in het onderscheid tussen woorden en concepten – nog schering en inslag zijn. Ik beschrijf het proces van de expansie van theorie in beelden van oorlog, overheersing en bezetting omdat theorie op zich natuurlijk ook een typische vorm van superstructurele ontwikkeling is van het laat-kapitalisme en in die zin heel wat van haar dynamieken in zich draagt (hoewel in een heel andere politieke valentie). Het klassieke verhaal van de verspreiding van theorie is iedereen welbekend: eerst ontleent antropologie haar fundamentele principes aan de linguïstiek, dan ontwikkelt literaire kritiek de implicaties hiervan voor een hele reeks nieuwe toepassingen die op hun beurt aangepast worden aan psychoanalyse en sociale wetenschappen, rechten en andere culturele disciplines. Wat er gebeurt tijdens dit proces van overdracht is wat ik zou karakteriseren (om het linguïstisch te zeggen) als een vertaling op grote schaal. Het vervangen van een taal door een andere of, liever nog, door één soort taal uit een hele reeks verschillende talen. Wat we de uitputting van theorie noemen is over het algemeen weinig meer dan het voltooien van deze vertalende overname van dit of dat vakgebied.

Een korte historiek

Nu zijn er natuurlijk verschillende andere manieren om dit verhaal te vertellen, die variëren naargelang iemands vakgebied en bijhorende perspectief. Ik ben wel van mening dat dit hele proces een modernistische dynamiek of telos in zich had, ontleend aan het modernisme in de kunsten dat nu niet meer bestaat. Of met andere woorden: de dynamiek van theorie was het najagen van het nieuwe en misschien niet zozeer het geloof in vooruitgang, maar op zijn minst het vertrouwen dat er altijd iets nieuws zal zijn om de verscheidene oudere gematerialiseerde of beklonken theorieën, geabsorbeerd en getemd door het theoretisch canon, te vervangen. Nu, bestaat er wel zoiets als een theoretisch canon? Is theoretische productie niet reeds postmodern van geest? Kunnen we een onderscheid maken tussen de moderne en de postmoderne theoretische productie? Door nu op vragen als deze te antwoorden riskeren we te vervallen in pure opinie.

Maar ik geloof wel dat een kort overzicht van de geschiedenis van theorie hier aan de orde is, en dit zou mijn versie ervan zijn: er is een eerste moment waarin de inwendige structuur – de inwendige kloof of scheur-van het concept op zich wordt verkend. Dit moment wordt ook wel als het structuralisme aangeduid, waarin duidelijk wordt dat concepten niet autonoom maar wel relationeel zijn – zowel intern als extern-, waardoor hun materialiteit onontkoombaar wordt; waarbij, met andere woorden, het stilletjes tot ons begint door te dringen dat concepten geen ideeën zijn, maar wel woorden en constellaties van woorden.

Poststructuralisme

In een tweede moment – sommigen noemden het poststructuralisme – verandert deze ontdekking als het ware in een filosofisch probleem, namelijk dat van representatie en de bijhorende dilemma’s, dialectiek, gebreken en onmogelijkheid. Misschien verschuift op dit moment het probleem van woorden naar zinnen, van concepten naar stellingen. In ieder geval is het een probleem waar geleidelijk aan alle andere filosofische kwesties in ondergebracht worden, waardoor een enorme structuur ontstaat die niemand ooit in haar geheel heeft kunnen onderzoeken, maar waarvan sommigen stukken hebben verkend en anderen een aantal onderdelen van in kaart hebben gebracht. De hele discussie rond representatie is dus nog altijd heel erg actueel: ze organiseert bij wijze van spreken de normale theoretische wetenschap en de dagelijkse praktijk en stuurt het schrijven van de ontelbare rapporten, ook wel artikels genoemd.

Het politieke denken

Nu belanden we bij een derde moment, een moment dat volgens mij nieuw is en onvoldoende onderzocht, de plek waar vandaag nog steeds aan oorspronkelijke theorie wordt gedaan: het gebied van het politieke. Van oudsher het eigendom van de meest retrograde academische disciplines en de saaiste en meest conservatieve soort van filosofie. Plotseling ondergaan deze oude teksten en de academische kaders waarin ze gelezen werden een onherkenbare gedaantewisseling: een blikseminslag onder de vorm van een ander soort filosofisch-theoretische oppositie, namelijk de tegenstelling tussen het universele en het particuliere. Een tegenstelling die niet in die vorm problematisch is (behalve voor een ouder filosofisch discours) maar die onmiddellijk uiteenvalt in allerlei nieuwe tegenstellingen. Het ‘particuliere’ neemt een waaier van vormen aan: het specifieke, het individuele, het eigene en zelfs het virtuele, terwijl een slecht universalisme over iedereens hoofd hangt als een donkere wolk en geïdentificeerd wordt met alles wat gaat van Staat tot handelsproducten, van repressieve seksuele normen tot de identiteiten van klasse-analyse. Dit is dan niet zomaar een probleem dat opgelost kan worden, geen tegenstelling die dialectisch overstegen kan worden, maar veeleer een heel nieuw theoretisch coderingssysteem waarin alles wat voordien kwam moet geherconfigureerd worden. Onder het voogdijschap van góden als Machiavelli en Hobbes, en daarna Spinoza en Carl Schmitt, ontstaat een heel nieuw soort discours, een onvervalst theoretische politieke theorie, gegoten in de agonistische structuur van Schmitts ‘vriend en vijand’, met de oorlog als ultiem symbool. Of, liever nog, oorlog als het ultieme schema waarin het politieke onthuld wordt. Omdat politiek ook een constructie is, een vervreemding, een herschrijven en een vereenvoudiging van het concrete leven in de vorm van een nieuw model, ben ik geneigd om mijn toevlucht te nemen tot Deleuzes notie van diagrammen (die hij ontwikkelde naar aanleiding van Foucault). Ja, politiek denken betekent representatie in diagrammen omzetten, de vectoren van de macht zichtbaar maken, tonen hoe ze tegenover elkaar staan, elkaar doorkruisen, de realiteit herschrijven als een grafiek van machtscentra, bewegingen en snelheden. Zulke diagrammen zijn de laatste incarnaties van de visuele hulpmiddelen waar de eerste structuralisten zo door gefascineerd waren; ze zijn de meest recente manier om weg te gaan van ideeën en in een nieuwe vorm van materialisatie te stappen.

Ik houd mij persoonlijk enigszins op afstand van dit nieuwe moment, aangezien voor mij marxisme altijd al de overname van politiek door economie betekende. Daarom wil ik hier nog een vierde moment aankondigen, nog een nieuw facet aan de horizon van theorie. Dit moment heeft te maken met het theoretiseren van collectieve subjectiviteiten, zoals het project van een sociale psychologie. Nu, omdat het theoretisch gezien nog niet bestaat, zijn alle woorden die ik ervoor kan vinden nog ouderwets en ongeloofwaardig. Er zouden nieuwe formuleringen (en inderdaad diagrammen) moeten komen voor collectiviteiten die op zijn minst even complex en stimulerend zijn als die van Lacan voor het individuele onbewuste. Deze structuren zijn de laatste jaren vast en zeker vluchtig aan bod gekomen in de verschillende onderzoeken naar sociale of collectieve denkbeelden. Maar je kan je niet van de indruk ontdoen dat het recente filosofische prestige van de Ander en anders-zijn voor het overgrote deel een ethische simplificatie is van deze realiteiten (behalve misschien een aantal suggesties bij Sartre in zijn Critique). Intussen benaderen subalterne studies dit alles vanuit nog een andere hoek, en Deleuze (of Deleuze en Guattari), resoluut post-Cartesiaans, biedt een hele waaier van nieuwe manieren om het hele gamma van collectieve fenomenen in kaart te brengen. Maar het ligt in de aard van het beestje (het menselijke beestje) om zich terug te trekken van dit soort openingen; we willen nog altijd niets horen over sociale klassen; en nieuwe theoretische trends, zoals Agambens idee over het naakte leven, worden ineens gelezen als metafysische of existentiële statements of worden in het slechtste geval ingeroepen om te bewijzen – als een soort nulgraad- dat het collectieve niet bestaat (in plaats van het aan te grijpen als de identificatie van een nieuwe collectieve planeet of quark). Maar het is niet echt bevredigend te praten over vakgebieden die (nog) niet bestaan.

‘Hoe gaat het met de literaire kritiek?’

Dus laat ik me om af te sluiten wenden tot literaire kritiek, iets wat ook al meer dan eens dood werd verklaard. Misschien omdat we nu zovéél verschillende methoden en technieken hebben, voor elk studieobject wat wils. Of, als je het liever over de dood van literatuur an sich hebt, omdat het klassieke kunstwerk over het algemeen aan belang inboet. Of misschien omdat de literaire geschiedenis een indrukwekkende hoeveelheid aan research op haar palmares heeft staan, voldoende om nog eventjes voort te kunnen, zelfs al blijft de historische re-evaluatie van deze gegevens een interessant theoretisch probleem, even interessant als alle postmoderne historiografie. Intussen is een soort onderlinge uitwisseling aan de gang van de meest geavanceerde tekstuele sensaties, van Memento tot hip-hop. Maar dit zijn allemaal tekstuele objecten, en het zou funest zijn een onderscheid te maken tussen literatuur en culturele studies op de pejoratieve manier die ons zo vertrouwd is. Over al die tekstkritiek wil ik een eigentijdse auteur citeren, Cesare Casarino, die als volgt antwoordt op de eeuwenoude vraag ‘Wat is literaire kritiek?’ Hij zegt: ‘Je zou de vraag anders kunnen stellen. Alsof je vraagt naar de gezondheid van een geliefde die al heel lang ziek is en niet langer echt actief deel uitmaakt van het leven van alledag, maar daarom des te meer aanwezig is omdat je er dagelijks aan denkt. Je zou kunnen vragen: ‘Hoe gaat het met de literaire kritiek?’ Zijn antwoord, dat ik geneigd ben te onderschrijven, is wat hij ‘philopoeisis’ noemt, naar zijn zeggen ‘een bepaalde discontinue en refractieve interferentie tussen filosofie en literatuur’1 Maar dat heet ook theorie, geloof ik.

Vorm als sociaal gegeven

Ik wil echter de vraag nog anders benaderen, en het standpunt verdedigen dat literaire kritiek een theoretische soort van symptomatologie is – of zou moeten zijn. Literaire vormen (en culturele vormen in het algemeen) zijn de meest concrete symptomen die we hebben over wat gaande is in dat moeilijk te vatten ding dat we ‘het sociale’ noemen. Maar het idee van een symptoom wordt vaak verkeerd begrepen als het aanmoedigen van een vulgair-sociologische of inhoudelijke benadering van kunstwerken. Ik veronderstel dat we op dit punt zouden kunnen verwijzen naar alle esthetische teksten van Adorno over de langspeelplaat als de ultieme illustratie van de intentie om binnen en buiten te laten samenvallen en te begrijpen wat hij bedoelt met de ‘vensterloze monade’ van autonome vorm als een sociaal en historisch symptoom. Het kan de moeite lonen om hieraan toe te voegen dat de vorm zelf, evenveel of zelfs meer dan de inhoud, de drager is van ideologische boodschappen en bestaat als een sociaal feit. Het staat vast dat de technische vragen over zulke delicate en complexe coördinaties de kern uitmaken van literaire theorie zelf. Het volstaat te zeggen dat werken van vroeger allerlei soorten unieke esthetische deuren openen naar hun tijd; terwijl in die van vandaag allerlei soorten gecodeerde data staan, gegevens over onszelf – die blinde vlek van het heden waar we in allerlei opzichten het verst van af staan. Wat we echter al te vaak negeren zijn de utopische projecties die zowel werk van vroeger als van nu bieden op een toekomst die anders een gesloten boek blijft voor ons.

Maar aan deze uitleg over de opdracht van theorie en kritiek ontbreekt nog het meest distinctieve kenmerk van onze eigen (postmoderne) tijden, tenminste in zoverre het over esthetiek gaat. Namelijk het feit dat het individuele werk of de individuele tekst aan belang inboet, zoals ik vroeger al aanhaalde – een ontwikkeling die, als ze serieus genomen wordt, een aanzienlijke verschuiving in perspectief en kritische praktijken betekent. Het is immers duidelijk dat de vragen die de literaire methode zich stelt dan helemaal niet meer zo urgent zijn, zeker niet wanneer de productie van betekenisvolle literatuur stopt of liever, om het op een andere manier te formuleren, wanneer het centrum van de zwaartekracht van een of ander hypothetisch ‘systeem van schone kunsten’ zich verplaatst, weg van taal, en het ideaal van poëtische taal dat centraal stond tijdens de modernistische periode verdrongen wordt.

Het culturele productieproces, een nieuw studieobject

Daarom lijkt me dat vandaag, in het postmodernisme, onze studieobjecten niet zozeer uit individuele teksten bestaan dan wel uit de structuur en dynamieken van een specifieke culturele modus op zich, te beginnen met om het even welk nieuw systeem (of non-systeem) van artistieke en culturele productie dat het oudere heeft vervangen. Het is nu het culturele productieproces (en zijn relatie tot onze vreemde sociale formatie) dat als studieobject fungeert, en niet langer het individuele meesterwerk. Dit doet onze methodologische praktijk verschuiven (of liever, de meest interessante theoretische problemen die we moeten aankaarten) van een individuele tekstanalyse naar wat ik zal noemen de ‘productie-modus’ analyse, een formulering die ik verkies boven de formuleringen die het woord ‘cultuur’ blijven gebruiken in een of andere antropologische betekenis.

‘Cultuur’ in die zin is het ideologische eigendom van Samuel Huntington en de mensen die hij heeft geïnspireerd. Inderdaad, de oorlog waar hij de aanzet toe heeft gegeven is de context waarin ik dit methodologische voorstel zou willen verdedigen, omdat ik denk dat we enkel in het licht van de studie van laat-kapitalisme als systeem en productiemodus kunnen begrijpen wat er vandaag aan de hand is. Niet enkel de daden van een fundamentalistische reactionaire groep rond een president die niet verkozen is – iets wat het best kan worden toegeschreven aan puur toeval, aan nationale pech; nee, wat er aan de hand is maakt deel uit van ons systeem. En hedendaagse culturele productie doorgronden is niet de slechtste manier om dit systeem, en de mogelijkheden die het biedt voor radicale of zelfs gematigde verandering, trachten te begrijpen.

Vertaling Stien Michiels

1. Cesare Casarino, Modernity at Sea: Melville, Marx, Conrad in Exile (Minnesota, 2002), p. xiii.

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 10 — 13 minuten

#102

15.06.2006

14.09.2006

Fredric Jameson