Stefan Moens

Leestijd 5 — 8 minuten

Zomernacht

‘t Gebroed, Antwerpen

In zijn Midsummernight’s Dream neemt Shakespeare een loopje met de werkelijkheid, zowel als met de liefde. Het liefdesverhaal van Pyramus en Thisbe, bij Ovidius nog intriest en tragisch, wordt bij Shakespeare een potsierlijke farce rond een levende muur, een bangelijke leeuw en twee hypernerveuze geliefden. Het lijkt alsof Shakespeare eens de draak wilde steken met zijn eigen ernstige – liefdes – verhaal, misschien zelfs met zijn eigen Romeo and Juliet. Aan het begin van Midsummernight’s Dream draagt de Atheense koning Theseus zijn ceremoniemeester op : “Stir up the Athenianyouth to merriments; awake the pert and nimble spirit of mirth; turn melancholy forth to funerals; the pale companion is not for our pomp.” Theseus zet daarmee de toon aan van het hele stuk : de melancholie en de ernst ruimen plaats voor droom, farce en amusement.

Het lijkt moeilijk te rijmen dat Shakespeare ooit geschreven heeft ; “Love is not love/which alters when it alteration finds, /or bends with the remover to remove/oh no, it is an ever fixed mark…” (Sonnet 116) en diezelfde Shakespeare ons tegelijkertijd in zijn Midsummernight’s Dream een imbroglio van wispelturige liefdesrelaties voorschotelt. Zo zijn in het eerste bedrijf de twee jonge Atheners, Demetrius en Lysander, nog stapelverliefd op Hermia, terwijl de door niemand geliefde Helena een hartstochtelijke liefde voor Demetrius opvat. Eén bedrijf later zijn de rollen net omgekeerd : Demetrius en Lysander zijn plotseling verliefd geworden op Helena. Niemand wil Hermia nog hebben. Klap op de vuurpijl is de eigenwijze Titania, koningin van de Elfjes, die verliefd wordt op een ezelskop. De verklaring voor Shakespeares inkonsekwentie moeten we zoeken in de speciale sfeer waarin hij zijn Midsummernight’s Dream situeert : in de wereld van de droom en de fantasie; of nog ruimer : de wereld van de illusie : het theater.

Onlangs was in Vlaanderen een succesvolle enscenering van deze komedie te zien. Goed voor een veertigtal opvoeringen en een herneming in het voorjaar van 1992 en opgevoerd door het jonge gezelschap ‘t Gebroed, een groep pas afgestudeerde studenten van Studio Herman Teirlinck. De voorstelling is gegroeid uit een werkstuk aan deze toneelschool. De regie is van Jan Decleir, de vertaling van Hugo Claus : Zomernacht.

Er zijn vier elementen die de hele voorstelling schragen : het tempo, de tekst, de humor en de erotiek.

Het minste wat je van Zomernacht kan zeggen is dat het een voorstelling met vaart is. De twintig rollen van het stuk zijn verdeeld over negen acteurs. De acteurs komen in vlug tempo de scène op en af en ze hebben soms nauwelijks de tijd om van rol te wisselen. Als toeschouwer word je geen rust gegund : je voelt de hele voorstelling lang dat de acteurs telkens met veel geestdrift en spel-plezier de scène opkomen. Er mag niet worden nagedacht, er moet niet worden geïnterpreteerd of geanalyseerd : alles moet onmiddellijk en direct bereikbaar zijn. Voor iemand die jong, nieuwsgierig en smoorverliefd is, zijn uitstel en reflektie onverdraaglijk.

Ook het decor is ontdaan van elke franje, van elke dieperliggende of symbolische betekenis. Het speel-oppervlak, een groot hellend vlak waarachter Puck en Oberon gezwind verdwijnen, lijkt een toestand van stabiliteit en rust tegen te gaan. Het woud waarin een groot deel van de handeling zich afspeelt wordt gesuggereerd met enkele kussentjes en bedlampjes. In dit opzicht verschilt Zomernacht veel van een andere recente opvoering van dezelfde komedie; Un songe d’une nuit d’été van regisseur Michel Dezoteux. Dezoteux’ voorstelling, in het Théâtre Varia, is erg barok : met opzichtige chique kledij, een indrukwekkend decor en een aantal speciale effecten.

Ten tweede is er de prozavertaling van Hugo Claus. Claus heeft de tekst gezuiverd van verwijzingen die voor de hedendaagse toeschouwer onduidelijk zouden zijn en heeft de tekst verlevendigd met woordjes die Hollanders “sappig” zouden noemen. Staat er bij Courteaux nog “Zie daar komt ze, kommervol. /Luimig is toch Amors rol, /Want hij maakt de meisjes dol,” dan wordt dat bij Claus : “Ha daar komt zij al, vies en afgepeigerd. Die Cupido kan er wat van om al die arme wijven zo gek te krijgen.” In de rijmvertaling van Cees Buddingh staat gewoon : “Slaap gezond/Op de grond” en bij Claus : “Slapen is gezond/voor kop en kont.” Buddinghs “Hans krijgt zijn Jansjes, /De hengst die krijgt zijn merrie weer en ieder maakt een dansje,” wordt bij Claus nogal vrij omgezet in : “..wil je een liedje ? /Of zal ik je pakken,/kanariepietje ? /En wat zegt de specht : ‘Alles komt terecht’.”

De taal van Claus is lieflijk, poëtisch en plat-boertig tegelijk. Hij is erin geslaagd om het sprankelende en poëtische gehalte van Shakespeares taal te bewaren, maar hij voegt er dikwijls een direct, onverholen en rauw cachet aan toe. Zo rauw en animaal is ook de muziek van Tom Waits, waarmee elk bedrijf van de voorstelling begint. Jan Decleir doet er nog een schepje bovenop door Jan Spaan (een zeer vermakelijke Tony De Maeyer) het meest onverstaanbare en platte dialect te laten schreeuwen.

Ten derde is er de humor. En dan denk ik vooral aan de onvermijdelijke burleske groep dorptoneelspelers waarin vooral Günther Lesage als Nico Spoel in onvervalste Herr Seele-stijl uitblinkt en cabotineert dat het een lieve lust is. De humor is dikwijls van die aard dat ze de al zo broze theaterillusie waarop Zomernacht is gebaseerd bruusk doorbreekt. Wanneer koning Theseus zijn Atheense burgers in het bos slapend aantreft zegt hij : “wij zullen hen met onze jachthoornen wekken”, waarop hij ze met zijn jachthoorn in de ribben port. Wanneer de regisseur van het groepje zegt : “Dit groen gazon zal ons toneel zijn, en deze meidoornhaag onze kleedkamer”, doorbreekt Jan Spaan die illusie door even hard op de planken vloer te stampen en met een dom en vragend gezicht naar zijn meester te kijken. De humor is nog het best vergelijkbaar met de absurde grappen van Monty Python.

De erotiek is de drijfveer waardoor de personages uit het stuk voortgestuwd worden. In een interview (De Morgen 26 februari 1991) zegt Jan Decleir daarover : “Het gaat onder meer om begeerte, om het lichaamlijk realiseren van de liefde.” Eigenlijk is erotiek een dus nog te romantisch woord want de jonge koppeltjes (“ze hebben het nog niet gedaan”, weet Jan Decleir ons over hen te vertellen) zijn gewoon geïnteresseerd in sex. Zo zijn de jonge vrouwen gekleed in strak spannende shirts (waaronder hun volle borstjes priemen) en kleurrijke zomerjurkjes met bretellen. Kortom : kledij die zeer vlug uitgespeeld kan worden. Bijvoorbeeld voor een vluggertje met de geile Puck – die in zijn lange legermantel eigenlijk iets te kleurloos en onpersoonlijk overkomt -waarbij de Elfjes hun tegenstribbelende geschreeuw nogal vlug laten overslaan in kreetjes van genot. De visie op erotiek zoals die in de voorstelling aan bod komt past goed bij het tempo en de dictie van de tekst : rauw en vluchtig.

Met Zomernacht heeft Jan Decleir aangetoond dat Shakespeares komedie niet persé met een exuberant sprookjesdecor of een magische sfeer moet, zoals in de dekadente, overgestileerde voorstelling van Dezoteux. Het grote verschil is dat in Dezoteux’ voorstelling de droom en het sprookje worden opgeroepen door het decor en bij Decleir door de poëzie van de taal zelf, zoals in Shakespeares tijd.

De vier bovenvermelde ingrediënten samen maken van Zomernacht een ‘volkse’ voorstelling die soms een tikkeltje overhelt naar het boertige. Ik heb er in ieder geval van genoten.

Gezelschap : ‘t Gebroed;

tekst : William Shakespeare;

vertaling en bewerking : Hugo Claus;

regie : Jan Decleir;

met Ann Pira, Tine Van Den Brande, Karlijn Sileghem, Eric Kempeneers, Tony De Maeyer, Günther Lesage, Rudy Morren, Eric Verschueren, Filip Peeters; muziek : Tom Waits; Decor : Jan Decleir.

Gezien op vrijdag 4 mei 1991 in De Ploter te Ternat.

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

#34

15.06.1991

14.09.1991

Stefan Moens