Herwig De Weerdt

Leestijd 6 — 9 minuten

Zoete littekens

Herwig De Weerdt over theater en politiek

Tijdens een debat over Theater en politiek, begin maart georganiseerd door het theatertijdschrift De Scène, las Herwig De Weerdt een zeer persoonlijk statement voor. Herwig De Weerdt speelde, regisseerde en schreef voor het Trojaanse Paard, Vuile Mong en de Vieze Gasten, Stekelbees en GUST (Gents Universitair Straattheater) en mag dus tot de gilde van oudstrijders worden gerekend. Vandaag houdt hij zich bezig met imkeren en verhalen vertellen.

Laten we het maar toegeven: we hebben ons vergist.

Ooit hebben we gedacht dat theater, film, muziek, beeldende kunsten, kortom dat cultuur een steunpunt kon zijn om maatschappelijke veranderingen aan te zwengelen, naïever nog: dat een militante, politiek geëngageerde strijdcultuur mee zou helpen om een massabeweging op de been te brengen. Wij geloofden in de zeventiger jaren in een alternatief. Al naargelang de splinterbeweging waar we bij aanleunden was er een rode hemel op aarde naar Russisch, Chinees, Cubaans of Bakoeninees model. Wij dachten/hoopten met ons artistiek gekras en gekwaak niet alleen een internationaal revolutionair elan te verwekken, maar zouden ook de Belgische politieke besluitvorming rechtstreeks of onrechtstreeks kunnen beïnvloeden.

We hebben ons vergist, maar het was een goede vergissing, die zoete littekens heeft nagelaten.

Op een rijtje, de misvattingen en valkuilen waar ik ben ingelopen. Ik zal vanaf nu enkel over theater spreken, maar veel van mijn bedenkingen zijn van toepassing op andere kunstdisciplines.

1. Theater moet de grote maatschappelijke problemen als onderwerp nemen, die problemen schetsen, analyseren en er standpunt tegenover innemen. Al naargelang de politieke overtuiging van de kunstenaar zijn dat links geëngageerde standpunten of rechts reactionaire inzichten.

In beide gevallen levert het zelden boeiend theater op. Vooreerst zijn maatschappelijke problemen (racisme, onheuse behandeling van de derde wereld, de milieuproblematiek, ontvoogdingsstrijd van de Tsjetjenen, u bedenkt het maar) te complex om ze in pakweg twee uur tijd te situeren, laat staan te analyseren en er de juiste conclusies uit te trekken. Zodat de argeloze toeschouwer aan het eind van de voorstelling met een verruimd maatschappelijk inzicht en een juiste politieke oplossing huiswaarts kan worden gestuurd, het slotstrijdlied met eenvoudig refrein memoriserend, zodat hij zingend de blijde boodschap naar de anderen over kan brengen.

De artiest overschat zichzelf. Hij of zij blinkt meestal niet uit in helderheid van analyse, pedagogisch talent of volksmennende kwaliteiten. Die taken worden beter overgelaten aan de politicoloog, de journalist, de vorser, de demagoog, misschien zelfs aan de politicus. Zij weten, geven antwoorden. De artiest stelt vragen, gooit stokken in het hoenderhok of tussen de spaken, shockeert of ontroert, getuigt, schiet wild om zich heen en daardoor soms raak. Hij kan de geest missen en toch het hart raken.

De artiest spiegelt zich niet aan de grote strijders en filosofen. Kunstenaars zijn eerder verwant met Diogenes, de Griekse cultfilosoof die de belangrijke bewindsman vraagt of hij even opzij wil gaan. Ge staat in mijn zon. En als men hem vroeg naar de belangwekkende maatschappelijke onderwerpen die zijn aandacht trokken wees hij het gezelschap op het wonderbaarlijke van een verse dampende zelfgedraaide drol.

Ik kreeg onlangs de vraag van Greenpeace om een stuk te maken over de milieuproblematiek, liefst begrijpbaar voor jongeren, een klein uur mocht het duren, met een accent op de schandalige manier waarmee wij dagelijks op grote schaal papier verkwisten. De politicus Luc Vandenbossche deed ook mee: hij had al een campagne onder de naam ‘school papier schoon papier’. En of ik daar …

Voor een strijdtheatermaker is zo’n opdracht Gefundenes Fressen. Ik zie mezelf al staan, verkleed in een triestige eik die moet sneuvelen omdat stoute kinderen hun huiswerk niet op gerecycleerd papier willen maken.

Nu wist ik het niet zo meteen. Natuurlijk vind ook ik dat we op een schandalige manier ons leefmilieu verminken. Maar wat te zeggen, ‘wat te doen?’, vroeg vadertje Lenin al. Ik heb met veel twijfels een toneelstuk gemaakt (De dag dat de Hemel neerstortte, produktie De Werf/ Brugge). Met vallende engelen, hoogmoedige reuzen, simpelen van geest die in een beschutte werkplaats een Marieke gijzelen om de onbevlekte ontvangenis te herontdekken… Ik heb verteld over de kleur van de jaarringen en de geur van een vers-geopend boek. Ik weet niet of de ongeveer 20.000 kinderen die de voorstelling hebben bijgewoond nu beter met papier, de natuur en het leven omgaan. Ik weet niet of Greenpeace en de minister opgezet waren met mijn zieleroerselen. Misschien was de kleine boodschap die verborgen zat tussen mijn engelen en demonen: ‘Mensch weest nederig tegenover het grote wondere bouwwerk der natuur’, niet besteed aan figuren die dit ondermaanse moeten regelen in wetteksten en dekreten. Ik weet het niet. Vroeger wist ik bijna alles.

2. Een tweede vorm van politiek theater waaraan ik mij bezondigd heb is de satire. Het lachen met de machtigen van deze aarde. Ik krijg nu nog oprispingen als ik denk aan de polyestergeur van de karikaturale maskers waar ik mijn hoofd heb ingestoken, om ze dansend op de scène tot leven te wekken: Reagan, Tindemans,

de paus….allemaal hebben we ze door de modder gehaald, gehekeld, het volk laten lachen met deze hypochonders van de macht. En vermits ik met mijn warhoofd de reuzeflaporen liet wapperen, weten we meteen waarom Willy Claes zo’n slecht geheugen heeft.

Maar u weet, goede lezer, dat humor en satire de institutionele structuren niet vernietigen, maar juist in stand houden. Het is bekend dat politici de grofste cartoons over zichzelf verzamelen als trofeeën. We drinken een glas, we pissen een plas en alles blijft zoals het was. En, het is geweten dat de politieke realiteit de stoutste karikatuur overtreft. Geef toe, welke scenarioschrijver zou de absurde klucht van de huidige smeergeldaffaires kunnen bedenken?

Trouwens, is dat niet de tragiek van de satiricus: als er geen slechten of bozen meer rondlopen, waar moet hij dan zijn mosterd vandaan halen. Ik denk hierbij niet aan Dyogenes, maar aan Paul Van den Boeynants. Honderden keren hebben wij deze vanzelfsprekende prooi gepakt, voor open doel hebben we ermee gescoord, platgetreden paden heraangelegd. Op zijn ouwe dag neemt hij wraak, de beenhouwer, en met stijl! De pijp wordt zelf satiricus. De vlam in de Pan. Geef toe: trop is teveel en teveel is trop.

3. De derde manier waarop ik mij aan politiek theater bezondigd heb, gold destijds als het neusje van de zalm. On the spot, op de plek van het gebeuren zelf tussenkomen met korte spitse agitprop-fragmenten, teneinde de brandhaarden aan te wakkeren. Ik heb gezongen op de barricades en stakersposten van Boel tot Sidmar, ik heb betogingen doen vollopen, ik heb betogingen doen leeglopen. Veredelde carnavaloptochten waren het, Saturnaliën, Zottenfeesten. Ik heb er sukses gekend, ik heb ellende gekend: awoert geroep, molotovs en voetzoekers; maar een artiest heeft slechts één verzoek: je veux …

Om een lief te imponeren, en omdat ik pacifist ben, liet ik me in 1973 oppakken tijdens een straattheateract. Op het Gentse Sint-Pietersplein speelde we vredelievend met een bakfiets en witgeschminkte gezichten tegen een legertentoonstelling. De Gentse politie zorgde voor een prachtig dramatisch effect door net voor het einde van ons stuk vanuit Coté Cour te chargeren.

In de gevangenis belanden, al was het dan maar in een politiecel naast dronkaards, is dat niet de ultieme kick van de politiek geëngageerde kunstenaar? Een held worden, een legende, met andere woorden, zelf onderwerp voor een toneelstuk, een film of standbeeld.

Ben ik te cynisch en negatief? Goed, Tot slot nog enkele losse opbeurende bedenkingen.

Natuurlijk moeten wij kunstenaars ons bezighouden met politiek. Alleen al omdat de politiek zich met ons bezig houdt. Nee, ik heb het niet over de verdeling van subsidiegelden. Ik heb het over het feit dat driekwart van de wereldbevolking lijdt omdat ze toevallig niet in het juiste land zijn geboren, niet de juiste huidskleur, ziekte, godsdienst of familie hebben. Omdat er te weinig politieke wil is bij de politici om echt iets aan die problemen te doen, moeten alle andere burgers, kunstenaars incluis, de machtshebbers blijvend een geweten schoppen. Of het theater daar doeltreffend voor is, betwijfel ik.

En dan nog dit. Artiest en politicus verschillen fundamenteel, en wel hierin. De politicus is bezig met het leven. Hij wil de concrete realiteit conserveren of veranderen, in ieder geval beheersen, controleren. Via macht of compromissen wil hij zijn visie doordrukken. In het beste geval wil ook de politicus de samenleving leefbaarder en aangenamer te maken, en in zijn ogen kunnen kunst en cultuur daar een rol bij spelen.

Kunst houdt zich bezig met dat wat de mens niet kan controleren: liefde, passie, driften, de kosmos en kometen, schoonheid en wreedheid van de natuur. De dood dus. Kunst is een reflectie over de twee grootste geheimen die we kennen: geboorte en gesterf. En de zucht tussen die twee polen die we het leven noemen.

Omdat we op deze echte fundamenten nooit vat krijgen, en ook omdat hij moet eten, houdt de kunstenaar zich al eens bezig met het triviale, de politiek bijvoorbeeld. Zo hoeft hij even niet te denken aan de magere demon, de wolf die om de hoek staat te wachten. Terwijl hij of zij met kinderlijke naïviteit als een tijdelijke god stoeit met klank, kleur, beweging en licht waant de artiest zich een sekonde onsterfelijk. Daarop is iedereen jaloers. De politicus misschien in de eerste plaats.

artikel
Leestijd 6 — 9 minuten

#49

15.04.1995

14.07.1995

Herwig De Weerdt

artikel