© Stefanie Claes

Leestijd 16 — 19 minuten

Zeven dialogen over ‘Katrientje’ van Barbara Claes & Lucinda Ra

In 2026 zou Katrien Claes uit Rotselaar 46 jaar zijn geworden. Dat gebeurde niet. De negen jaar oudere zus van theatermakers Stefanie en Barbara Claes, beiden deel van het theatercollectief Lucinda Ra, stierf in 1991 aan de gevolgen van een hersentumor. Met Katrientje schreef Barbara 34 jaar later een theatertekst waarmee ze het bestaan van haar zus uit het donker licht. Barbara Claes en Evelyne Coussens gaan in gesprek over het tot leven vertellen van de doden.

Les morts font de ceux qui restent des fabricateurs des récits.
(Vinciane Despret, Au bonheur des morts, 2015)

Proloog

‘Katrientje moet gered worden’, schrijft de plaatselijke verslaggever in een regionale editie van Het Laatste Nieuws. De journalist laat Denis Claes, vader van het twaalfjarige hersenzieke meisje, verder aan het woord: ‘Wij zijn bereid om, waar ook ter wereld, om het even welke behandeling te betalen’, zegt de ‘radeloze doch hoopvolle’ vader. Het korte artikeltje spoort de lezers van Het Laatste Nieuws uitdrukkelijk aan tot financiële steun voor het Steunfonds Katrientje Claes. Het is 1991. Het artikel ademt een hartverscheurende naïviteit en een ontroerend geloof in hogere machten, op een moment dat alle medische middelen zijn uitgeput. Geloof noch steunfonds zet zoden aan de dijk. Katrien Claes overlijdt niet veel later, en laat een leegte achter in het Leuvense gezin van vijf dochters.

Dialoog 1

samen met het boompje en het onkruid op haar graf
groeide een gedachte die ons de overtuiging gaf

dat we niemand nodig hebben die ons troosten
moet
want per slot van rekening het gaat toch goed

nu zoveel herfsten later sluipt en sluimert
loeiend schreeuwt
de onbeleefde rouw die was ondergesneeuwd

Evelyne Coussens   ‘Je hebt de tekst van Katrientje 34 jaar na haar dood geschreven. Ik vraag me altijd af: waarom nu? Waarom nu wél? En niet vroeger?’

Barbara Claes  ‘Eerder had het niet gekund. De ingeving kwam maar een paar jaar geleden. Ik stuurde in een opwelling naar Stefanie: “Zullen we een voorstelling over haar maken?” Zij antwoordde meteen: “Ja, is goed.” Vervolgens gaan er nog een paar jaar over voor je voelt hoe dat dan kan. Maar om op dat punt te komen moet wat gebeurd is eerst “zakken”. Ik zie dat als een fysiek proces: het moet kunnen zakken in je lijf, tot je eraan kunt.’

EC  ‘Opmerkelijk hoe mensen andere beelden plakken op dat emotionele proces. Ik zie rouw als een horizontale beweging, iets dat op afstand moet komen te staan, weg uit je lijf, zodat je de mogelijkheid krijgt om ernaar te kijken. Jij ziet het als een verticale beweging, een zwaarte die in dat lijf een andere plek gaat innemen.’

BC  ‘Ja. Maar het gemeenschappelijke punt is dat het niet te “vers” mag zijn, dat je er niet meteen bij kunt. Tijd is wat dat betreft relatief: het kan tien jaar duren, of dertig. Daarnaast speelt natuurlijk ook het feit dat wij theatermakers zijn. Ik denk dat we hebben gewacht tot we ook in ons ambacht voldoende gegroeid waren, tot we de tools beheersten om met dit onderwerp aan de slag te gaan.’

EC  ‘Toch kan ik me voorstellen dat dit een “andere” voorstelling is dan de voorstellingen die jullie eerder maakten, ook al hebben ook voorstellingen als Euthanasie met Barbara en Stefanie (2016) en ravensbrück (2023) ook een familiale wortel.’

BC  ‘Ja, dit verhaal diende andere wegen te volgen. Ik moest bijvoorbeeld toestemming vragen aan mijn moeder. Zij was de eerste aan wie ik heb gevraagd of ik de tekst kon schrijven. Ik heb haar van bij het begin zo goed en zo kwaad als kon meegenomen in het proces. Dat was niet gemakkelijk. Ze heeft in het begin veel verteld, maar vooral anekdotische dingen, minder emotionele. En toch heeft ze daar een serieuze weerslag van gekregen. Tijd heelt niet alle wonden, soms laat ze de wonden gewoon dieper inslijten. Dat ben ik door die gesprekken met haar beter gaan begrijpen. Ik ben daar in het begin misschien te achteloos, te brutaal in geweest.’

“In Katriens klas werd haar lessenaar gewoon weggehaald, alsof ze er nooit was geweest. Haar beste vriendinnetje mocht niet naar de begrafenis komen.”

EC  ‘In hoeverre was het nodig om die pijnlijke reconstructie van de feiten te maken? Veel van jouw teksten bogen op een stevig fundament van research, maar in dit geval was je ooggetuige. Je hebt dit verhaal acht jaar “geleefd”, je zou denken dat het materiaal dan makkelijker voor het grijpen ligt.’

BC  ‘Integendeel. Ik moest vaststellen dat mijn herinneringen juist heel vaag waren en soms afweken van de dingen die Stefanie zich herinnerde. Dat dus zelfs je eigen herinneringen moeten onderzocht en bevraagd worden. Er waren zoveel zwarte gaten. Daarnaast was er ook het hele medische luik, de delen die nog te vinden waren uit haar medische dossier. Voor het eerst zag ik de diagnose en de tijdlijn: op dat moment is ze geopereerd, toen was ze even beter, op dat moment is ze hervallen. Dat heb ik allemaal nooit geweten.’

EC  ‘Je hebt nooit geweten hoe de dood van je zus medisch in elkaar zat?’

BC  ‘Neen.’

EC  ‘Wow.’

Dialoog 2

DE MIE er zijn nu eenmaal dingen
die beter dan erover te klappen
mak’lijker gezegd zijn als ze zingen
om ze te kunnen snappen

EC  ‘Wat is Katrientje eigenlijk? Hoe zou je de voorstelling omschrijven?’

BC  (denkt na) ‘Ik zie het als een gezongen tekstperformance. Of een raar concert. Een vorm van muziektheater. In ieder geval is het zingen van de tekst het belangrijkste.’

EC  ‘Waarom?’

BC  ‘Omdat je via het zingen en de muziek sommige dingen makkelijker verteld krijgt. Zingen is een meer vormelijke manier van spreken: het schept afstand, waardoor de inhoud anders binnenkomt, minder zwaar. Ik wilde dat er lichtheid en spel in Katrientje zat: ik was een kind toen het allemaal gebeurde, dat wilde ik voelbaar houden.’

© Stefanie Claes

EC  ‘Op het gevaar af dat je dit al te vaak hebt gehoord: je tekst zou zo in het verzameld werk van Eric De Volder passen (toneelauteur en regisseur, gestorven in 2010, red.). De namen van de personages zijn muzieknoten, maar ook de tekst zelf is doordrongen van muzikaliteit, op een volkse manier, zoals dat bij De Volder het geval was. Dan is er wat de voorstelling betreft nog de keuze voor actrices als Ineke Nijssen en Mieke Verdin, die recht uit de De Volder-stal komen.’

BC  ‘Ik denk dat ik met De Volder vooral het verlangen deel om omwegen te maken in wat ik wil vertellen. Om iets gezegd te krijgen zijn er andere wegen dan de rechtstreekse, soms moet je ergens omheen cirkelen. Zingen is een manier om die omtrekkende beweging te maken. Daarnaast is het ook iets heel lijfelijks, iets dat je lichaam in beweging zet.’

EC  ‘De dans met het onderbewuste.’

BC  ‘En een collectieve trilling. Iemand als Ineke voelt dat enorm goed aan. Zij was degene die steeds zei: “Het belangrijkste is dat we het samen doen.” Terwijl we zingen staan we naast elkaar, niet tegenover elkaar. Zo zie je het vaak bij families: er is nabijheid maar ook afstand, de gezinsleden kijken elkaar niet in de ogen. Ze klinken in harmonie of disharmonie. Maar ze klinken wel samen.’

Dialoog 3

de familie loopt door de steeg
hun huis is leeg
ze keren terug
in hun zwarte jas
naar het leven zoals het was
het leven zoals het was

EC  ‘Er zit een grote paradox in Katrientje: zij zelf is onderwerp van de tekst, maar komt nauwelijks aan het woord. Alleen in een paar—hartverscheurende—brieven aan haar beste vriendinnetje horen we haar stem. Ook hier geldt de omtrekkende beweging: Katrientje krijgt alleen contour door het gezin, de gemeenschap en de samenleving rondom haar. In het midden van dat samenzijn schittert zij als een onpeilbaar zwart gat.’

BC  ‘Ja. Meer nog dan over een kind dat sterft gaat Katrientje over een gezin dat niet spreekt, een samenleving die wegkijkt. In haar klas werd haar lessenaar gewoon weg­gehaald, alsof ze er nooit was geweest, nooit had bestaan. Haar beste vriendinnetje, naar wie ze die brieven schreef, mocht niet naar de begrafenis komen.’

EC  ‘Dat is choquerend. Ze wordt gewoon niet meer aanwezig gesteld. We spreken over de jaren 1990. Vandaag zouden er bloemen zijn in die klas, kaarsjes, knuffels.’

BC  ‘Ik denk het, ik hoop het. Maar zo was het toen. Niemand kwam ons iets uitleggen. De medische wereld zweeg totaal. In ons gezin daalde een absolute stilte neer. Mijn moeder heeft een tijdlang gezegd dat ze “vier dochters” had, in plaats van vijf. Een bestaan van twaalf jaar, gewoon ontkend.

‘Aan de aanwezigheid van de dood waren Stefanie en ik gewend: een groot deel van ons bewuste leven was Katrien ziek. De dood was altijd in huis. Ik herinner me dat ik dat als kind helemaal niet zo moeilijk vond, dat ze ziek was. Ik herinner me nog heel precies dat ik niet begreep waarom iedereen zo triestig was toen ze uiteindelijk stierf. Die dag zelf of de avond erna maakte ik een tekening voor mijn moeder, maar ze wees die af. Ik begreep dat niet. Pas toen er achteraf niet meer over gesproken werd, ontstond er een rare, ongemakkelijke verhouding met de dood. En met het leven, haar leven, dat er was geweest. Voor ze stierf was de mogelijkheid van haar sterven in alle talen ontkend: het kon niet, het was ondenkbaar, onuitspreekbaar. Toen het dan toch gebeurde, leek dat voor iedereen als een verrassing te komen, en daarna moest het zo snel mogelijk worden weggemoffeld.’

EC  ‘Is dit waarom jullie Katrientje hebben gemaakt: om het bestaan van jullie zus te bekrachtigen, te erkennen?’

© Stefanie Claes

BC  ‘Ja. Om het zwijgen te doorbreken, eindelijk iets tegenover de leegte te plaatsen. Dat is wat me bijblijft: de leegte, errond en erna. Iemand valt weg, mensen kijken weg van die lege plek, waardoor het gevoel van leegte nog wordt versterkt. Hoe krijg je die plek weer gevuld? Wat kun je daar als gezin tegenover plaatsen? Dood ben je pas als je wordt doodgezwegen. Een van mijn sterkste ervaringen in verband met het sterven vond plaats in Varanasi—de specifieke plek aan de Ganges in India waar volgens hindoegebruik de doden worden verbrand. Die lijken worden daar aan de lopende band door de straten gedragen, op brancards, en aan de oevers van de rivier op houten constructies in brand gestoken. Dat is iets heel fysieks, het duurt ongeveer drie uur voor een lichaam is verbrand, de kop is het laatste wat overblijft. Maar elke dode krijgt dezelfde, intense zorg. Er zijn rituelen, de hele familie is aanwezig. De gezamenlijkheid rond een overlijden is daar zo groot. Dat is wat wij vooral nodig hebben bij een sterven: elkaar.’

“Mijn moeder heeft een tijdlang gezegd dat ze ‘vier dochters’ had, in plaats van vijf. Een bestaan van twaalf jaar, gewoon ontkend.”

Dialoog 4

DE SIE BEE MOL en dan is nu aan de beurt
gevallen
Siegfriet de Paranormale genezer

DE DO met zijn grote handen genas hij mensen
van ziekten door zijn handen daar op te leggen
en hij deed ook geesten oproepen.

(…)

DE MIE zo ook Katrientje na haar dood
want haar genezing die bleef uit
beloofde hij dat ze in het groot
zou verschijnen voor de afgeplakte keukenruit

EC  ‘In de kleine landelijke gemeenschap die je in Katrientje zo secuur schetst, speelt “het geloof” nog een belangrijke rol. Op een gegeven moment—zie ook het artikeltje in Het Laatste Nieuws—wenden je ouders zich in wanhoop zelfs tot paranormale goeroes: nadat Katrien is gestorven, belooft de man in kwestie haar opnieuw te laten verschijnen.’

BC  ‘Mijn ouders klampten zich aan die man vast, vooral mijn vader. Vlak na haar dood bezochten ze hem wekelijks, Stefanie en ik gingen dan mee. Hij werkte met zo’n spelbord om geesten op te roepen, je kent dat wel, elke scouts doet dat weleens. Wij mochten vragen voor haar op een papiertje schrijven, het bord gaf haar antwoorden door. Hij beloofde ook om haar zichtbaar te maken, maar dat is nooit gelukt. Zoiets blijft wel bij. Als je klein bent, geloof je echt dat dat gaat gebeuren.’

© Stefanie Claes

EC  ‘Als je groot bent, blijkbaar ook. Het zou makkelijk zijn om laatdunkend te doen over de naïviteit van je ouders, maar ik begrijp hun wanhopige verlangen naar troost. Toen een jeugdvriend van mij stierf, als tiener, zag ik hoe alleen het geloof in Jezus zijn ouders redde van de totale ondergang. Soms ben ik jaloers op mensen die geloven, al was het maar in een charlatan. Mijn zoon van 10 heeft dat ook: hij benijdt zijn vriendje diens vertrouwen in Allah. “Alles wat gebeurt heeft voor Yassin een reden,” zegt hij, “terwijl ik geen reden zie”. Het kleine verhaal van het leven zit comfortabel gekaderd in een groter verhaal, dat je tenminste niet zelf meer moet schrijven.’

BC  ‘Ik denk dat het veel rust geeft om zo’n verhaal te hebben, welk verhaal dan ook. Mijn vader is zeer lang naar die gebedsgenezer blijven gaan. Hij geloofde in reïncarnatie. En toen hij stierf, zei hij: “Ik ga terug naar haar.” Maar hij moest dat verhaal wel zelf schrijven, individueel en op eigen kracht. Dat is waartoe we in het Westen veroordeeld zijn: onze eigen stukjes bijeen puzzelen. Aan de oevers van de Ganges is er een breed gedeeld verhaal.’

Dialoog 5

wij plakken al de jaren alle feiten aan mekaar
om beter te verstaan wat exact gebeurde daar

EC  ‘Verhalen staan garant voor zingeving. Jullie hebben in zekere zin hetzelfde gedaan als je vader, zij het op een andere manier. Ook jullie hebben, bij gebrek aan dat grotere alomvattende verhaal, een verhaal gemaakt dat grip geeft op het ondenkbare, het onvoorstelbare: de dood van een kind. Tegelijkertijd biedt Katrientje inhoudelijk geen soelaas: het verklaart, duidt, rationaliseert de dood van Katrien op geen enkele manier. De dood is daar, klaar.’

BC  ‘Zo banaal is het ook. Ik ben er al schrijvend achter gekomen dat de vraag “waarom” voor mij niet zo belangrijk is.’

EC
katrientje
zusje kindje
bondgenootje
werd stil
gelegd
en daarmee
is alles
gezegd
echt
echt

‘Ik vind dat verschrikkelijke regels. Maar ze bevatten in mijn ogen de kern van wat je in je tekst de verzwegen, ongemakkelijke, angstaanjagende—bijna nietzscheaanse—“waarheid” noemt: er is geen zin, geen verhaal, geen verlossing. Het leven is geen Disney-film. De dood is niet eerlijk of rechtvaardig. Katrien heeft gewoon brute pech gehad.’

BC  ‘Ik vraag me soms af hoe zij zelf met die waarheid omging. Je kan dat gegeven theoretisch snappen en aanvaarden, maar wat als je ervoor staat? Als kind? De brieven die zij aan haar vriendinnetje schreef, staan bol van de anekdotische feitelijkheden—nooit schrijft ze over haar ziekte, haar pijn. Ze verveelt zich, ze puzzelt, Helmut Lotti staat op één in de Ultratop. Ik herinner me ook niet dat ik haar ooit heb horen klagen. De menselijke geest kan rare sprongen maken. Misschien kende en zag zij “de waarheid” heel helder? Of misschien blokte ze alles af? We gaan nooit weten hoe het voor haar was.’

EC  ‘Ik blijf haken aan die paradox van de “onbevredigende” vertelling. Het scheppen van een voorstelling is een inherente daad van zingeving, terwijl Katrientje ons inhoudelijk juist confronteert met de enorme banaliteit van de dood—en daarmee ook het inzicht dat verhalen illusies zijn. Je laat ons qua troost op een koude steen vallen.’

BC  ‘Tegenover dat gebrek aan inhoudelijke zingeving kan ik maar één ding zetten, denk ik: een artistieke taal. De vormgeving ís de zingeving.’

EC  ‘Dat begrijp ik. Maar de onemotionaliteit van je schriftuur—een laconieke toon die ik trouwens ook in je andere teksten bespeur—werpt voor mij nog een tweede paradox op. Katrientje is een heel ondramatische tekst met een zeer dramatische inhoud. Het banale verhult een diep onvermogen tot emotionaliteit—alweer zeer devolderiaans. Maar loop je met die—schijnbare?—weigering tot emotionaliteit niet vooral in het spoor van je ouders, je gezin? Je doet in zekere zin wat je omgeving de hele tijd deed en wat ook jou werd voorgehouden als de juiste manier van doen: erdoorheen gaan, want het leven gaat door. Tegelijkertijd wijs je natuurlijk met een hele grote vinger naar datgene waarover niet wordt gesproken. Daarmee is jouw schriftuur terzelfdertijd een grote herhaling van een vermijdende attitude rond de dood, en een en al verzet daartegen.’

BC  ‘Het is de dubbelheid die in elk kind schuilt, zeker? De herhaling én de weerstand. Binnen ons gezin is de omgang met Katrientjes dood heel uiteenlopend. Mijn moeder en mijn oudste zus hebben de voorstelling gezien, mijn andere zus niet—het blijft heel moeilijk voor haar. Ik ben daarvan geschrokken. Ondanks het feit dat je er een hele voorstelling aan wijdt, blijken er achteraf nog steeds geen woorden om erover te spreken.’

Dialoog 6

DE FA KRUIS en in deze her-ingekleurde histoire
beoefenaare wij de commentaare
want geen mens alleen kan de rouw op’t lijf
dragen daarom staan w’ hier met vijf

EC  ‘Nochtans is dat spreken, dat gedeelde spreken aan de hand van een kunstwerk, zo belangrijk. Voor jou en voor Stefanie, in de eerste plaats.’

BC  ‘Het schrijven en maken van Katrientje heeft een grote impact gehad op hoe wij vandaag met dat verleden kunnen omgaan. We kunnen er nu over spreken over en door ons werk, voorbij onze privégeschiedenis. Spreken over je artistieke werk creëert een grotere vrijheid dan spreken over je familie. Katrientje heeft in die zin heel wat opengebroken.’

“Ondanks het feit dat je er een hele voorstelling aan wijdt, blijken er achteraf nog steeds geen woorden om erover te spreken. Ik ben daarvan geschrokken. ”

EC  ‘Pas nu valt het me op hoeveel voorstellingen binnen Lucinda Ra een sterke autobiografische wortel hebben. Ik heb het oeuvre van het collectief altijd eerder gezien als sterk politiek of maatschappelijk gekleurd. Niet dat zoiets het persoonlijke verhaal in de weg staat, maar het perspectief lijkt me nu plots omgekeerd: vanuit het intieme naar het maatschappelijke. Ik denk aan Euthanasie (over de euthanasie van de vader), aan ravensbrück (over het kampverleden van de grootmoeder), aan Akaaremoertoe Bahikoeroe (over het zwijgen van een kleine gemeenschap)…’

BC  ‘Binnen Lucinda Ra heeft elke maker natuurlijk zijn eigen perspectief. Simon (Allemeersch) is bijvoorbeeld meer bezig met de analyse van grote systemische structuren, ook vanuit zijn academische achtergrond, maar uiteindelijk voeden en beïnvloeden al die lijnen elkaar. Je kunt analyses maken vanuit intieme familiegeschiedenissen of vanuit systemen, maar echt interessant wordt het wanneer beide perspectieven elkaar vinden. Hoe dan ook is er binnen Lucinda Ra altijd die reflectie van een groter verhaal, een samenleving.’

EC  ‘Is dat ook de reden dat er, na het schrijven van de tekst, een voorstelling moest komen? Om via een livepubliek ook die samenleving te betrekken, als getuige en gesprekspartner?’

BC  ‘De tekst was er eerst. Maar af en toe bekroop me de angst dat de tekst in het niets zou verdwijnen, dat het verhaal in het niets zou verdwijnen, zoals zij ook in het niets is verdwenen. We vonden het belangrijk om ook een “levende” dialoog op te zetten. Zodat er iets in beweging kan komen. Er is rond die thematiek nog zoveel te doen.’

EC  ‘Moet Katrientje iets dóén, eerder dan iets vertellen of tonen?’

BC  ‘Ja. Het heeft zoals gezegd voor ons en ons gezin al veel gedaan—ik heb de reactie van mijn moeder beter kunnen plaatsen, haar perspectief beter leren begrijpen. Maar hopelijk laat de voorstelling ook bij anderen iets ontstaan. Katrientje mag een “handeling” zijn, eerder dan een voorstelling. Het mag iets losmaken, een gesprek op gang trekken. Zonder menselijke interactie is zoiets moeilijk. We waken er wel over dat we Katrientje alleen in de juiste contexten speelt. Op de juiste plekken. We gaan er nooit een grote tournee mee doen. Dat is dan maar zo.’

© Stefanie Claes

Dialoog 7

Huilen is voor wolven
janken voor de kat
blèren van den hond
Wenen is een stad

EC  ‘Je kent de dood van dichtbij, je hebt die al meerdere keren de hand geschud. Dat schept, ook in mijn eigen ervaring, een soort kameraadschap. Zoals in het gedicht van Eddy Van Vliet: “Dood (…) Kom binnen (…) Je bent geen onbekende (…) Veeg je voeten en wees welkom.” Ben je vandaag bang voor de dood?’

BC  ‘Niet echt, denk ik. Er is iets, en dan is het er niet meer. Ik vind dat niet erg, ik heb daar geen probleem mee. Toen mijn vader doodging, stond ik daar heel dicht bij. Ik herinner me nog het moment vlak erna, toen ik dacht: “Oké, dit was het dan, goed.” Het is een lichte herinnering, niet iets om bang voor te zijn. Ik ben eerder bang voor alles voor en rond de dood: ziek zijn, lijden. (denkt na) Eigenlijk zijn we banger om te leven dan om dood te zijn.’


Katrientje, met Stefanie Claes, Ineke Nijssen, Dett Peyskens en Mieke Verdin, is op 28 mei 2026 te zien in Museum Dr. Guislain, Gent.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

interview
Leestijd 16 — 19 minuten

#182

15.04.2026

14.09.2026

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!