‘Zestien Scènes’ – Maatschappij Discordia – Foto Bert Nienhuis

Dirk Verstockt

Leestijd 4 — 7 minuten

Zestien scènes

Maatschappij Discordia

Met de regelmaat van een klok treedt Maatschappij Discordia bezuiden de noordgrens aan. De aanwezigheid van het gezelschap op Vlaamse podia vindt zijn oorsprong in het Stuc te Leuven. Nadien volgden Nieuwpoort en Monty als vaste stekken. Bij Discordia ga je op bezoek en de huizen daarvoor kiest het gezelschap secuur uit.

Via het Kaaitheater en de Beursschouwburg groeide ten slotte de band mei Brussel, wat zich vertaalde in een indringende aanwezigheid op de twee Bruzzle-festivals. Met de allure van een ultradoorloop, werd aan een publiek gebouwd, een moeizame bezigheid, gemeten aan de publieke opkomst voor Zestien scènes in Brussel. Begin november trad Discordia ook nog aan als ‘stukkenlezer’ op het Stekelbeesfestival te Gent, waarbij The Hunting of the Snurk (van Paul Pourveur, naar Lewis Carroll) tot een frisse salade herlezen werd.

Het weerzien vond ook dit keer plaats m Gent waar Zestien Scènes in première ging. Een première van Discordia is op twee manieren een belevenis: je bent benieuwd naar wat zij nu weer uitgekakt hebben, maar je weet ook dat die première voor hen bijna een zo-kan-het-er-ongeveer-uitzien-karakter heeft. Het eigenlijke scènewerk begint pas na de première zodat je altijd nog eens terug moet gaan om te weten wat de evolutie geweest is en hoe het weer verder kan evolueren. Het was de eerste keer dat we dit werk in Vlaanderen konden volgen. De twee voorstellingen die ik zag, waren duidelijk verschillend naar inhoud en gebruik van ruimte, het ene een keuze van het gezelschap om bepaalde teksten te laten vallen, andere op te pikken, de volgorde door elkaar te gooien, het andere onder dwang van de verschillende ruimten.

Bij monde van een programmablad verklaarden de Discordianen dat zij een greep deden uit hun repertoireschrift, er zestien scènes uithaalden, maar dat hun eigen dada’s en de collectieve herinnering ook meespeelden. Dat ook de ‘herinnering’ aan recente politieke gebeurtenissen zou meespelen, bleek ondubbelzinnig uit de stukken krant van eind december, waar het programmablad tussen geschoven was.

Buster Keaton op video, later het journaal. Een avondje televisie. Matthias de Koning op uit de zaal, met een gevuld dienblad. In de slechtste Keaton-traditie rammelen kopjes en schoteltjes even later over de speelvloer. Hij gooit ons Kras voor de voeten. Onhandig gescharrel. Jan Joris Lamers naar voren, Viviane de Muynck in het kielzog, voor een inleiding. De zestien scènes zijn er achtentwintig geworden. Maar, legt Lamers uit, zestien blijft een cruciaal cijfer als kwadraat van de vier zijden van de scène, waarlangs gespeeld wordt. Het theater zelf is binnen de kale, schone ruimte van Nieuwpoort ook een reminiscentie. In de vorm van een hoopje oud ijzer tegen de achterwand, door Lamers benoemd als de trofeeën. Vergeten mise-en-place-bepalingen als cour en jardin, vooraan links en rechts aangegeven door kleine speelgoed-objecten, markeren geen reële doorgangen of coulissen meer. Zelfs de gewone doorgangen van en naar de kleedkamers in Nieuwpoort zijn afgesloten.

Lamers murmelt iets over verboden deuren. De Discordianen wringen zich door een spleet in de achterwand de scène op; de smalle weg van scène naar echt? De Muynck vertaalt simultaan, discreet en met onnoemelijk flegma. Lamers legt uit dat dit met het oog op 1992 noodzakelijk is, want waar zal Discordia met zijn niet-exporteerbaar teksttheater dan staan?

Dat de voorstelling onherroepelijk over hier en nu zou gaan en over mogelijke verhoudingen van theatermakers tot dat hier en nu, bleek ook uit de couleur locale die Lamers zijn inleiding meegaf, zoals de verbouwingen in de Beursschouwburg.

Maatschappij Discordia is het eerste gezelschap dat via een voorstelling expliciet zijn commentaar op de ingrijpend veranderde wereld vertaalt. Dit doen zij terwijl het overgrote deel van hun collega’s doet alsof zijn neus bloedt, navelstaart of een gelukstreffer scoort zoals Ivo van Hove met Richard II. Goed, planning en organisatie van instituten laten dat niet toe, maar de flexibiliteit van Discordia is een zelfgecreëerde noodzaak. Zij hebben het niet alleen over de impact van de politieke ontwikkelingen, ook over de jaren negentig tout court: hoe wij er nu voorstaan, hoe complex en verwarrend de immer fluctuerende realiteit, die opeenvolging van gebeurtenissen, is, wat de plaats van het theater daarin kan zijn.

Na de inleiding start de potpourri van scherven teksten, flarden roman, lappen dialoog, een enkel gedicht. Alleen of met twee wandelen ze de lege scène op en af, melden zich reeds aan voor de vorige scène is afgelopen, doen hun ‘stukje’ om later in een totaal andere outfit met een nieuwe scène aan de slag te gaan. En zo passeren het sprookje van het onbestaande lelijke Russische eendje (‘In Rusland zijn geen lelijke eendjes, alleen dikke vette eenden die voor de export bestemd zijn, maar dat is een ander sprookje’) en een fragment uit Heldenplatz van Thomas Bernhard. Frieda Pittoors mitrailleert de ontmaskering van de Oostenrijkse hypocrisie (en de onze) het publiek in, even ironisch opstandig als Bernhard het bedoeld moet hebben (‘Het is nu aan anderen om te protesteren). Even doet Viviane de Muynck haar Andy Warhol-paradoxen uit Gesammelte Irrtümer nog eens dunnetjes over, waarop Nicholas Nickleby van Charles Dickens tevoorschijn wordt gehaald. Ditha van der Linden en Gerrit Bons laten de naamafroeping en mishandeling van een aantal schoolkinderen klinken als de lijst van godvergeten weeskinderen onder een uitzinnig en moordend regime. Op die manier dragen zij actualiteit en geschiedenis af en aan, via Turandot in nog meer Bernhard (‘Alleen een klootzak denkt dat ie een klootzak is’). Molière, Tsjechov, Goethe, Beckett, Strauss, Rijnders (‘Wie de zee van de macht opvaart, heeft het verstand van een drenkeling’), Claus… Diegenen die je niet kan achterhalen schenken ze je, onderbroken door een broodnodige pauze, directe en indirecte associaties, eigen herinneringen, verbanden en vooral veel ‘tiens’. In die stroom is het hard werken voor spelers en kijkers. Veel wordt er niet gegund. Theatrale effecten worden tot een minimum herleid – het draait vooral om de woorden — behalve de kostumering. De meest waanzinnige kostuums worden ‘geshowd’, waarin mannen vrouwen worden en omgekeerd, van onnozele brilletjes tot Tirolerhoedjes, van bloot onderlijf tot lange Russisch aandoende mantels, van bijna Katherine Hamnett tot stijf-deftige smoking. Naar de zwarte avondkledij van het begin keren ze terug om de revue af te sluiten, waarbij Lamers een bloemenkrans op het hoofd draagt, wat mij doet denken aan het Indiaanse opperhoofd Raoni op een deftige receptie. Matthias de Koning wandelt weer de scène op en ditmaal zijn de kopjes gevuld. Theedrinkend staan ze daar, losjes op een rij terwijl een korte opera van Walter Hus weerklinkt. Er gebeurt niets tenzij drinken en staan, af en toe een woordje tegen elkaar, maar die aanwezigheid van persoonlijkheden is zo dwingend dat je als kijker bijna zwijgend met hen nakaart over wat er allemaal de revue gepasseerd is, je langzaam mee tot rust komt, goed wetend dat de voorstelling al voorbij is maar dat het ‘goed’ toeven was.

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 4 — 7 minuten

#84

15.12.2002

14.03.2003

Dirk Verstockt