Domien Van Der Meiren

Leestijd 4 — 7 minuten

X-rated

Dames en heren, geachte toehoorders, beste liefhebbers,

Mede namens het toneel- en theaterinstituut Arca, Stichting De Mol en aanverwante gezelschappen is het mij een fantastisch genoegen een deel van deze State of the joeng te mogen volbrengen. Mijn drie jonge en okselfris geurende ad-hoc-collega’s zullen dit straks alleen maar beamen en bevestigen.

Er heerst vandaag de dag bij een zekere generatie een spookbeeld: de paradox van de jongen die zijn ouders verwijt dat hij niet werd mishandeld en daarom nu geen gedichten kan schrijven… We hebben het als jonge gasten duidelijk te goed, we zijn te verwend, er zijn te veel mogelijkheden, we zijn te gewatteerd, enz. Elke fles schuimwijn van 49 fr. wordt tegenwoordig tot veuve cliquot verheven. Het schuimt allebei maar van die eerste krijgt ge wel koppijn. Kortom de veelheid heeft het engagement ingepalmd. Vraagt kunst immers geen loutering, hoor ik u spontaan vragen; ascese leidt immers tot God.

Diezelfde generatie heeft de typische fatalistische reactie van de socioloog in zich om overal tot die ene kernzin te komen: elk systeem bevestigt zichzelf. Woorden als sclerose, canonisering, dichtslibben, weg van het centrum en terug naar het centrum worden dan boven gehaald om iets te kunnen duiden en in een hokje te passen. Periferie en centrum zijn echter uitgeholde begrippen geworden en ze worden gehanteerd door mensen die trouw blijven aan de culturele praktijken van hun wilde jaren. Het is een ancien-régimereflex in een wereld die uit zijn voegen barst. In een periode waar het centrum de marge heeft opgevreten en omgekeerd, is het dus aangewezen op zoek te gaan naar een nieuw begrippenkader. Ad-hoc-collega Clara Van den Broek kan u daar ongetwijfeld veel meer over vertellen.

Daarbij komt nog dat het eeuwenoude vader-zoonconflict (subsidiënten/makers) elke dag aan belang inboet. De subsidies zijn met 300 miljoen verhoogd maar het decreet eist bijlange niet zo een grote return. De onafhankelijkheid vergroot en de mogelijkheden zijn dus bijna oneindig. Is het dan verwonderlijk, of voor sommigen zelfs verwerpelijk, dat jonge toneelmakers een stukje van die grote cake willen meepikken? Theatermensen zijn nu eenmaal kinderen die vanaf het moment dat ze een stuk speelgoed zien liggen in de etalage dat stuk speelgoed ook moeten hebben. In ons geval zijn de ouders rijker geworden en dus vrijgevig. Het is goed toeven in die speeltuin. Vraag is hoelang deze de onze is. De peuters krijgen immers nauwelijks tijd volwassen te worden.

Dat systeem van veelheid heeft er wel voor gezorgd dat toneelmakers jazzmuzikanten geworden zijn. Polyvalente veelvraten. De ongebreidelde creativiteit van de jonge kunstenaar viert hoogtij. En dankzij het overaanbod van nieuwe media met hun perfect gemaakt melodrama, porno en prachtig in beeld gebrachte aangespoelde walvissen en bootvluchtelingen kunnen we als makers eindelijk op zoek naar nieuwe inhouden. Een wijsheid die Filip Vanluchene me een aantal weken geleden aan de hand deed. Toneel kan weer gaan om een verhaal. Toneel kan het weer hebben over een maatschappelijk engagement. We kunnen het cynisme eindelijk de deur wijzen. We maken ons geen illusies over toneel als nieuwe houvast in onze maatschappij maar we kunnen wel proberen het kader mee in te vullen.

Jonge toneelmakers willen nog steeds zelf kiezen en zelden gekozen worden. Een begrip van alle tijden, ware het niet dat deze toneelmakers vandaag de dag 1001 keuzemogelijkheden hebben. Wij kunnen alleen maar zeer hard roepen: bravo, hoera, driewerf hoera. Iedereen is jong en dus per definitie ook beloftevol. Maar kunstenaars mogen geen slachtoffer worden van het Stoica-dilemma: een voetballer die op zijn 34ste nog het epitheton ‘jong en beloftevol’ opgekleefd kreeg.

Jong en dynamisch wil niet zeggen onbezonnen en overhaast. Investeren in jonge mensen wil niet zeggen: een kans geven en dan bedanken voor bewezen diensten. Al te snel krijgen we het stigma jong, hip en trendy opgekleefd. Mee begeleiden en een traject kiezen. Zekerheden bieden zonder te verstarren. Geef ons de kans om te zeggen: ‘k zou ‘t begot nie weten…

Of zoals één van de personages van diezelfde Vanluchene opmerkte:’ Wat moet ik mij vragen stellen? Waarop de andere zegt: ‘Als wij ze ons niet stellen – waar ze die plannen tekenen stellen ze er zeker geen. Een kruis erover, in twee dagen ligt er alleen nog een laag steengruis. We zullen het geweten hebben. Als ge u niet tijdig vragen stelt, breken ze het af terwijl ge er nog in zit.’

Laat hier, op deze plek, in de enige stad waar twee maal zoveel mensen naar theater gaan als naar voetbal (al zegt dat misschien iets over de kwaliteit van het voetbal, dixit Dirk De Corte), een warme oproep opstijgen voor het systeem van witte plekken zoals we ze bij onze noorderburen kennen. Een programma dat pas op het laatste moment vorm krijgt. De culturele sector lijkt stilaan op een behoorlijk uit de hand gelopen paradox: iedereen wil het nieuwste prototype luxe cabrio maar het moet wel vier jaar op voorhand worden besteld. De race om mee te zijn met de tijd in het dorp dat Vlaanderen heet. Weg met die langetermijnplanning waar tot 2007 alles reeds volgeboekt ligt.

Deze tamelijk gelukkige mens heeft u nog één ding te zeggen: Jonge makers aller landen, doet elk uw eigen ding, weest waakzaam en gelukkig, weest opmerkzaam en veelzijdig, probeer nooit belangwekkend te wezen maar het te zijn, neem tijd om u te verwonderen over de complexiteit van onze wereld, absorberen, opzuigen en dan presenteren, maak toneel dat de kleine mens in al zijn doen en laten toont en ga op zoek naar de mythes van de 21ste eeuw…

Of zoals Obelix ooit uitriep in opperste extase na het vinden van de lauwerkrans van Caesar: Broeva! Haro!

 

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 4 — 7 minuten

#78

15.10.2001

14.01.2002

Domien Van Der Meiren