Paul Corthouts

Leestijd 5 — 8 minuten

Wordt het een warme lente?

Eind december nam minister Martens een ongewone beslissing m.b.t. de subsidiëring in het kader van het podiumkunstendecreet. Voor wie het allemaal niet meer kan volgen, zet Paul Corthouts alles even op een rijtje. Hij voegt er ook enkele (mogelijke) gevolgen aan toe.

In de laatste dagen van 1995 werden drie besluiten goedgekeurd in verband met de erkenning en subsidiëring van organisaties voor dans, muziektheater en kunstencentra voor de periode 1997-2000. Hiermee slaagde de Vlaamse Gemeenschapsminister van Cultuur er formeel in om binnen het wettelijke tijdskader te blijven en behield zo de mogelijkheid om vanaf begin 1997 een eigen stempel op het podiumkunstenlandschap te drukken.

Het podiumkunstendecreet van 27 januari 1993 bepaalt dat de Vlaamse regering moet beslissen over de verdere erkenning en subsidiëring van reeds erkende organisaties, op basis van een advies van de bevoegde raad, vóór de start van het laatste seizoen van de lopende erkenningsperiode. Indien de Vlaamse regering zou nalaten tijdig een beslissing te nemen, dan worden de lopende erkenning en subsidiëring met één seizoen verlengd (art. 45, §1 en 2).

Over nieuwe aanvragen tot erkenning en subsidiëring van een structurele werking binnen het podiumkunstendecreet dient de Vlaamse overheid eenmaal per vier jaar, maar uiterlijk zes maanden voor de start van de nieuwe subsidiërings- en/of erkenningsperiode te beslissen (art. 46 §1).

Concreet betekende dit dat, om vanaf 1 januari 1997 de situatie voor wat betreft de kunstencentra en de organisaties voor dans en muziektheater te kunnen actualiseren, er voor 31 december 1995 een beleidsbeslissing moest zijn over de eerst vermelde categorie. Uiterlijk op 31 juni 1996 moeten de knopen doorgehakt worden voor wat betreft de nieuwe initiatieven.

Gefaseerde aanpak

Al was het voor de sector wel duidelijk dat de minister vóór de jaarwending een beslissing zou nemen, toch wekte de inhoud ervan enige verwondering. Redelijkerwijs mocht immers verwacht worden dat de ministeriële beslissing de huidig gesubsidieerde organisaties voor dans, muziektheater en kunstencentra niet alleen uitsluitsel zou geven over hun voortbestaan, maar ook zou laten weten met welke enveloppe ze de volgende vier jaar konden werken. Dit werd maar voor de helft bewaarheid. De drie besluiten bepaalden dat de erkenning voor de organisaties die reeds erkend waren en positief beoordeeld werden door hun respectieve adviesraad, verlengd werd voor een nieuwe periode van vier jaar. Maar over de inhoud van hun subsidie-enveloppe werd nog geen definitieve uitspraak gedaan. Men stelde enkel dat de individuele toelage minimaal gelijk zou zijn aan het bedrag dat in 1995 was voorzien, tenzij er een lager bedrag werd geadviseerd. De Vlaamse regering deelde wel mee dat zij zich engageerde om in de lente van 1996, samen met de erkenningen van nieuwe organisaties voor dans, muziektheater en kunstencentra, de definitieve subsidie-enveloppes te bepalen voor de tijdspanne 1997-2000.

Als reden voor deze gefaseerde aanpak voerde de Gemeenschapsminister van Cultuur in zijn persmededeling aan dat hij een goed onderbouwde beslissing wou nemen voor de komende periode van vier jaar. Er mag aangenomen worden dat de minister hiermee niet enkel doelde op de pure inhoud van zijn besluit, ook al vond hij het wellicht niet ongevaarlijk en iets te overhaast om, na slechts enkele maanden beleidsbevoegdheid, een groot deel van het podiumkunstenlandschap tot en met het jaar 2000 in te kleuren.

Belangrijker lijkt het financiële aspect. De beslissing die nu moest genoemen worden, handelt over uitgaven met betrekking tot een periode waarvoor de Vlaamse regering nog geen begroting heeft opgemaakt, laat staan goedgekeurd. Bijgevolg stelde zich de vraag in hoeverre een minister zich kan verbinden, wanneer deze verbintenissen slaan op begrotingen die nog niet decretaal zijn vastgelegd. Begrotingstechnisch was het voor de cultuurminister binnen de gestelde termijn haast onmogelijk om zijn collega’s ervan te overtuigen om op toekomstige begrotingen een ander – hoger – bedrag aan middelen vrij te houden dan in de huidige situatie het geval was.

Onzekerheid

Dit alles leidt er echter toe dat de reeds gesubsidieerde organisaties blijven zitten met een groot vraagteken. Zij zullen pas zowat een half jaar later dan voorzien – dus een half jaar voor aanvang van het volgende seizoen -zekerheid krijgen over hun financiële middelen. Dit kan voor bepaalde initiatieven problemen met zich meebrengen.

De decretale termijn van kennisgeving heeft immers niet alleen tot doel om instellingen die niet langer subsidie zullen ontvangen voldoende tijd te geven om hun structuur aan te passen. Zij laat ook toe dat de instellingen die wel verder ondersteund worden even tijdig werk kunnen maken van de artistieke invulling voor de subsidieperiode in kwestie. Zeker binnen het gevestigde circuit worden contracten met artiesten vaak meer dan een jaar op voorhand gesloten.

Een andere kwestie is de adviesprocedure, die liep niet geheel volgens het boekje. De uitvoeringsbesluiten bij het podiumkunstendecreet schrijven voor dat, in het kader van het onderzoek betreffende de aanvraagdossiers, de bevoegde adviesraden een voorlopig advies meedelen aan elke organisatie in kwestie. Deze kan binnen tien werkdagen nadat het advies verstuurd is, in hoger beroep gaan. Pas daarna legt de raad zijn definitief advies voor aan de Vlaamse regering.

Bij het nemen van de ministeriële beslissing van 99 december 1995 werd deze gang van zaken niet helemaal afgewerkt. De organisaties konden wel binnen de voorgeschreven termijn reageren op de pre-adviezen; de adviesraden van hun kant kregen echter niet meer de kans om de opmerkingen van de instellingen te verwerken in een definitieve tekst. Noodgedwongen waren het dus de preadviezen – weliswaar met de reactie van de instellingen in bijlage – die werden doorgestuurd naar de minister.

Er zijn dus twee redenen waarom de reeds bestaande organisaties voor dans, muziektheater en kunstencentra zich aangetast zouden kunnen voelen in hun rechten.

Globale aanpak?

De facto zullen echter enkel die instellingen die negatief werden beoordeeld eventueel juridische stappen overwegen. Het valt immers te betwijfelen of de initiatieven die nu meegedeeld kregen dat ze er in de volgende periode van vier jaar nog bijhoren, de ministeriële beslissing zullen aanvechten. Het is inderdaad zo dat zij nog enkele maanden moeten wachten op hun reële subsidiecijfers en dus hun artistieke plannen voor het jaar 1997 nog niet kunnen finaliseren. Van de andere kant werd er door de recente overheidsbeslissing een situatie geschapen die voor deze instellingen voordelig kan zijn.

In het voorjaar van 1996 worden immers niet alleen de uiteindelijke subsidiebedragen voor al de organisaties voor dans, muziektheater en kunstencentra vastgelegd; in die periode moet ook de beslissing vallen over de toelagen voor de organisaties voor Nederlandstalige dramatische kunst, m.a.w. de theatergezelschappen. In het podiumkunstendecreet worden twee tijdsindelingen gehanteerd: de seizoensmatige aanpak – van 1 juli tot en met 30 juni – voor de theatergezelschappen; het kalenderjaar voor de kunstencentra en voor de organisaties voor dans en muziektheater. Omdat bijgevolg ook de beslissing omtrent de toelagen op verschillende tijdstippen valt, is een interferentie tussen alle onderdelen van het podiumkunstendecreet praktisch onmogelijk. Het decreet zet op die manier een stevig financieel en mentaal schot tussen de organisaties voor Nederlandstalige dramatische kunst en de anderen.

Door de beslissing van de Vlaamse regering wordt deze situatie ongedaan gemaakt en kunnen deze beslissingsmomenten nu wél samenvallen. De Gemeenschapsminister van Cultuur krijgt met andere woorden in het voorjaar van ’96 de kans om de podiumkunsten op een globale en coherente manier aan te pakken. In die periode – wanneer de begroting van ’97 wordt opgemaakt – kan hij alle initiatieven voor podiumkunsten (zelfs diegene die niet in het decreet zijn opgenomen) tegen elkaar afwegen. Hij zal dan wellicht ook de kans grijpen om, aan de hand van zijn globale visie, bij zijn collega’s in de Vlaamse regering te pleiten voor voldoende middelen voor cultuur.

Positieve discriminatie?

Op dat moment bevinden de organisaties voor dans, muziektheater en kunstencentra die door de recente beslissing verder werden erkend, zich in een eerder voordelige positie. Zij mogen immers hoe dan ook zeker zijn van het (minimale) budget dat hen is toegezegd, zelfs indien de Vlaamse regering het nu reeds schamele budget voor cultuur zou terugschroeven. Voor hen kan het enkel beter gaan.

Daarnaast is iedereen die met de podiumkunsten begaan is ervan overtuigd dat er voor de kunstencentra en organisaties voor dans en muziektheater dringend positief discriminerende maatregelen moeten worden getroffen. Reeds bij de redactie van het huidige podiumkunstendecreet werd er door de overheid zelf op gewezen dat de beschikbare middelen voor deze werkvormen absoluut onvoldoende waren om tegemoet te komen aan de reële werkingskosten van zelfs een strikt beperkt aantal initiatieven. Deze schrijnende toestand werd door alle adviesraden nog maar eens uitdrukkelijk aan de kaak gesteld.

Het is bijgevolg niet ondenkbaar dat, bij een eventuele verhoging van de globale cultuurbegroting, het in eerste instantie deze organisaties zijn die ervan profiteren. Maar zelfs bij een status quo van de overheidsmiddelen voor cultuur hebben ze nu uitzicht op een herverdeling van de middelen in hun voordeel, zeker wanneer hun positie kan worden afgewogen tegen die van collega-instellingen.

Het zou komende lente warm kunnen worden…

artikel
Leestijd 5 — 8 minuten

Paul Corthouts

artikel