Leestijd 5 — 8 minuten

Wordt er te veel theater gemaakt in Vlaanderen?

Op 20 januari jongstleden vond in het Vlaams Theaterinstituut een ‘Salon’ plaats over de spreiding en de touring van Vlaamse podiumcreaties. De speelmogelijkheden nemen af en staan niet in verhouding tot het aantal door de Vlaamse overheid gesubsidieerde projecten en gezelschappen, zo constateerden verschillende deelnemers, onder wie Vital Schraenen van muziektheatergezelschap Tirasila. In de hoop een debat op gang te brengen schreef Schraenen een reactie neer die hij op vraag van Etcetera herwerkte tot onderstaande tekst.

Op 20/1/’03 nam ik, voor het muziektheatergezelschap Tirasila, deel aan het eerste Salon van het Vlaams Theaterinstituut met als thema de spreiding en touring van Vlaamse podiumcreaties in Vlaanderen en het buitenland. Onder de deelnemers bevonden zich vertegenwoordigers van structureel en projectmatig gesubsidieerde theater- en muziektheatergezelschappen, van kunstencentra en cultuurcentra, verkoopbureaus en enkele theaterwetenschappers. Een gezelschap van goed veertig personen die daar bijna allemaal in gesubsidieerde loondienst kwamen meedenken over het opgegeven thema. De discussie draaide al gauw rond ‘overaanbod’. Kleine en grotere, bekende en minder bekende, oude en jonge gezelschappen maken voorstellingen met overheidssteun, maar vinden, ongeacht hun kwaliteit, blijkbaar heel moeilijk de weg naar een publiek. De programmatoren komen niet meer kijken naar voorstellingen. Nederland is geen afzetmarkt meer voor Vlaams theater. Enzovoort. Tot het discutabele ‘Er wordt in Vlaanderen te veel theater gemaakt!’ weerklonk, bijgestaan door een gewaagd ‘Er zitten hier te veel mensen rond de tafel.’ Een zuivering in het landschap blijkt zich op te dringen. Gesubsidieerden grijpen elkaar naar de keel.

Hiertegenover staat een anekdote uit de onmiddellijke praktijk, met name de onze. Tirasila ondervindt in Vlaanderen veel moeilijkheden bij het verspreiden van haar laatste muziektheaterproductie KRSK! Berichten uit een zeemansgraf. Deze voorstelling werd gemaakt met een stevige overheidssteun (een projectsubsidie van 70.000 euro), in goede coproductie-omstandigheden (cultuurcentrum Mechelen). Er volgde een geslaagde premièrereeks in Mechelen, Gent en Brussel. Maar ondanks de machine van een ervaren en gespecialiseerd verkoopbureau (Garifuna), één goede recensie in De Morgen en -misschien het belangrijkste- een veeltallig en enthousiast publiek (600 toeschouwers), vond KRSK!… slechts moeizaam een afzet. Omdat het artistiek onvoldoende overtuigingskracht bezat? Het publiek oordeelde daar over het algemeen anders over. Ook de muziektheatercommissie was een andere mening toegedaan en zegde ons voor een volgend project ook weer steun toe -een steun die ondertussen door de minister bekrachtigd werd. Na verschillende projectsubsidies lijkt structurele subsidiëring de logische volgende stap voor Tirasila. Maar willen wij al dat overheidsgeld wel als we het product hiervan aan de straatstenen niet kwijt kunnen?

Ondertussen ving ik enkele verontrustende berichten op waaruit blijkt dat Tirasila in deze kwestie niet alleen staat. Kleinere gesubsidieerde gezelschappen kunnen met moeite het bij decreet vastgelegde aantal voorstellingen spelen en zullen bij de volgende structurele subsidieronde zwaar afgestraft worden. Gevestigde gezelschappen zien met lede ogen toe, hoe ook hun speelmogelijkheden drastisch afnemen en daveren op hun grondvesten.

Eén en ander begrijp ik niet. De overheid steunt de podiumkunsten. Dat is goed. De Vlaamse gesubsidieerde theatermakers kunnen over het algemeen niet klagen. Na de vorige structurele subsidieronde vond toenmalig minister van Cultuur Bert Anciaux zelfs extra geld om naast de positief geëvalueerde gezelschappen er nog een zestal meer te ondersteunen. Dat is ook goed, want het principe luidt: hoe groter het aanbod, des te hoger de kwaliteit. Maar nu zouden er te veel gezelschappen, te veel producties gesteund worden? En alsof dit niet genoeg zou zijn, eist het toenemende aanbod van het niet-gesubsidi-eerde veld ook een deel van de markt op. Bepaalde stemmen uit de kunstencentra, cultuurcentra en pers klagen dat ze het aantal producties niet meer kunnen bijhouden, laat staan gaan bekijken. En inderdaad, vele gezelschappen klagen op hun beurt over het wegblijven van programmatoren en pers.

Ik ben geen theaterwetenschapper of marktanalist, maar toch wil ik bij dit ‘overaanbod’ enkele kanttekeningen plaatsen. Om te beginnen mogen we niet vergeten dat minister Anciaux met zijn nieuwe decreet aangaande de cultuurcentra ervoor zorgde dat ongeveer een derde van die cultuurcentra nu gemeenschapscentra zijn geworden. Terecht misschien, maar daardoor werd de afzetmarkt wel grondig verkleind.

En de programmatoren van de resterende cultuurcentra? Lijden die misschien niet eerder aan een gebrek aan nieuwsgierigheid dan wel onder het ‘overaanbod’? Is het ook niet zo dat het merendeel van de cultuurfunctionarissen zich bezighoudt met het aankruisen van seizoensaanbiedingen in de brochures van verkoopbureaus in plaats van zelf de baan op te gaan, op zoek naar de producties die hen bevallen? Dergelijke gesubsidieerde luiheid en desinteresse vertalen zich hoe dan ook in een uniformisering van de programmaties. Bepaalde voorstellingen vind je overal op de affiche, terwijl andere geen voet aan wal krijgen, ondanks hun kwaliteit en talloze promotionele inspanningen. )e hoeft slechts even door alle seizoensbrochures te bladeren en te tellen: ze beginnen allemaal verdacht veel op elkaar te lijken, inhoudelijk én vormelijk.

Of is die uniformisering nog anders te verklaren? Is dit een sociaal/cultureel gegeven dat we ook terugvinden op andere vlakken van de maatschappij? Is dit het zoveelste gevolg van politieke verrechtsing? Is er misschien te veel inmenging vanwege lokale overheden in de uitbouw van een programmatie, waardoor programmatoren hun nek niet meer kunnen of durven uitsteken? En wat programmatie betreft: als die voor de lokale cultuurschepen, terecht of onterecht, moet leiden tot beter gevulde schouwburgen, blijft er allicht geen andere mogelijkheid over dan beroep te doen op vedettenspektakels of ‘lichtvoetig’ theater. Worden begrippen als publieksverbreding en publieksparticipatie niet al te gemakkelijk verward met populisme? Of zijn het de theatermakers zelf die zich schuldig maken aan het produceren van een eenheidsworst? Een gebrek aan verscheidenheid die misschien wel eens het succes van die niet-gesubsidieerden zou kunnen verklaren?

En wat met het publiek – lees de belastingbetaler – in dit alles? Het publiek moet kwaliteit en professionalisme voorgeschoteld krijgen, aldus de overheid. Goed. Er moet veel volk in de zaal zitten, aldus de plaatselijke overheden en de organiserende instanties. De gezelschappen zullen daar ook niet om klagen. Maar wat als die twee redeneringen elkaar tegenspreken, want zoals iedereen ondertussen wel weet, is kwaliteit niet per definitie synoniem voor publieksopkomst. Programmatoren menen vaak de smaak en wensen van hun publiek te kennen en willen op basis hiervan hun programmering invullen. Is dit wel zo? Wordt er soms ook met het publiek niet te betuttelend omgegaan? Misschien is het nieuwsgieriger en talrijker dan zijn sluiswachters wel denken, of misschien wil het simpelweg geen gesubsidieerde podiumkunsten meer? Moet er misschien meer beslissingsrecht naar het publiek gaan? Of is dit te gevaarlijk? In ieder geval kunnen we één zaak met zekerheid stellen. De federale overheid steunt podiumkunsten die schipbreuk lijden op de rotsen van lokale overheden, om vervolgens te verhongeren of zich te vergrijpen aan broedermoord. Een situatie die op zijn minst paradoxaal genoemd kan worden.

In het licht van de aanmaak van het nieuwe kunstendecreet en de komende structurele subsidieronde dringt zich een grondige en veelzijdige analyse van het podiumkunstenlandschap op. Allereerst moet de afzetmarkt onderzocht worden. Ook theater is een product en aangezien er duidelijk wat schort aan vraag en aanbod moeten er cijfers komen. Het publiek is een veelkoppig, maar tot nog toe onbekend ‘monster’. Wie ‘publieksparticipatie’ en ‘publieksverbreding’ zegt, moet de aard, de omvang en de wensen van het publiek kennen. Niet om er zomaar op in te spelen, maar om er creatief mee om te springen, om te verrassen, om te interpelleren, zelfs om het te verwarren, zonder het daarom te verjagen.

Anderzijds wordt het stilaan tijd dat de cultuurfunctionarissen nieuwsgieriger worden én een grotere voeling opbouwen met hun lokale realiteit (en niet met hun lokale overheid). Waarom hiervoor niet enkele decreten in het leven roepen? Of waarom niet het huidige systeem grondiger in vraag stellen? Indien cultuurcentra toch verveeld zitten met het eenmalig programmeren van rondreizende producties, waarom ze niet gewoonweg ontlasten van die taak? In plaats hiervan zouden er ‘gespecialiseerde’ cultuurhuizen kunnen komen die voor langere speelperioden welbepaalde podiumkunsten en/of gezelschappen zouden herbergen. Het publiek legt probleemloos onbepaalde afstanden af voor een opera, een concert, een voetbalmatch of een tentoonstelling. Waarom zou het dat niet doen voor theatervoorstellingen, die in die omstandigheden trouwens aan kwaliteit zouden winnen? De verantwoordelijkheid van de pers en de gesubsidieerde media in het bijzonder hoeft in deze discussie niet buiten schot te blijven. Ook hier zouden de vedettencultus, het goedkope vermaak, de sensatiezucht, de betutteling plaats moeten ruimen voor het aanwakkeren van nieuwsgierigheid en verbeelding.

Ten slotte, voor er koppen gaan rollen, zou ik willen pleiten voor een breed overleg. Geen debatten met kruideniers die, ondanks de beste bedoelingen, toch voor hun eigen belangen opkomen, geen opinies van specialisten, geen monologen van wetenschappers, geen state of the unions, maar een grondig open overleg. Een overleg tussen overheden, verantwoordelijken en theatermakers… én publiek. Want gesubsidieerd theater dat, om welke reden ook, geen toegang krijgt tot een publiek valt niet te legitimeren en moet dus verdwijnen!

 

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

opinie
Leestijd 5 — 8 minuten

#86

15.04.2003

14.07.2003

Vital Schraenen

Vital Schraenen is regisseur, acteur en lichtontwerper. Hij is artistiek leider van muziektheatergezelschap Tirasila.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!