Wim Van Gansbeke

Leestijd 4 — 7 minuten

Wim Van Gansbeke

Verjaren in het teater : het lot is mij intussen meer dan 15 jaar beschoren. Alleen in 1984 ontsnapte ik eraan maar dat was dan weer geen goed wijnjaar. In de vorige kroniek etaleerde ik mijn leed in de tijdspanne tussen 4 februari 1980 en dezelfde datum in 1985. Nog vier keer werd ik ouder voor de jaren ’80 om waren. Maar of dat ook hielp ?

4 februari 1986 : NTG speelt De koning sterft in een regie van Franz Marijnen. Na jaren nog eens een heus meesterwerk in het NTG met een (toen ook al) niet meer voor mogelijk gehouden, homogeen top-acteren onder leiding van ‘het geval’ Marijnen. Te groot voor Vlaanderen, weggejaagd door het MMT, in de jaren ’70 uit Amerika terug met zijn Camera Obscura, waarmee hij op dat moment toonaangevend theater maakt van zeer hoge kwaliteit. Ondanks misgrepen en de (toen) klaarblijkelijke onmacht om, buiten een geweldig beeldend vermogen en dwarse lezingen om, ook nog een (grote) acteursbezetting homogeen en/of prangend te regisseren, onbetwist de grootste artistieke leider, die het Rotterdamse Ro-teater kende. Voor één van onze kompleetste regisseurs is het Vlaanderen van de jaren ’80, net als dat van het vorige anderhalve decennium – op een paar sporadische gastregies na – gesloten gebleven en werd er hem geen enkele uitdagende artistieke leiding aangeboden. Angst van een middenstanders-establishment, dat onze (grote) schouwburgen beheert, zijn uitstervend publiek en zichzelf niet voor het hoofd wil stoten en artistiek-politieke onmondigheid van een overheid, die geacht wordt een beleidsvisie te ontwikkelen. In De koning sterft bleek die veronderstelde onmacht van Marijnen tot doordringende acteursregie overigens een mythe en was hij gerijpt, kompleter dan ooit en niet vastgeroest in modieuze stijlprocédés, terug bij het mentale punt van waaruit hij met zijn Camera Obscura zo’n aangrijpend theater wist te maken, niet enkel naar vorm en beeld maar ook naar inhoud en het acteren als drager daarvan. De voorstelling maakte duidelijk hoe hij, samen met een Jan Decorte, de jaren ’80 in Vlaanderen had kunnen beheersen, had hij er voluit kunnen opereren als artistiek leider van een schouwburg. Een verdere optelsom leert overigens dat we met zowat dertien boeiende theatermakers voor evenveel comfortabel behandelde gezelschappen (en met uitsluiting van al de rest), die ook boeiende kweekscholen en broedplaatsen konden zijn voor hun eigen opvolging, een gouden theatertijdperk waren tegemoet gegaan. Het bleek en blijkt een mooie utopie.

4 februari 1987 : Teater Malpertuis speelt Het beest in de jungle naar een novelle van Henry James, voor het theater bewerkt door Ger Thijs en in een eigen regie gespeeld door Mia Grijp en Dirk Buyse.

Gek toch, die jaren ’80. Er was – je zou het nu niet meer geloven – een moment, waarbij het erop leek alsof er van de ene dag op de andere geen dramaturgisch repertoire meer bestond. Je kon nog nauwelijks een theater in komen of men had wel weer een roman of een novelle voor de scène ‘bewerkt’, meestal met schadelijke gevolgen voor beide (en de ziekte blijkt nog lang niet uitgewoed). Ik sta altijd erg wantrouwig tegenover dat soort bewerkingen. Als ze deugt, is een brok verhalend of beschouwend proza een verschijnsel, dat optimaal in zichzelf is afgerond en waar door ingrepen van welke aard ook niets meer is aan toe te voegen. En als het niet deugt is zo’n proza door zijn onbelangrijkheid meestal evenmin een goede voedingsbodem voor beklijvend theater. Er zijn zeldzame uitzonderingen. Zo herinner ik me levendig de Fernando Pessoa-produktie van Lucas Vandervost met De Witte Kraai, waarin de Portugese dichter benaderd werd met een grote gevoeligheid, die veel verder reikte dan een soort illustratie en daarenboven met de grote nederigheid van discreet op de achtergrond blijvende handwerkers, die voor de auteur een sober monument oprichtten. Het probleem is, dat de meeste bewerkers dat soort nederigheid niet hebben en wijsneuzig zichzelf in de plaats stellen van de schepper, wiens rijke inhouden ze ontlenen om ze, als vandalistische bibliotheekratten, van primaire aantekeningen in de marge voorzien, gekreukt, beduimeld en gescheurd terug te geven.

Er zijn, zei ik, zeldzame uitzonderingen. Het beest in de jungle was er zo één. Een ragfijne novelle met zo mogelijk nog grotere verfijning, respect en discretie geënsceneerd en gespeeld door Mia Grijp en Dirk Buyse. Met een subtiliteit, die volkomen beantwoordde aan de tekstuele stijlkwaliteit. Met dialogeren via oogopslag of handbeweging. Summiere, streng eenvoudige maar scherp bewust aangebrachte tekens, die de complexiteit van de tekst glashelder maakten en de hoge muzikaliteit van dit proza extra onderlijnden. De voorstelling was te goed voor het Vlaamse theater. Ze behoort dan ook tot één van de meest onderschatte van het decennium.

4 februari 1988 : Dito-Dito plus ‘verwanten’ spelen Duiven en Schoenen van Willy Thomas in diens eigen regie. Een schrijfopdracht van het Kaaiteater. Als voorstelling één van de grootste mislukkingen van de besproken periode maar tegelijk één van de opvallende bekommernissen in de jaren ’80 : de poging tot zinvolle vernieuwing van de eigen dramaturgie. Naast een Pourveur, een Sierens en, uiteraard, Decorte, is Willy Thomas één van de interessante exponenten van dit verschijnsel en zo dacht de jury van de jongste Signaalprijs voor het jeugdteater er blijkbaar ook over. Halfweg het decennium levert Thomas met Frans/z een erg aardige tekst af, die naar de vorm tekenend is voor die nieuwe dramaturgie : meer situationeel dan verhalend, meer scenario dan traditioneel toneelstuk, met veel, zoniet alle vrijheid aan de makers, oeroude tema’s bespelend op een onburgerlijke, niet door een grootste- gemene-deler-moraal gerecupereerde manier en met uitsluiting van muf theaterrealisme en gecodeerde psychologisering ten bate van de direkte waarneming en de veranderlijkheid daarvan. Daarmee sluit ze perfect aan op een zich evenzeer in dit tijdvak aandienende lezing van het bestaande repertoire, die de wereld niet langer bekijkt op de pre- ptolemeïsche manier van een eeuwig stilstaand gegeven, waarvan de immobiliteit enkel nog met loze poëtica wordt omhangen, maar als een dynamische constellatie, die de maatschappij niet probeert voor te stellen als een irreëel rustwekkend, ondeelbaar geheel maar als de som van ontelbare en alsmaar kleiner wordende, individuele splinters.

4 februari 1989 : Jan Ritsema regisseert Johan Leysen in Wittgenstein incorporated, een Kaaitheaterproduktie.

Zowel naar schriftuur als naar regie en acteren zowat de ultieme conclusie van wat ik in de vorige paragraaf moeizaam poogde uiteen te zetten. Tegelijk het tot een uiterste consequentie gevoerde, in dit decennium aangegane, lang geleverde maar onbeslist blijvende gevecht om weer te mogen ‘denken’ op de scène en, dusdoende, via een hersteld maar daarom niet minder verscheurd mensbeeld, een hersteld maar daarom niet geruststellender wereldbeeld te tonen. Elitair teater ? Toe maar ! Staan lekker eten, drinken, vrijen en alle nog hoger gestemde gewaarwordingen en emoties lekker denken in de weg ? Of andersom ? Of tegelijk ? Thespis beware me ! Als ik het al niet had geweten, had het theater van de jaren ’80, die naam enigszins waard, me kunnen leren dat je tegelijk van kunst kan houden én van voetbal én van kaartspelen. En dat het altijd goed zit als je de motieven, de technieken en de middelen maar niet (te veel) door mekaar haalt.

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

column
Leestijd 4 — 7 minuten

#30

15.06.1990

14.09.1990

Wim Van Gansbeke