Wim Van Gansbeke

Leestijd 4 — 7 minuten

Wim Van Gansbeke

Op 4 februari 1980 werd ik 42. De midlife-crisis, die al 20 jaar eerder begonnen was, stuurde met niet aflatende ijver haar demonen uit. Was het profetisch, dat ik uitgerekend die dag in Brussel een voorstelling zag van Zen-theater, waarvan me na al die jaren een indruk bijblijft van gesofisticeerde eenvoud, strakke en toch ergens Vrije’ stilering, verregaande abstrahering, die toch iets zeer concreets had en een gevoel van symmetrie ? Iets wat appeleerde aan een latente spanning binnen mezelf tussen een neiging tot exuberantie en een neiging tot inkeer en de drang, niet om de beide elementen te verzoenen, maar om ze naast mekaar vrij spel te geven.

Tien jaar later, zelfde dag, begeef ik mij in gezelschap van vrouwelijk schoon, aan een copieus diner met vleselijke lustbeleving als dessert. Het andere uiterste van een decade. Is het profetisch dat het zich niet in een theater afspeelde, terwijl het toch buitengewoon bevredigend was ?

Ik neem mij voor om, tussen beide profetisch gewaande momenten in, mijn kronieken in dit blad de komende drie jaar te vullen met een ‘historisch’ commentariërend, tendenzen duidend, besluiten trekkend en uitermate subjectief verslag van het in de jaren ’80 in Vlaanderen ge- en vertoonde theater. Mijn inborst getrouw, hoop ik aldus tot een even chaotisch als overzichtelijk beeld te komen van wat, voorbijgaand of blijvend, beklijvend of onbelangrijk, modieus of overheersend was in dit decennium tussen inval en val. Die van de Russen in Afghanistan en die van Ceaucescu in Roemenië.

Bij wijze van inleiding en vingeroefening blader ik voor de komende twee bijdragen allereerst in mijn persoonlijk theatraal verjaardagsalbum. In onderhavig eerste deel tot 1985.

4 februari 1981

Het Gentse Arca-theater speelt Iphigineia in Tauris van Goethe in een regie van de Duitser Emmanuel Boeck. Ongewoon voor Vlaanderen is het ‘rituele’ karakter van de voorstelling vol duistere symboliek. Een genre, dat hier nooit echt gedijd heeft -en waarom zou het ? ‘Ritueel’ betekende op de scène immers nooit iets anders dan een artificiële en onleesbare doorslag van de échte, organische, culturen aangeboren rituelen. Een gezelschap als het Nederlandse Kiss liep er hier toen ook mee rond. Vlamingen zijn gelukkig te nuchter gebleken voor deze ranzige, belegen uitlopertjes van (vooral Duitse) experimenten van de late jaren ’60. Maar af en toe waren er snel uitstervende voorbeelden van te zien. Zo haalde het Kaaitheater voor zijn eerste editie (1979) nog het Poolse Stu-Teatr naar hier maar, was in dit jaar 1981 alreeds wijzer.

Boeck presenteerde een humorloze, benepen, programmatische, ‘vormende’, in al haar bestudeerde symboliek ontzagwekkend éénduidige en wurgende regisseurslezing, waarin acteurs, die Goethe’s blanke verzen doorgaans niet uit de mond kregen en ze daarenboven dreunden als een stel autisten, rondklosten, gehuld in autobanden en metaalwaren en als nauwelijks meer fungeerden dan als kruiwagens en bewegende decorstukken. Vier maanden later verwees Jan Decorte met zijn brisante enscenering van Hebbers Maria Magdalena eerder genoemd, modieus on-theater met één klap naar het rijk van de vergetelheid.

4 februari 1982

KVS-Brussel speelt De Blauwe Maarschalk van Johan Boonen in een regie van Senne Rouffaer. Staatsprijswinnaar Boonen gaf in de voorgaande jaren een aanzet tot een weliswaar aarzelende maar voor de jaren ’80 kenmerkende poging tot vernieuwing van de eigen dramaturgie, waar later ook een Willy Thomas, een Arne Sierens, een Paul Pourveur en nog een paar anderen mee begaan zullen blijken. Opvallend daarbij zijn de ‘stijlbekommernis’, een zekere literaire kwaliteit, de ongewone thema’s of de gewone thema’s in een ongewone benadering, een nuchtere poëtica, een soort ironische zakelijkheid, de sterke ‘individualizering’ van de schriftuur en de absolute wil om uit het naturalisme en psychologisch realisme weg te blijven (zelfs bij Sierens), maar ook uit de rituele symboliek à la Claus. Even tekenend daarbij is, dat het mis gaat zodra deze nieuwe toneelschrijversgeneratie, die ook ‘vanuit het toneel’ en niet ‘er tegenaan’ schrijft, zich van haar individuele bekommernissen of haar dramatische modellen verwijdert om zich in vrije val in de fictie te storten of, zoals Boonen, zich vanuit fictieve, maar sterk door een klassieke dramaturgie bepaalde, archetypische personages, naar historische (Gilles de Rais en Jeanne d’Arc in De Blauwe Maarschalk) of radicaal poëtische motieven te wenden met als gevolg een neiging tot vruchteloze mooischrijverij en kartonnen karakters.

Senne Rouffaer, in zijn herhaalde maar vaak voor zichzelf terugschrikkende, zelden rigoureus doorgedreven of consistente en in de KVS-context ondankbare en machteloze pogingen om een theatertaal en een acteerstijl te vinden, die aansluiting kregen bij de gistingen van het tijdsgewricht, stond, door de gesignaleerde tweespalt in Boonen’s schriftuur, voor enorme problemen, waarmee hij, zoals voordien en later – op een enkele ‘lucky strike’ na -niet verder kwam dan een aaneenschakeling van modieuze citaten op een achtergrond van een door de vlakheid van het traditionele burgerlijke theater bepaalde voorstelling.

Boonen’s dramaturgie heeft de jaren ’80 niet overleefd. De sporadische regies van Senne Rouffaer hebben, ondanks alle – en vooral in de jaren 80 getoonde – lovenswaardige intenties, wegens een soort pragmatisme, vrees ik, nooit geleid tot een geheel eigen theatertaal of een volkomen authentieke artisticiteit.

4 februari 1983

Brute pech, alweer KVS-Brussel, nu met Goed van Cecil Taylor (GB) in een regie van Mike Ockrent (GB). Stukken over het nazisme en/of jodenvervolging, blijven het goed doen ‘throughout the eighties’. In onze grote repertoireschouwburgen maar ook in sterk verwante B- en C- gezelschappen, die zweren bij Amerikaans filmrealisme en zogeheten ‘well made plays’ over even zogeheten ‘actuele’ maar oneigenlijke theaterthematieken, verpakt in feuilletondialogen, wijsneuzigere one-liners en ‘harde waarheden’ en waarin de acteur hoger geprezen wordt naarmate hij beter een blinde kan imiteren of een gebarentaal voor doofstommen beheerst. Toch lijkt zo omstreeks halfweg het decennium dit genre over zijn hoogtepunt heen. De ene trend maakt plaats voor twee andere, die vaak in gecombineerde vorm voorkomen: het uitputtend spelen van het werk van nieuw geïntroduceerde en ‘filosofischer’ gerichte auteurs, die op een sterk geïndividualiseerde manier van naturalistische anekdotiek ontdane thema’s behandelen, waarvan de ‘relatiethematiek’ de meest in het oog springende is (o. a. Strauss, Koltès), naast de kritiek van de domheid en banaliteit (o. a. Bernard). Dat laatste, maar, naarmate het decennium vordert, eerder als ironische constatering dan als cynische commentaar, wordt ook een constante in het werk van een aantal jonge regisseurs, die daarvoor niet zelden teruggrijpen naar de ‘klassieken’ van het repertoire, waarvan ze tegendraadse lezingen voorstellen.

4 februari 1984

Zie hierboven onder tien jaar later, zelfde dag.

4 februari 1985

Als ‘acteur’ met Luk Perceval en Guy Joosten repeterend aan Merkwaardige Paaren – een voorstelling die gelukkig maar door een handvol serieuze mensen gezien werd – maak ik from the inside de eerste nog aarzelende stappen mee van de Blauwe Maandag Compagnie, die daarna zal blijken uit te groeien tot – ook naar samenstelling – één van de belangrijkste Vlaamse gezelschappen voor de jaren ’90 dat men, zoals gebruikelijk, nu maar snel het exil naar Nederland in moet sturen als men niet het gevaar wil lopen dat Vlaanderen nog eens één behoorlijk ‘ensemble’ krijgt.

wordt vervolgd

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

column
Leestijd 4 — 7 minuten

#29

15.03.1990

14.06.1990

Wim Van Gansbeke