© JU Bochum

Paul Willemsen

Leestijd 4 — 7 minuten

White People’s Problems / The Evil Dead – Benny Claessens

Een gemiste kans

Benny Claessens’ White People’s Problems / The Evil Dead bij Schauspielhaus Bochum, vertrekt van de aanname dat de witte heteroseksuele man (lees: het stadstheater – een verband dat de regisseur in de programmakrant maakt) zijn eigen bevoorrechte positie niet kan omdenken. Die antipatriarchale stellingname maakte benieuwd, maar de voorstelling is een gemiste kans.

Het gaat Benny Claessens (1981) goed bij onze oosterburen. Begin dit jaar kreeg hij de Alfred-Kerr-Darstellerpreis op het Theatertreffen in Berlijn voor zijn acteursprestatie in Am Königsweg van Elfriede Jelinek, in een regie van Falk Richter. En in een referendum onder critici werd hij door het theatertijdschrift Theater Heute tot ‘Schauspieler des Jahres’ bekroond. Ook de regie-ambities van de acteur krijgen steeds vastere vorm.

In Bochum wordt Claessens opnieuw verenigd met Johan Simons. Onder Simons maakte hij deel uit van het ensemble van de Münchner Kammerspiele, waarna een passage volgde bij NTGent tot Claessens, na het vertrek van Simons, daar eind 2016 aan de deur werd gezet.

In Bochum maakt de kersverse intendant tabula rasa. Naar typisch gebruik in het Duitse theatermilieu – maar bij ons ook meer en meer de gewoonte – geldt bij machtswisselingen het jaar nul: een ander managementteam, een nieuwe artistieke ploeg en een andere koers. Simons wil zoals dat heet ‘de deuren openen’: inspelen op het maatschappelijke debat; elektronische muziek, lezingen en beeldende kunsten aan boord halen. Met Die Jüdin von Toledo, naar de roman van Lion Feuchtwanger, tekende de intendant zelf voor een politiek correcte openingsvoorstelling: de vredige co-existentie van religies en verdraagzaamheid in het 12de-eeuwse Spanje, opgedeeld tussen het islamitische Moorse zuiden en het katholieke noorden, als een moralistische knipoog naar het Europa van nu.

Een satellietplek die verwijst naar de historische erfenis van de streek en waar buiten de lijnen gekleurd mag worden,  past ook vaak in zo’n nieuw plan van aanpak. Schauspielhaus Bochum koos voor Zeche Eins, een badgebouw op een vroegere mijnsite waar de kompels tot de jaren ’60 het kolenroet van hun lichamen afspoelden. Van de oorspronkelijke ruimte blijven nu alleen nog de betegeling over en wat leidingen die over de muren lopen.  Dat kale postindustriële decor vormt de setting voor Claessens’ vier uur durende White People’s Problems / The Evil Dead.

De associatieve voorstelling die naar alle kanten uitwaaiert en structuur mist, valt nog het best te omschrijven als een langgerekte performatieve vervloeking van de witte man, zijn koloniale erfschuld, zijn eurocentrisme en – tongue-in-cheek – het theater als zijn speeltuin. In de mate dat we ons van het verleden bevrijden, bevrijden we ons van onszelf, zou Claessens’ motto kunnen luiden. Claessens wisselt uitbundige performances en meer ingetogen theatrale scenes met elkaar af. Tussen beide gaat het voortdurend op en af. De energieke delen, vaak orgiastische choreografische opwellingen, moet je verstaan als vormen van symbolische uitdrijving. Op die momenten kleurt het licht paars of lijkgroen, gaat de volumeknop van de elektronische soundtrack van Nid & Sancy (Bart Demey en Tania Gallagher) op maximaal of strooit een stroboscoop licht in het rond. Paraderen in Claessens’ louteringsritueel: karikaturaal-tribale Afrikaanse dansers, hysterische vrouwen, zombies, gevangenen, flagellanten,… Je kan het zo gek niet bedenken.

Antwoorden op de vragen die Claessens zichzelf stelde, weet White People’s Problems / The Evil Dead niet te formuleren, zelfs geen aanzet tot discussie daartoe. Jammer, want Claessens’ chargeren dat het naar de vorm politiek correcte theater in feite zelf niet zo ‘politiek correct’ zou zijn – ook daar wortelt namelijk een onderhuids racisme – hield vooraf een belofte in. Temeer omdat hij verder ook verrassende inspiratiebronnen aandroeg als Vor Sonnenaufgang (1889) en Die Weber (1891/92), twee naturalistische sociale drama’s van Gerhart Hauptmann over arbeidersopstanden, naast Susan Buck-Morss’ cultuurfilosofische essaybundel Hegel, Haiti, and Universal History.  Dat boek ontmaskert Hegel als iemand die in zijn idealistische filosofie theoretisch denkt rond vrijheid (zie bijvoorbeeld de meester-knechtdialektiek in de Phänomenologie des Geistes uit 1807), maar tegelijk blind blijft voor de belangrijkste vrijheidsrevolutie van zijn tijd: de succesvolle Haïtiaanse slavenopstand van 1791, die in 1804 zou leiden tot de onafhankelijkheid van de napoleontische kolonisator. Buck-Morss verwijt Hegel platonisch gevangen te zitten in het perspectief van witte Europese man.

Met de referenties Hauptmann en Buck-Morss gaat het er bekaaid aan toe. Wat een nihlisme alom! Exemplaren van Hauptmanns Die Weber in de gele Reclampocketeditie, een destijds spraakmakend en verboden stuk over uitbuiting, ellende en de met militair geweld neergeslagen Silezische weversopstand van 1844, worden door vier kirrende meisjes onder de bodem gewerkt: ‘Wir begraben es’. De dramatische tekst, het repertoire, is hier het ondergeschoven kind. Het ‘naar Gerhart Hauptmann’ in de ondertitel mag extreem cynisch genomen worden.

Het sociaalkritische Vor Sonnenaufgang, Hauptmanns eerste stuk dat handelt over een grote mijnwerkersstaking in het Ruhrgebied in het voorjaar van 1889 waar honderdduizend arbeiders aan deelnamen, krijgt een al even stiefmoederlijke behandeling. Gratuit zijn een aantal jonge mannen die kompels moeten voorstellen en met de regelmaat van de klok achterin hun blote billen showen onder de douche, maar ook niet meer dan dat.

De verwijzingen naar Buck-Morss blijven beperkt. In een van de weinige tekstpassages werpt een dochter Papa Hegel, als rolmodel voor de witte patriarch, zijn stilzwijgen inzake Haïti plat voor de voeten.  En na de pauze volgen nog wat kannibalistische- en voodootaferelen. Maar waar bij de auteur cultuurhistorisch interessante links gelegd worden tussen de Caraïbische voodoo-tradities, de Haïtiaanse revolutie en de toenmalige vrijmetselarij, blijft bij Claessens alles steken in een oppervlakkig exhibitionisme. Zijn voorstelling zit vol irriterende herhalingen en heeft vóór alles last van inhoudelijke armoede.

Blijft nog de insteek theater over theater. Al bij al kleurt dat mooi binnen de lijnen van wat een stadstheater verwacht van zijn meer experimentele dependance. Een toespeling op Milo Rau, die niet bij naam genoemd wordt, kan – paradoxaal – gelezen worden als een tegenverhaal. Een mijnwerkerspersonage verhaalt dat hij door een regisseur aangezocht werd voor een voorstelling in het 800 plaatsen tellende Schauspielhaus. ‘De Zwitserse documentaire theaterregisseur’ was op zoek naar een authentieke persoon met dito verhaal, maar koos uiteindelijk voor een kompel die een been verloren was en bijgevolg nog authentieker was. Ach, wat spot mag. Maar anderzijds zou je je kunnen afvragen of het werk van Rau – wat je er ook van mag denken – niet steekt,  juist omdat het zich afzet tegen het politieke en morele anything goes? Coherentie, ethos en een appel tot denken en handelen, in plaats van een onverdeeld relativisme en nihilisme, had Claessens alvast niet misstaan.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#154

15.09.2018

14.12.2018

Paul Willemsen

recensie