Paul Gazzola

Leestijd 13 — 16 minuten

Werkt dat, als iedereen altijd bij jou thuis komt spelen?

Huidige en Toekomstige Vragen voor Berlijn – Deel 1

Tegenwoordig staat de ontwikkeling van dans in Duitsland door het Tanzplan definitief op de rails. In Berlijn zal in april 2007 een driejarig Bacheloren Masterprogramma in hedendaagse dans en choreografie als pilootproject van start gaan. Als gevolg van een gebrek aan ruimte in de twee gastuniversiteiten is er echter nood aan een gebouw dat de studenten en lectoren zou kunnen huizen.

Tanzraum, een collectief bestaande uit een aantal onafhankelijke groepen en individuen dat zich op de productie en promotie van dans in de stad richt, komt de verantwoordelijkheid toe zich te bekommeren om deze situatie. Naast het voorzien in de behoeften van de universiteit, beogen zij daarenboven ook studio’s, kantoren en werkruimten aan de lokale dansgemeenschap te kunnen aanbieden. Deze belofte en hoe ze zich exact zal laten vertalen, is precies het moment waarop het project coming soon op het toneel verschijnt.

Een project van consultatie

Aanvankelijk gerealiseerd als een eendaags evenement gedurende het Tanz im August-festival in Berlijn in 2006, en bestaande uit videoen audio-installaties, een reeks publieke debatten, een performance en twee publicaties, was het doel van dit project om de discussie over een centrum voor dans in Berlijn aan te wakkeren en om van daaruit te reflecteren over hoe het ontwerp van studioruimtes de artistieke praktijk beïnvloedt. Dit door:

1. te onderzoeken wat de potentiële gebruikers van dit gebouw van een dergelijke locatie zouden verlangen

2. een taxatierapport op te stellen dat gebaseerd is op deze bevindingen en dat gehanteerd zou kunnen worden tijdens de ontwikkeling van het gebouw

3. een profiel op te stellen van het toekomstige publieke gebruik van het gebouw en van de mensen die het gebouw zouden inpalmen

4. te reflecteren over de traditionele en hedendaagse ideaalbeelden van het studio-ontwerp voor dansproducties, en dit door middel van een reeks publieke debatten en evenementen

Onderliggend resoneren ook vragen over het effect van historische modellen – zoals die ontwikkeld werden vanuit hun relatie tot het klassieke ballet – op het studio-ontwerp; en ook over de kwestie of hedendaagse architecturale ontwerpen/concepten en praktijken adequate oplossingen bieden voor deze progressieve en zich steeds ontwikkelende kunstvorm. Inherent aan deze discussie is ook de vraag naar de vertakkingen of verworteling van een dergelijk gebouw in de stad; en eveneens naar het samenspel van esthetiek als de betekenaar van haar identiteit versus een site voor creatieve praktijken, die door de aard van haar ontwerp net de productie van inhoud zelf wil aanvuren.

Dit is precies het punt waarop coming soon zich in twee hoofdlijnen opsplitst. Eén hoofdlijn betreft de rol die een dergelijk gebouw voor de dansgemeenschap in Berlijn kan opnemen (met name, wordt dit verlangd of niet?). De andere betreft de beïnvloeding van het ontwerp en de constructie van studioruimtes op de productie van het artistieke werk.

Om deze hoofdlijnen enigszins inhoudsvol te kunnen bevragen werden twee strategieën geïmplementeerd. Ten eerste werd per e-mail een uitnodiging rondgestuurd naar meer dan vierhonderd mensen uit de lokale dansgemeenschap in Berlijn, met de vraag of van hen een video-interview kon worden afgenomen waarin ze gevraagd werden hun ideale studio te omschrijven. Vervolgens werden er gedurende tien dagen 59 interviews afgenomen van choreografen, dansers, technici, en personen werkzaam in de administratie, productie en promotie van dans, om een beeld te krijgen van het type ruimte dat ze graag ter beschikking zouden gesteld krijgen indien ze vrij de keuze hadden. Hierbij werd zowel naar een praktische mogelijkheid gepeild als naar wat in hun dromen het meest gegeerd zou zijn.

Het peilen naar hun noden en besognes bij de uitbouw van een dergelijk gebouw; naar de manier waarop de administratie zou kunnen functioneren; het bevragen van potentiële gebruikers, situaties en andere ‘bezetters’ (wel of niet aan dans gerelateerd) – dit alles verschafte niet alleen inzicht in persoonlijke noden, maar ook in de manier waarop de leden van deze distinctieve gemeenschap hun praktijk zouden willen relateren aan de bredere gemeenschap. Ten tweede werd er, om deze bevindingen in een breder kader te kunnen schetsen, een online vragenlijst (betekenisvol en nauwgezet ontwikkeld aan de hand van deze interviews) opgesteld en rondgestuurd in de dansgemeenschap, zowel op lokaal als internationaal niveau. Uit een lijst van vijfhonderd namen werden 88 antwoorden gecompileerd in een 27 pagina’s tellend rapport, dat aldus een gedetailleerder overzicht wist te bieden. De initiële resultaten van deze consultaties, die respectievelijk in een video-installatie en een taxatierapport gecompileerd werden, wijzen erop dat, indien men het interieur van het gebouw bevroeg, men een variëteit aan ruimtes verlangde, die een ‘multipliciteit’ aan noden zouden kunnen lenigen in een constellatie die aldus de vorm van een gemeenschapsgericht gebouw zou aannemen. Dit zou ‘de onderlinge communicatie en uitwisseling voeden, door ruimtes voor ontwikkeling, experiment, risico en innovatie te bestemmen, net zoals dit wederzijds vertrouwen, respect en ondersteuning onder haar gebruikers zou faciliteren.’

Enkele anonieme citaten uit het rapport:

Naar mijn aanvoelen moet een studio een zekere flexibiliteit bezitten zodat ze bepaald en betekend kan worden door de kunstenaars die het gebouw op dat moment bezetten.

Een praktische en makkelijk aan te passen ruimte die de dansgemeenschap uit Berlijn zich zou kunnen toe-eigenen volgens haar eigen noden.

Openstaand voor choreografen van verschillende strekking, die allen met regelmaat en integriteit hun werk produceren. Zonder hiërarchie, maar wel expliciet choreografen aanmoedigend die in Berlijn wonen en werken.

Een plaats gewijd aan faciliteiten en voorzieningen voor kunstenaars om te werken, te studeren en hun werk te ontwikkelen, dat ontsloten kan worden voor het algemene publiek.

Studio’s zouden moeten functioneren als gemeenschappen.

Terwijl deze niet uitgaan van exclusieve situaties, doen er zich soms situaties voor waarin het duidelijk is dat deze niet voor iedereen bestemd zijn. Volgens mij is dit een belangrijk idee om in het achterhoofd te houden, omdat ze het belang aankaart van een dialoog tussen mensen die een ruimte delen.

Ik stel me een plaats voor die conceptueel gegrond is in de notie van performance als een temporeel ontwerp van ruimte en ervaring (setting). Geen plaats waar dans of choreografie begrepen wordt als enkel afhankelijk van lichamen die de ruimte nodig hebben om er zich doorheen te kunnen bewegen.

Ik wil een dergelijk ‘huis’ niet, en naar mijn mening is de aard van de belangen die een leidinggevende groep voorstaan, erg dubieus. Mijn voorkeur gaat uit naar een neutrale leidinggevende groep zonder lokale verankering. Het is belangrijk dat de leidinggevende groep niet uit reeds bestaande structuren worden opgevist.

Volgens mij moeten dans en theater benaderd worden als visuele kunst en geluidskunst, en moet ook hun ontwikkelingsproces aldus bekeken en benut worden.

Ook een ruimte voor de ontwikkeling en presentatie van visuele kunst zou een enorme troef zijn. Het zou zeer inspirerend kunnen zijn om ook visueel gestimuleerd te worden, en dans op die wijze aan te sporen zich niet zo uitsluitend op zichzelf te verlaten.

Ik zou graag een ruimte ter beschikking krijgen waar ik de tijd heb om meer dan één stuk te ontwikkelen.

Zolang het management van de structuur maar onafhankelijk blijft van de universiteit.

Why not.

In het algemeen wijzen de bevindingen erop dat de meerderheid een dergelijke plaats in Berlijn zou appreciëren en dat, ondanks het feit dat er nog enige onduidelijkheid is over hoe dit precies zou gerealiseerd kunnen worden op praktisch gebied en in termen van management, de consensus over het vestigen van zo’n gebouw evident is. Eens dit verwelkomend startsein is gegeven, moeten we in een volgende stap enkele andere zaken die uit deze consultatie naar voor komen in consideratie nemen, en overdenken hoe ze het best geadresseerd kunnen worden.

Stap opzij 2, 3, 4

Recent hebben spelers van de National Basket Ball Association (NBA) hun beklag gedaan over de nieuwe synthetische basketballen die verondersteld werden consistenter te zijn en het stuitvermogen te doen toenemen. In realiteit deden ze dit minder. Meer nog, ze veroorzaakten snijwonden in de vingers van de spelers. Door omstandigheden hadden deze niet de kans gekregen om de ballen uit te testen voor het nieuwe seizoen van start ging. Bijgevolg werden de basketballen teruggestuurd naar de fabrikant voor verdere testen. De commissaris van de nba geeft toe het te betreuren dat hij de spelers niet op voorhand had kunnen consulteren. Hoe dan ook, het spel wordt gespeeld. ‘Als spelers zullen we ons aanpassen. Het is niet dat ons spel niet meer zo veel pit heeft, dat we minder scoren of dat we tekortschieten in spannende finishes. Het spel is in die zin niet gewijzigd. Maar het is wel iets dat meteen op onze werkomgeving inspeelt en haar beïnvloedt.’

In contrast hiermee werpt het elegante en visueel overdonderende Laban Centre in Londen, dat ontworpen werd door de visionaire Zwitserse architecten Herzog & De Meuron, de vraag op naar de aard van het ondernomen consultatieproces. De esthetiek van het ontwerp lijkt noties van functionaliteit ver te overtroeven door het overvloedig gebruik van transparantie en homogene keuzes. Alle haast identieke studio-ontwerpen hebben tot de constructie van hermetische ruimtes geleid waarin de danser voortdurend geobserveerd en gevolgd kan worden. Hermetische, stofvrije zones om cleane en ongeïnfecteerde lichamen voort te brengen; airconditioning als de enige manier om de kamertemperatuur te regelen. Een verduisterd voortoneel in een gewelfd theater in het hart van het gebouw, verborgen als een kostbaar juweel. Plus een hele vreemde situatie in een van de studio’s, waar een deel van de vloer uit beton bestaat en aldus voor menige harde landing kan zorgen.

In vergelijking hiermee gaan de nieuwe studio’s van Siobhan Davies in Londen, ontworpen door Sarah Wigglesworth, terug op de vruchtbare relatie tussen architect en cliënt (in dit geval de choreograaf voor wie het gebouw bedoeld was), wat uitmondde in een uiterst gedetailleerde en uitzonderlijk responsieve omgeving, en dit zowel voor de artistieke als zakelijke besognes die een professioneel dansgezelschap kent. Ramen die geopend kunnen worden, spiegels noch balletbarre zoals door de choreograaf gevraagd werd en sprung floors, zelfs in de kantoren. Een variëteit aan textuurrijke oppervlakken doorheen het gebouw, om de zintuigen aan te wakkeren en om de diversiteit aan activiteiten en attitudes die er zich situeren in de verf te zetten. Ontworpen om creativiteit te stimuleren door haar functionaliteit en niet door er gewoonweg goed uit te zien. De hoofdstudio, onder een rijzig dakgebinte van asymmetrische gewelven, brengt een onmiddellijk gevoel van openheid teweeg en leidt de blik naar de vloerruimte, die groot genoeg is om de ruimte ook voor publieke performances dienst te laten doen. De relatie en het proces van wederzijdse consultatie tussen de cliënt en de architect, heeft significante vruchten afgeworpen voor het uiteindelijke ontwerp.

Natuurlijk zou je de specificiteit van deze ruimtes tot op zekere hoogte kunnen bevragen, maar interessant genoeg wijzen de bevindingen van het coming soon rapport erop dat frisse lucht een uiterst belangrijke vereiste is en dat het merendeel van de ondervraagden weinig interesse toont om in transparante ruimtes te werken, of in omgevingen die de fluïde dansbewegingen spiegelen. Ze vragen juist om studio’s waarin ze zich uit de observerende wereld kunnen terugtrekken om in privacy te kunnen werken.

En draai 2, 3, 4

Toen ik het Laban Centre in Londen bezocht, was ik getuige van een opmerkelijke situatie waarbij een glazen muur van een van de klaslokalen gebarsten was, maar voor de rest nog helemaal intact. Toen ik vroeg hoe hierop werd gereageerd, werd me verteld dat veel studenten eigenlijk tevreden waren met hoe dit gebarsten raam effectief enige privacy en geruststellende ontheffing van de panoptische omgeving bood. Merkwaardig genoeg was er een ander bijkomend effect van deze nu aan weerskanten doorschijnende omgeving: wanneer men namelijk aan de openingen in het glas stond, waardoor je in sommige studio’s kon binnenkijken, ontmoette je blik deze van de dansers, die hun hoofd naar je wendden om je te zien, zelfs wanneer ze verwikkeld waren in een beweging. Zo ontstaat een interessante productiemethode om een ‘choreografie van de blik’ te ontwikkelen, die het controlemechanisme dat van deze transparantie uitgaat, mooi illustreert – maar waarschijnlijk was dit niet de intentie van de architect. Of misschien toch wel? ‘Gedurende de dag zijn de reguliere activiteiten van Laban – training, repetities, onderzoek en workshops– semi-zichtbaar doordat men van buitenaf doorheen de muren kan kijken, zodat Laban ‘s nachts als een gekleurde lantaarn of lichtbaken haar licht laat schijnen over het omringende gebied en zelfs verder langs Deptford Creek. Het ontwerp werd geconcipieerd als een fysieke expressie van Labans relatie tot haar lokale gemeenschap – een zinderend inspirerend brandpunt, waar iedereen welkom is.’

Het Laban Centre is duidelijk gebouwd met het oog op het huizen van een organisatie die wil onderwijzen op haar eigen manier en bijkomend haar activiteiten wil tonen door een semi-doorschijnend, gekleurd policarbonaat exterieur. Maar welke types van lichamen, vormen, stijlen en danstradities worden aangemoedigd in deze ruimtes, en welke niet? Konden de architecten en de directie van het Laban Centre, zoals in het geval van het gebarsten glasraam, dergelijke ontwrichtingen van het interieurontwerp tolereren? Meer nog, waren ze in staat deze ‘inbreuk’ te beschouwen als iets dat niet rechtgezet moet worden, maar als iets dat haast letterlijk een venster biedt op hoe de aanvankelijke intenties van het gebouw vorm krijgen en evolueren in resonantie met de ontwikkeling van de studenten en de kunstvorm zelf? Of zullen esthetiek en de ‘instructie’ (het plan) het winnen?

Wanneer buigt de architecturale agenda het hoofd voor de noden van haar gebruikers? Of zijn zij blijvend gebonden aan een overheersend conceptueel ontwerp? ‘Naar mijn mening lijkt er een erg homogene manier van denken te bestaan over hoe architectuur er moet uitzien, maar allerminst over wat architectuur doet. Volgens mij moeten we als architecten ons blikveld verruimen en onze praktijk herdenken, zodat we onze creativiteit kunnen aanwenden om iets te maken dat de productie van inhoud bevordert in plaats van de omgekeerde beweging te volgen. We moeten beginnen denken over de onderliggende structuur, in een denken dat zich verwijdert van externe attributen en stijl.’ (Architect Tor Lindstrand)

Ieder gebouw belichaamt en manifesteert een eigen ideologie, met een eigen beleidsplan over haar gebruik, waarin sommigen meer tolerant en evident zijn dan anderen. Maar welke protocollen en identiteiten moeten hier in Berlijn afgewogen worden? Is het mogelijk om zowel een ruimte voor educatie als een ruimte voor de ‘vrije scène’ onder een en hetzelfde dak te herbergen? Open exploratie naast gradueel verworven competentie? Weerspiegelt de fluïditeit van beweging en het concept van de ontmoeting met anderen, zoals in het geval van het Laban Centre, het ideale programma of is het beter om plannen te smeden die gericht zijn op separatie en isolatie zoals veruitwendigd in de specificiteit van de Siobhan Davies studio’s? Welke andere politics zullen zich laten gelden in de intentie van dit gebouw? Welke prioriteiten zullen haar ontwerp en grondplan sturen? En, te midden van deze discussie, wat is de aard van de operatieve structuren die Tanzraum beoogt op te zetten?

Het stadsbestuur van Berlijn biedt hen geen gebouw aan om dit initiatief in onder te brengen, zodat Tanzraum nog een andere reeks kritische beslissingen moet nemen om een economisch leefbaar gebouw te genereren, voor projecten zowel op korte als op lange termijn. Onafscheidelijk gebonden aan de driejarige steun voor het universiteitsprogramma, is de strategie duidelijk. In het begin zal de betaalde huur door de universiteiten een aanzienlijk deel van de bouwkosten dekken zodat het op touw zetten van de gesubsidieerde studio’s voor residenties van korte en lange duur – niet enkel gericht op de lokale free scene maar ook als een internationale plaats van uitwisseling – mogelijk wordt.

Maar wat gebeurt er als het aanvankelijke startkapitaal op is? Van waar zal het dan komen? Van de – zoals sommige mensen vermoeden – steeds verder gekortwiekte subsidies, die normaal voor productie bestemd zijn? Als dit het geval zou zijn, zouden de bestaande fondsen dan niet beter zo geïnjecteerd worden dat het aantal studio’s die reeds functioneren en ruimtes bieden aan de lokale gemeenschap, gesteund worden, en dit zowel als plaatsen voor educatie als productie? Het werpt de vraag op of een gecentraliseerde locatie voor creatieve kunstpraktijken werkelijk een gemeenschap begunstigt of dat het in tegendeel zelfs meer separatie/territorialisatie in de hand werkt. Meer bureaucratie dus?

Gezien de universitaire opleiding gedurende de eerste drie jaar een pilootproject is, wat zou er dan gebeuren als het gebouw ook een experimentele ruimte wordt in haar ontwerp en constructie van ruimten voor creatieve praktijken, en in deze hoedanigheid als iets temporeels wordt opgevat? Welke waarden en oordelen zouden deze plaats dan belichamen en hoe zouden ze zich vertalen naar het aldaar tot stand gekomen werk? Welke constructiemogelijkheden zouden evident zijn en welke zouden onbeslist kunnen blijven? Welke andere strategieën kunnen ontsluierd worden om opties te creëren voor het ontwerpproces? Kunnen de architecten werken in directe relatie tot de gebruiker, of zelfs een aantal ruimtes in handen geven van de kunstenaars zodat ze kunnen doen wat ze willen met hun studio?

Of is het, zoals we reeds zeiden, enkel nodig om warme, droge en open ruimtes aan te bieden, die simpelweg toelaten dat het werk er gerealiseerd kan worden? (Hierbij echter niet alle technische noodzakelijkheden over het hoofd ziend!)

En kijk 2, 3, 4

Een mogelijkheid zou kunnen zijn dat er een flexibele strategie binnen de structuur zelf gehanteerd wordt, als een manier om in contact te blijven met wisselende noden.

Het plan van het architectenbureau 51N4E voor de omvorming van de vroegere Lamot brouwerij tot een cultuuren congrescentrum in Mechelen werd gesmeed als het voorstel om een gezamenlijk project op te zetten, waarbij het projectmatige LAMOT TM een speciale rol kreeg toebedeeld in het ontwerpproces: ‘Door je positie op voorhand niet zo duidelijk te stellen, kan je relaties bewerkstelligen tussen de architecten, de beleidsmakers, mensen van de stadsmarketing – zodat ze uit hun niches treden en samen aan een project werken.’ Terwijl ze niet de officiële architecten van het gebouw waren, beriep 51N4E zich op de metafoor van het poppenhuis, die ‘het bureau in eerste instantie de mogelijkheid gaf te ontsnappen aan de voor de hand liggende materialen en structurele moeilijkheden die het ombouwen van een brouwerij tot een cultuuren congrescentrum met zich meebrengen en de aandacht te richten op de verschillende programma’s en types van publiek die de vele ruimtes van het gebouw zouden innemen. Het stereotiepe beeld van het poppenhuis – een gebouw zonder gevel waarbij men gelijktijdig de verschillende kamers kan zien – suggereert het veelzijdige potentieel van het gebouw door het ‘opeenstapelen’ van verschillende kamers met verschillende namen en atmosferen.’ Het poppenhuis geeft een blauwdruk van de intentie van de ontwerpers in één helder beeld en brengt hiermee ook het idee van een ‘rollenspel’ in beeld. Het is nu precies dit wat 51N4E beschrijft als een potentieel levensvatbare positie en methodologie voor architecten die zich in dergelijk project engageren.

Zoals Le Corbusiers maxime luidt, is ‘de buitenkant het resultaat van een binnenkant’. Het is duidelijk dat coming soon een aanzienlijke collectie waardevolle data heeft voortgebracht, en dit door de verschillende gezichtspunten van vele mensen, werkzaam in de danssector, samen te brengen. Door dergelijke uitwisseling en aansporing van denkbeelden, is het mogelijk om enkele waardevolle inzichten te verwerven in de noden en besognes van deze steeds veranderende gemeenschap. Als de resultaten van het onderzoek overwogen worden tijdens de planning van het huidige gebouw dat men voor ogen heeft in Kreuzberg (het stadsdeel dat de keuze was van 73% van de ondervraagden), dan kunnen we er alleen maar op hopen dat het – met het effectief van start gaan van de universiteitsopleiding in dans – hier in Berlijn interessante maanden zullen worden.

En terug 2, 3, 5.

Einde van Deel 1

 

coming soon werd getoond tijdens het publieke evenement op 27 augustus 2006 in Podewil als onderdeel van tanz im august (www.tanzimaugust.de) en meer recent tijdens tanz made in berlin en tanznacht in december 2006.

Coming soon omvat:

Promotievideo: 25 minuten durende video van de geïnterviewde choreografen. Openluchtprojectie.

Video-installatie: 25 monitoren tonen de 59 opgenomen interviews

Audio-installatie: ruimtes om naar choreografieën van 12 lokale choreografen te luisteren.

Gesprekken met architecten Sarah Wigglesworth (UK) & Tor Lindstrand (SWE) en choreograaf Mårten Spångberg (SWE)

Performance: Choreographing Books van Peter Pleyer

Survey: een 27 pagina’s tellend gedetailleerd rapport dat haar conclusies uit de online-enquête haalt, die verzonden werd naar 500 mensen zowel in Berlijn als binnen de ruimere internationale dansgemeenschap. Beschikbaar op de dag zelf of via e-mail: coming_sn@yahoo.com

Boek: enkele teksten van Sarah Wigglesworth, Tor Lindstrand en Paul Gazzola met inclusief een DVD met 7 geselecteerde interviews uit de video-installatie en een minuut durende promotievideo.

 

Studio-oppervlakte

Onder 30m² 2%

30 – 50m² 10%

50 – 80m² 10%

80 – 120m² 38%

120 – 150m² 25%

Meer dan 150m² 14%

Plafondhoogte

2.4 – 3m 2%

3 – 4m 8%

4 – 5m 36%

5 – 6m 35%

6 – 7m 9%

Hoger dan 7m 11%

Vorm van de studio

Rechthoek 74%

Vierkant 21%

Andere vorm 6%

Vloertype

Hout 40%

Dansvloer 53%

Ander type 8%

Verwarming

Vloerverwarming 22%

Centrale verwarming 51%

Geen voorkeur 21%

Ander systeem 5%

Koelingsysteem

Airconditioning 24%

Plafondventilator 37%

Niet nodig 40%

Ramen

Met 96%

Zonder 8%

Afmetingen en locatie van het raam

Vloer tot plafond 44%

Standaard 36%

Groter dan 2 – 3m 48%

Dakramen 38%

Natuurlijk licht

Heel belangrijk 70%

Belangrijk 22%

Niet echt belangrijk 6%

Niet belangrijk 6%

Lichttype

Neon 23%

Gloeilampen 31%

Speciale belichting die daglicht nabootst 60%

Dakramen 53%

Uitzicht

Heel belangrijk 33%

Belangrijk 45%

Niet echt belangrijk 18%

Niet belangrijk 6%

Spiegels

Ja, ik geef er de voorkeur aan met spiegels te werken. 37%

Nee, ik geef er de voorkeur aan niet met spiegels te werken 39%

Geen belang 24%

Gordijnen ter afdekking van de spiegels

Ja 84%

Nee 10%

Geen belang 10%

Balletbarre

Ja 26%

Nee 45%

Geen belang 30%

Pilaren

Ja 7%

Nee 81%

Geen belang 11%

Heb je je eigen studio nodig?

Ja 32%

Nee 9%

Afhankelijk van het project 59%

Zou je willen delen?

Ja 38%

Nee 5%

Afhankelijk van het project 57%

Zo ja, met hoeveel andere personen?

1 12%

Meer dan 1 19%

Afhankelijk van wie 60%

Hoe vaak zou je een studio gebruiken?

Dagelijks 32%

Wekelijks 4%

Afhankelijk van het project 62%

Zou je graag een studio hebben waarin je…

Rommel kan maken 56%

Kan Stretchen/Relaxen 81%

Geluid kan opnemen 58%

Een kantoorruimte kan onderbrengen 44%

Ben je van mening dat er kunstenaarsresidenties zouden moeten zijn?

Ja 67%

Nee 9%

Niet zeker 25%

Zo ja, hoe lang zou volgens jou een residentie moeten duren?

Tot 3 maanden 56%

Tot 6 maanden 18%

Tot 1 jaar 8%

Iets anders 19%

Ratio van ruimtes als lesruimtes tot artiestenstudio’s

25% als lesruimte 40%

50% als lesruimte 7%

75% als lesruimte 4%

Studio’s kunnen als beide functioneren 41%

Iets anders 9%

Waar zou je willen dat dit gebouw zich in Berlijn bevindt?

Mitte 63%

Prenzlauerberg 53%

Kreuzberg 73%

Technische vereisten in elke ruimte

Lichtgrid 42%

Lichtpaneel 26%

Verlichting 50%

Cd-speler 89%

Cassettedeck 30%

Aansluiting voor i-pod 60%

Versterker 78%

Luidsprekers 91%

Geluidpaneel 40%

dvd-speler 67%

Videorecorder 49%

Televisie 59%

Videoprojector 31%

Zou je de ruimte willen veranderen terwijl je er in werkt?

Ja 61%

Nee 39%

1 Voor exemplaren in het Engels en het Duits, gelieve coming_sn@yahoo.com te contacteren.

2 Nägele Barbara, Results of an online questionnaire for potential users in connection with a planned new centre for dance in Berlin, p. 26.

3 Jerry Stackhouse, Mavericks verdediger, geciteerd in de International Herald Tribune, 07/12/06

4 Zie www.laban.org/building/architecture.phtml

5 Declerck Joachim en Van Den Driessche Maarten, fragmenten uit Play for Real.

 

artikel
Leestijd 13 — 16 minuten

#105

15.02.2007

14.05.2007

Paul Gazzola

Paul Gazzola is een Australische kunstenaar die in Berlijn woont. Hij creërt werk dat gaat van performance tot mediakunst. Hij volgt nu een masteropleiding architectuur.

artikel