Moevanjoe WIJKTHEATERSTUK THEATER ANTIGONE EN OCMW KORTRIJK, met medewerkers van een projectgroep studenten SCW-IPSOC foto Ivan Vervliet

Marleen Baeten

Leestijd 14 — 17 minuten

Werken vanuit de kracht en niet vanuit de klacht: Rondetafelgesprek over kunst en cultuur in de opleiding sociaal-cultureel werk

In het debat over cultuurparticipatie werd de voorbije jaren een appèl gedaan op de kunstenaars en cultuurverstrekkers. Zij moeten kunst maken en brengen voor een breed publiek. Maar hoe staat het met de zorg voor dat publiek? Welke inspanningen worden er geleverd om de ontwikkeling van het publiek gelijke tred te laten houden met de ontwikkelingen in de kunsten? In de vorige afleveringen focusten we op initiatieven van de kunstensector, het cultuurbeleid en het leerplichtonderwijs. In deze aflevering staat de opleiding Sociaal Werk, meer bepaald de optie sociaal-cultureel werk, centraal. Heeft kunsteducatie een plaats in deze opleiding?

Veel afgestudeerden oefenen een beroep uit met cultuurbemiddeling als deeltaak of zelfs als kerntaak. Ze werken als vormings-, buurt-, of opbouwwerker, maar ook als educatief medewerker in een museum, programmator in een cultuurcentrum of medewerker aan een sociaal-artistiek project. Hoe bereidt de opleiding hen voor op dit brede takenspectrum? En welke plaats krijgen kunst en cultuur in de van huize uit sociale opleiding?

Zeven lectoren die nauw betrokken zijn bij de optie sociaal-cultureel werk (SCW) in evenveel verschillende hogescholen waren bereid deel te nemen aan een rondetafelgesprek op 30 juni. De stakende NMBS-vakbonden staken stokken in de wielen. Uiteindelijk raakten vijf docenten op de plaats van afspraak: Eric Roelandt (lector en optiecoördinator SCW, EHSAL Brussel, Campus Sociale Hogeschool), Marijke Pruyt (lector en optiecoördinator SCW, Arteveldehogeschool, Opleiding Sociaal Werk, Gent), Jos Pauwels (lector Hogeschool Antwerpen, departement Bedrijfskunde, Lerarenopleiding en Sociaal Werk), Dominique Nuyttens (lector KATHO, departement IPSOC, Kortrijk) en Els Leysen (gastlector Katholieke Hogeschool Leuven, departement Sociale Hogeschool Heverlee).

Situatieschets

De driejarige basisopleiding Sociaal Werk (diploma maatschappelijk assistent) situeert zich sinds het hogeschooldecreet van 1994 in het sociaal-agogisch studiegebied en omvat de opties maatschappelijk werk, personeelswerk, sociaal-cultureel werk, syndicaal werk en maatschappelijke advisering. In het tweede of het derde jaar kiezen de studenten voor één van deze specialisaties. De optie sociaal-cultureel werk (SCW) bereidt de studenten voor op de uitoefening van drie kernfuncties: de educatieve, de culturele en de activeringsfunctie. In sommige hogescholen, bijvoorbeeld EHSAL Brussel, wordt hier nog een vierde kernfunctie aan toegevoegd: recreatie en ontmoeting. De opleiding Sociaal Werk in het algemeen en de meeste sociale hogescholen in het bijzonder hebben historische wortels in het middenveld (arbeiders- en andere emancipatorische bewegingen), wat meteen een verklaring biedt voor het feit dat de functies ‘educatie’ en ‘activering’ totnogtoe meestal sterker ontwikkeld waren dan de culturele functie. Kenmerkend voor het sociaal-cultureel werk is dat het werkveld voortdurend in beweging is: het terrein breidt zich steeds meer uit en heeft raakvlakken met diverse sectoren en domeinen, zoals welzijn, cultuur, onderwijs, recreatie, toerisme, milieu, gezondheid, ontwikkelingshulp…

Over de tewerkstellingsprofielen van afgestudeerden SCW bestaat er spijtig genoeg geen cijfermateriaal waaruit eventuele evoluties inzake culturele takenpakketten zouden kunnen afgeleid worden. Uit intern cijfermateriaal van enkele hogescholen en uit observaties van de aan het gesprek deelnemende docenten blijkt dat alvast het studentenprofiel verschuivingen toont in de richting van cultuur. De studenten Sociaal Werk tonen een groeiende belangstelling voor de optie SCW en op hun beurt kiezen 25 tot 35 % van de studenten SCW voor een stage in de cultuursector of in organisaties die kunstzinnig bezig zijn met jongeren. Als mogelijke oorzaken van deze evolutie noemen de docenten:

het effect-Anciaux: als gevolg van een cultuurbeleid dat cultuurspreiding en cultuurparticipatie stimuleert, is de culturele sector veel sterker vragende partij geworden om studenten SCW in te zetten;

het culturele aanbod voor jongeren en studenten is veel groter geworden: daardoor kiest een aantal studenten vanuit een culturele belangstelling voor de opleiding Sociaal Werk, terwijl men zich tot voor kort uitsluitend vanuit een oriëntatie op de sociale sector inschreef; de impact van het culturele klimaat van de stad waarin de opleiding gevestigd is en van de hogeschool: bij sommige studenten wordt de interesse in kunst en cultuur pas tijdens de studententijd gewekt, maar dan wel in die mate dat ze dat terrein stevig verder willen exploreren en er eventueel een beroepsloopbaan in willen uitbouwen.

Hebben deze evoluties invloed op de invulling van de opleiding? In een aantal hogescholen werkt men eraan, maar het is een werk van lange adem en de wijzigingen in het curriculum zijn voorlopig gering. De samenstelling van het docentencorps enerzijds en de inbedding in de opleiding Sociaal Werk anderzijds verhinderen snelle veranderingen. Cultuur komt slechts in zeer beperkte mate aan bod in de gemeenschappelijke vakken (eerste en dikwijls ook tweede jaar). De plaats die kunst en cultuur innemen in de optie SCW verschilt van hogeschool tot hogeschool, maar overal speelt het effect van de stagekeuze: doordat er meer studenten kiezen voor een stage met cultuur als kern- of deeltaak, besteedt men meer aandacht aan kunst en cultuur in de stagevoorbereiden-de en methodiekvakken. Zo ontstaat er een wisselwerking: meer ruimte voor kunst en cultuur tijdens de opleiding zorgt voor een uitbreiding van de contacten tussen de hogeschool en de culturele sector. Hogescholen die de specialisaties al vanaf het tweede jaar aanbieden, hebben meer ruimte voor kunst- en cultuurvakken. De derdejaarsstage beslaat immers een vijftal maanden, wat weinig ruimte laat voor optiespecifieke vakken.

Stelling 1

Studenten die kiezen voor een opleiding aan een sociale hogeschool beschikken reeds over een aantal culturele competenties, waarop de opleiding kan voortbouwen.

Marijke Pruyt De studenten SCW die voor cultuur kiezen, laat ik al een tiental jaar een culturele biografie maken. De meesten hebben van huis uit al veel cultuur meegekregen, dikwijls in de amateurkunsten: de fanfare, de muziekschool… Veel studenten SCW zijn reeds cultureel geëngageerd tijdens hun vrije tijd.

Els Leysen Dat beeld klopt, maar het valt me toch altijd op hoe weinig ervaring derdejaarsstudenten hebben met hedendaagse kunstvormen. Het professionele kunstenlandschap kennen ze vaak helemaal niet.

Pruyt Met bepaalde kunstdisciplines hebben ze meer ervaring dan met andere. Ze gaan gemakkelijker naar muziek dan naar theater; naar dans gaan ze helemaal niet.

Jos Pauwels Eigenlijk komt het erop neer dat ze vooral geïnteresseerd zijn in jeugdcultuur, in het bijzonder in bepaalde muziek- en filmgenres.

Pruyt Wat me ook opvalt, is dat de meeste studenten absoluut geen problemen hebben met het commerciële circuit, waar wij toch kritische vragen bij stellen.

Leysen De definitie die zij geven van kunst en cultuur evolueert van jaar tot jaar. Het commerciële aanbod zit elk jaar steviger verankerd in hun beeld van kunst en cultuur. Maar ze staan wel open voor een kennismaking met nieuwe kunst- en cultuurvormen.

Dominique Nuyttens De meeste studenten hebben zo goed als geen referentiekader om nieuwe kunstervaringen te plaatsen. Ze kunnen overrompeld zijn door een hedendaagse dansvoorstelling, maar ze hebben geen woordenschat om hun ervaring onder woorden te brengen. Met ‘referentiekader’ bedoel ik niet alleen een theoretisch kader, maar ook een geheel van ervaringen waaraan ze nieuwe ervaringen kunnen toetsen. Ze hebben immers nog maar heel weinig gezien.

Pruyt Promotie heeft een grote impact op hun referentiekader. Als ik bijvoorbeeld in het derde jaar vraag welke culturele instellingen ze kennen in Gent, dan kennen ze wel het Publiekstheater met zijn grote promotiemachine, maar dikwijls niet het Nieuwpoort-theater. En ze zitten hier dan al twee jaar op kot! Daarom geven we vanaf volgend jaar les in de cultuurhuizen zelf.

(Er volgen andere voorbeelden van initiatieven om de studenten vertrouwd te maken met het culturele aanbod in de eigen stad en in andere steden.)

Pauwels Dit jaar heb ik de tweedejaarsstudenten enkele recensies laten schrijven: wat vind ik van deze voorstelling, voor welke doelgroep zou ze geschikt zijn…? Er komen heel mooie dingen uit. Gevoelsmatig, inhoudelijk en zelfs technisch kunnen ze wel wat zeggen, maar de enige vraag waarop ze meestal geen antwoord kunnen geven is: schets de context. Naar aanleiding van deze opdracht kreeg ik trouwens de vraag van de studenten: vertel ons waar en hoe we op een betaalbare manier meer cultuur kunnen meemaken. Want we kunnen het niet betalen.

Pruyt Naar aanleiding van de culturele biografie heb ik altijd ook een gesprek over de financiële kant van de zaak, en dan blijkt dat de studenten dikwijls geen moeite hebben om veel geld uit te geven aan muziek. Sommigen draaien er hun hand niet voor om om voor een concert naar Amsterdam of Parijs te gaan, maar aan theater of dans geven ze niet graag geld uit. Angst voor het onbekende is een belangrijke factor: als het tegenvalt, zijn ze hun geld kwijt. Bij een concert weten ze beter wat ze kunnen verwachten. Bij een film weten ze dat ook niet altijd, maar dat is dan weer goedkoper dan het theater.

Eric Roelandt Voor hen zijn ‘kwaliteit’ en ‘wat ze kennen’ dikwijls synoniem. Ik vind dat veel van onze studenten te weinig culturele competentie hebben om uit te maken wat kwaliteit is en waarom een voorstelling goed of slecht is. Voor nieuwe culturele ervaringen blijft dan als enig criterium over: of het hen al dan niet gepakt heeft. In tegenstelling tot wat Jos zegt, vind ik dat ze dikwijls hun eigen oordeel niet kunnen motiveren.

Leysen Een gebrek aan culturele competentie heeft te maken met een gebrek aan ervaring, maar ook met een gebrek aan taal om over kunst te praten en zo de subjectieve ervaring te duiden. Ik merk dat wij daar nog heel veel energie in investeren in het derde jaar. Veel te laat volgens ons.

Nuyttens In het tweede jaar geef ik een aantal analyseschema’s mee. Als de studenten tijdens hun stage met die sleutels werken, krijgen ze er nog een aantal contextgegevens bij. Je kan die taal en dat inzicht wel ontwikkelen, maar je hebt er veel tijd en ervaring voor nodig.

Leysen Kunst en cultuur maken nu deel uit van de eindtermen van het secundair onderwijs. Het probleem zou zich dus in de loop van de komende jaren moeten oplossen. Maar de manier waarop het in de praktijk loopt, is soms zo stuitend dat je je afvraagt welke de effecten zullen zijn. Je gaat naar een voorstelling kijken en je ziet daar een horde zeventienjarigen met papieren op de schoot zitten; ze zitten die in te vullen in plaats van naar de voorstelling te kijken. Je kan een artistieke ervaring ook stuk analyseren,

Jos Pauwels Een steeds groter deel van de instroom in de sociale hogescholen komt niet meer uit het algemeen vormend onderwijs, maar uit het technisch of zelfs beroepsonderwijs. Deze studenten hebben dikwijls heel weinig culturele ervaringen gekregen op school. Ook hun taal is vaak minder ontwikkeld en dat is toch al een belangrijk aspect van de culturele ontwikkeling.

Roelandt De weinigen die uit het kunstonderwijs komen, hebben natuurlijk een grote culturele voorsprong.

Pruyt Wij krijgen meer en meer studenten die er na het behalen van een universitair diploma nog een praktijkopleiding bij willen volgen. Omdat ze ouder zijn, hebben ze doorgaans heel wat meer culturele ervaringen dan iemand die uit het secundair onderwijs komt.

Etcetera Voor de meeste studenten is er dus nog veel werk aan de culturele winkel. Hoe pakken jullie dat aan in de opleiding? Een blik op de curricula leert dat het aandeel theoretische kunst- en cultuurvakken beperkt tot onbestaande is. Cultuur komt wel aan bod in de methodiekvakken en in de voorbereiding op de stage. Zo komen we bij de volgende stelling.

Stelling 2

Iemand die aan cultuurbemiddeling doet, moet op de eerste plaats over de nodige agogische vaardigheden beschikken en een aantal methodieken en technieken beheersen.

Leysen Ik ga niet akkoord met deze stelling. Iemand die aan cultuurbemiddeling doet, moet op de eerste plaats cultuur kennen en zelf beleven. Die moet daar dus ook cognitief een aantal dingen over weten.

Nuyttens In principe moeten de studenten zich zowel de agogische als de productieve en de wetenschappelijke benadering eigen maken. Het is niet zo gemakkelijk om dat in de schoolcontext te organiseren. In het eerste jaar krijgt iedereen een week creatieve expressie, waarbij wij proberen de link te leggen met hoe een artistiek productieproces doorlopen wordt. In het tweede en derde jaar komt de wetenschappelijke benadering aan bod in de vakken cultuursociologie en cultuurfilosofie. Hoewel ik een methodiekvak geef in het tweede jaar, besteed ik een derde van de tijd aan het geven van informatie over beeldende kunst, theater en dans. Ik schets de contexten gedeeltelijk zelf en nodig ook gastsprekers uit. In de beperkte tijd waarover we beschikken, kan je wel enkele hete hangijzers problematiseren, maar veel verder dan dat raak je toch niet. Bovendien slagen de meeste studenten er niet in om dat allemaal te integreren. In het derde jaar zijn ze vaak al vergeten wat ze in het eerste en tweede jaar geleerd hebben.

Roelandt Ik ga niet helemaal akkoord met de stelling omdat het woord ‘cultuurbemiddeling’ moet gedefinieerd worden. Ik volg Vincent de Waal, die in zijn laatste boek ‘Uitdagend leren‘ een onderscheid maakt tussen kunstbemiddeling, kunsteneducatie en kunstenanimatie. Bij kunstbemiddeling gaat het om mensen in contact brengen met de kunsten: activering en kunstspreiding. Dekunst raakt niet bij de mensen; de mensen raken niet bij de kunsten. Daar een brug tussen bouwen. Kunsteneducatie gaat over doelgericht leren omgaan met kunst; leren van, over en met de kunst. Leren kijken en luisteren naar kunst, reflecteren en je verdiepen. Bij kunstenanimatie gaat het over enthousiasmeren, motiveren, stimuleren van mensen om kennis te maken met kunst en er in hun leven iets mee te doen. Het gaat vaak over sociaal-artistieke projecten. De agogische vaardigheden komen in de drie benaderingen telkens op een andere manier aan bod en men veronderstelt meer inhoudsdeskundigheid bij kunsteneducatie dan bij de andere twee.

Leysen Ook voor cultuurbemiddeling heb je inhoudsdeskundigheid nodig, want je moet mensen naar kunst begeleiden.

Etcetera Laten we het bij kunstbemiddeling in de strikte zin houden, want het is logisch dat je goed op de hoogte moet zijn van kunst als je aan kunsteducatie wilt doen. Welke inhoudsdeskundigheid heb je nodig om mensen te laten participeren aan kunst en cultuur?

Pauwels Ik discussieer daarover met de studenten, maar ik neem er nooit stelling over in ten aanzien van hen. Ze hebben dikwijls weinig culturele competentie, maar ze werken ook voor mensen met weinig competentie. Misschien begrijpen ze die nu wel beter dan wanneer ze te veel weten. In elk geval is het onmogelijk om een student die niets van kunst weer cultuurcompetent te maken tijdens een driejarige opleiding die daar niet specifiek over gaat.

Pruyt Je merkt wél dat onze studenten – bijvoorbeeld in een museum – sneller de vertaalslag kunnen maken naar bepaalde doelgroepen dan iemand die bijvoorbeeld kunstwetenschappen gestudeerd heeft. Ze weten de doelgroep zitten, ze hebben hun persoonlijke netwerken met medestudenten die in het buurt- of opbouwwerk werken, ze kunnen mensen aanspreken op een betrokken manier, ze ontwikkelen andersoortige activiteiten dan klassieke rondleidingen. In een cultuurcentrum moet je niet alleen programmeren, maar moet je ook zorgen voor de omkadering van het programma, je moet gemeenschapsvormende projecten initiëren en netwerken uitbouwen die het cultuurcentrum overstijgen. Onze studenten zijn zeer goed in het uitwerken van ondersteunende en vernieuwde activiteiten. Aan de inhoud, ja, daar hebben ze werk aan om die te leren kennen. Maar die is zo divers dat wij dat niet allemaal kunnen aanbieden tijdens de opleiding. De sterkte van SCW’ers bestaat in: de vertaalslag maken, bruggen bouwen, mensen op hun kracht aanspreken in plaats van hun klacht. In een multidisciplinair team betekent dat en waardevolle aanvulling. Zij leren van de collega’s en van de context waarvoor ze gekozen hebben en de collega’s leren van hen.

Etcetera Niet iedereen komt in een team terecht. Een buurtwerker staat er dikwijls alleen voor of werkt zelden samen met collega’s uit een andere discipline. Soms zal hij moeten optreden als cultuurbemiddelaar. Heeft hij daarvoor en inhoudelijk referentiekader nodig?

Nuyttens Dit jaar hadden we een studente die in Antwerpen kansarmen begeleidde in een project Cultuur proeven. Het was een heel sterke studente, maar halverwege haar stage zei ze: ‘Ik weet er veel te weinig van af. Ik moet een vertaalslag maken, maar het volstaat niet om de informatie die op het blaadje staat in andere woorden te zeggen. Ik heb toch wat meer achtergrond nodig om de essentie helder te kunnen doorgeven en in gesprek te kunnen gaan met een doelgroep.’

Pruyt In die situatie klopt dat. Maar er zijn toch groepen die voor het eerst naar het Museum voor Schone Kunsten gaan, voor wie het kunsthistorische perspectief niet zo belangrijk is.

Etcetera Ik denk dat we het er allemaal over eens zijn dat een diploma kunstgeschiedenis geen garantie is om een goede gids te zijn. Maar ik stel de àndere vraag: is het voldoende dat iemand beschikt over een aantal agogische vaardigheden?

Pruyt Je moet wel beschikken over een zeker inhoudelijke achtergrondkennis, maar die moet niet zo gedetailleerd zijn.

Leysen Ik ben ervan overtuigd dat je achtergrondkennis sterk moet zijn om te kunnen bemiddelen naar specifieke doelgroepen. Ik denk zelf sterker en sterker, omdat de kunstwereld zo verscheiden is.

Pruyt Maar binnen de beperkte tijd waarover we beschikken moeten we beschikken moeten we realistische doelstellingen nastreven.

Leysen Ik denk dat het wél zou kunnen indien we er vanaf het eerste jaar mee konden starten.

Pruyt Ik denk niet je het allemaal moet weten.

Leysen Het gaat om ‘belevingskennis’.

Pruyt Wij zijn geen kunstopleiding. Ik trek al jaren aan de kar om het culturele een grotere plaats te geven in de opleiding Sociaal Werk en ik juich het toe dat er in de kunstopleidingen meer aandacht komt voor het sociale, maar beide opleidingen en hun studenten hebben wel een verschillend profiel.

Etcetera Mag ik het zo samenvatten: je moet ervaring hebben met een aantal kunst en cultuuruitingen en je moet beschikken over een kader dat je helpt om een gesprek aan te gaan over fundamentele vragen die een doelgroep zich kan stellen, bijvoorbeeld: is dat kunst?

Leysen Juist.

Pauwels Dan wil ik mijn eigen competentie toch wel in vraag stellen. Podiumkunsten vormen geen probleem; ik heb een opleiding theaterwetenschappen achter de rug. Maar of ik hetzelfde kan met betrekking tot beeldende kunst? Soms voel ik me als docent een leek op bepaalde terreinen. Studenten die in de muziek-en festivalwereld zitten, weten daar alles van. Ik ben bovendien al een stuk ouder dan zijn. Wanneer ik samen met hen onderzoek hoe je doelgroepen kan leiden naar die niet altijd eenvoudige muziek, dan voel ik dat het ook voor mij niet altijd zo evident is om de transfer te maken tussen de kaders die ik reeds opgebouwd heb en nieuwe terreinen.

Pruyt Ik denk dat wij het accent toch vooral moeten leggen op de kennis van de doelgroep en hoe de studenten de klik kunnen maken naar die doelgroep. Maar voor de inhoud vallen ze terug op hun stageomgeving, bijvoorbeeld de educatieve dienst van het museum of de kunstenaar in het sociaal-artistieke project. De SCW-ers zijn go betweens.

Leysen In het verhaal dat jij schetst, is er een museum met een educatieve dienst of een kunstenaar die verbonden is aan een theatergezelschap met relaties in het sociale werkveld. Je verwacht dus van de kunstenwereld dat die al de stap gezet heeft richting educatie of bemiddeling. Maar dat is nog lang niet altijd het geval.

Pauwels Onze studenten moeten de attitude hebben: als ik ergens ga werken, dan moet ik me erop toeleggen om de specifieke inhoud onder de knie te krijgen. Je kan dat niet allemaal voorzien in de opleiding, want de inhouden zijn veel te divers.

Nuyttens Behalve kunst en cultuur zijn er nog andere thema’s die in aanmerking komen voor meer aandacht: multiculturaliteit, vrije tijd…

Etcetera Er is niet genoeg tijd?

Pauwels Het is ook geen prioriteit.

Roelandt ‘Er is niet genoeg tijd’ is het gevolg van ‘het is geen prioriteit’. De klemtonen samenlevingsopbouw en educatie zijn meestal steviger verankerd in de opleiding omdat ze deel uitmaken van een opleiding Sociaal Werk, waar men er sterk over waakt dat het sociale aspect goed zichtbaar blijft. Als men van die premisse zou afstappen en zou uitgaan van een even groot belang van kunst en cultuur, dan zou men daarvoor meer tijd willen en kunnen vrijmaken.

Stelling 3

Basiskennis van en -inzichten in kunst en cultuur moeten deel uitmaken van de gemeenschappelijke vakken tijdens de eerste twee jaar van de opleiding Sociaal Werk (diploma maatschappelijk assistent).

Pruyt Ik vind dat alle studenten Sociaal Werk een culturele onderstroom moeten meekrijgen. Een maatschappelijk assistent die op het OCMW werkt, moet het met zijn cliënten niet alleen hebben over het leefloon en hoe ze daarmee rondkomen. Hij moet het ook kunnen hebben over sociale netwerken, cultuur en andere vormen van persoonlijke ontwikkeling. Met de cultuurwaardebons in een aantal gemeenten of de extra subsidies aan OCMW’s voor cultuur- en sportactiviteiten van hun cliënten (initiatief van minister Vande Lanotte) kan men daar zelfs niet meer onderuit. Wij stellen dan ook voor om met alle eerstejaarsstudenten te werken rond het interculturele, het culturele en het creatieve. Vanaf het tweede jaar kunnen dan de specialisaties uitgebouwd worden. Iemand die individueel maatschappelijk werk doet in de psychiatrie, in een seniorencentrum of een dagcentrum voor gehandicapten moet zeker ook over minimale culturele competenties beschikken.

(Er volgt een uitwisseling van praktijkvoorbeelden: initiatieven die ook studenten uit de andere opties in contact brengen met cultuur. Iedereen is het volmondig eens met de stelling. Men formuleert enkele aanvullingen.)

Pruyt Ook de manieren van werken die eigen zijn aan de optie SCW – projectgericht en probleemgestuurd – zouden geïntegreerd moeten worden in de algemene opleiding.

Pauwels Wij hebben goede ervaringen met de beroepgerichte leergroepen, waarin alle finaliteiten aan bod komen.

Nuyttens Ik zou het een goede zaak vinden indien alle studenten SCW kennis zouden maken met de manier van werken van een kunstenaar. Die verschilt dikwijls sterk van die van het sociaal-cultureel werk: minder planmatig te werk gaan, het experiment toelaten, het toeval laten spelen. Een vertrouwdheid met de artistieke attitude vind ik heel belangrijk voor sociaal-cultureel werkers, zeker als ze later bijvoorbeeld in een sociaal-artistiek project stappen.

Pruyt Bij de curriculumhervorming zal het heel belangrijk zijn om losser te komen staan van de vakkenstructuur, zodat de opleiding flexibeler kan inspelen op wat zich aandient in het werkveld.

Roelandt Als kunst en cultuur al aan bod komen in de vakken, dan gaat het dikwijls nog te eenzijdig over cultuur en niet met en door cultuur. Men legt de kunststromingen uit, maar er bestaan ook creatieve werkvormen waarin de studenten hun eigen leren kunnen sturen. We denken nog te veel in termen van vakken en ex cathedra doceren, maar het is ook – en hoe langer hoe meer – een kwestie van centen. De hogescholen organiseren de lessen het liefst in grote groepen, want dat kost het minst.

Etcetera Bieden de grote structuren waar de sociale hogescholen nu deel van uitmaken naast de ongemakken ook nieuwe mogelijkheden?

Roelandt Je ziet dat veel studenten Sociaal Werk op sociaal en/of cultureel terrein bezig zijn met kinderen en jongeren. Daarom denk ik soms aan een synergie met de lerarenopleidingen. Daar zitten specialisten op het vlak van ontwikkelingspsychologie en andere leeftijdsgebonden aspecten. Je hebt er docenten muzische vorming en in het kader van de vakoverschrijdende eindtermen worden inhouden aangeboden die ook interessant kunnen zijn voor studenten SCW.

Pauwels In de lerarenopleiding heb je inderdaad een vakkenpakket muzische vorming, dat – als het goed zit – breed gericht is. Alles hangt af van de betrokken lectoren. Beeldende vorming beperkt zich soms tot tekenen of zelfs schoonschrift. Muziek kan zeer klassiek schools gegeven worden: de leraren in spe moeten liedjes kennen en blokfluit kunnen spelen. Is dat muzische vorming? Het is een andere discussie, maar wel een fundamentele.

Roelandt De grote structuren waarbinnen onze hogescholen nu functioneren, bieden in elk geval in theorie mogelijkheden tot samenwerking die de opleiding overschrijdt. Met betrekking tot ‘moeilijk bereikbare doelgroepen’ biedt dat toch wel perspectieven. Veel volwassenen hebben kinderen. Al die kinderen gaan dagelijks de schoolpoort binnen. Studenten uit de lerarenopleiding en de opleiding sociaal werk die al eens samengewerkt hebben, zullen later misschien ook gemakkelijker een netwerk uitbouwen om via de school ook de ouders te bereiken voor andere zaken dan de schoolresultaten van hun kinderen.

Pauwels In onze hogeschool is er een voortgezette lerarenopleiding muzische vorming, gericht op afgestudeerde leerkrachten en opgenomen in het decreet lerarenopleiding, en daarnaast een voortgezette opleiding artistieke en kunstzinnige vorming, voor mensen uit andere werkvelden, o.a. het sociaal-cultureel werk. Beide voortgezette opleidingen lopen grotendeels samen. Maar ja, hier kiezen mensen ervoor om gedurende twee jaar elke zaterdag bezig te zijn met muzische vorming.

Pruyt Er is nog veel werk aan de winkel, maar als je de huidige situatie vergelijkt met die van tien jaar geleden, dan is de culturele stroming binnen de sociale hogescholen in elk geval al veel sterker geworden.

Pauwels Het was dan ook geleden van de periode waarin het vormingstheater platgevallen is. (Algemene hilariteit)

1 Vincent de Waal, Uitdagend leren. Culturele en maatschappelijke activiteiten als leeromgeving, Uitgeverij Coutinho, Bussum, 2001, 331 pp.

 

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

gesprek
Leestijd 14 — 17 minuten

#88

15.09.2003

14.12.2003

Marleen Baeten

Marleen Baeten is lesgever in Open School Leuven en freelancer in de kunstensector.