Democratisch fascisme
Redactioneel Etcetera 183
Floris Baeke
Groenten uit Balen, één zee & Stany Crets © Luk Monsaert
Bestaat rechts theater en hoe ziet het eruit, vraagt Evelyne Coussens zich in dit essay af. Daarover iets formuleren is vandaag de dag, excusez les mots, een bescheten commissie. Vroeger was alles beter, toen de begrippen die de wereld definieerden nog voor iedereen helder waren. (Spreekt de rechtse rakker.) Vandaag zijn dezelfde definities rekbaar als kauwgum, plakken ze eindeloos aan je vingers. Toch vallen, op basis van een intuïtieve terreinverkenning, misschien een aantal lijnen te trekken door het Vlaamse podiumveld. Zonder waarheidsclaim, dat spreekt. (Zegt de linkse postmodernist.)
Serieus nu: de ware wereld bestaat natuurlijk niet, er is alleen de manier waarop de wereld wordt ervaren in het perspectief van mensen die, individueel en collectief, een bepaalde tijdgeest ondergaan en die versimpelen tot een behapbaar, geruststellend beeld. Ik groeide op in de jaren 1980 en ook in mijn hoofd zit een helder en schematisch overzicht van wat in die tijd politiek rechts was, en wat links. Dus zeg ik: in het Vlaanderen van de jaren 1980 besloeg rechts alles ter rechterzijde van de christendemocratie. De facto: de PVV (Partij voor Vrijheid en Vooruitgang)—voorloper van Open Vld/Anders, niet te verwarren met het Nederlandse Wilders-vehikel—want het Vlaams Blok was er nog niet. En o ja, dat kleine partijtje, de Volksunie, dat vanuit een heel andere hoek binnenkwam: de rehabilitatie van de Vlaamsgezinden die zich tijdens de Tweede Wereldoorlog tot collaboratie met de nazibezetter hadden laten verleiden, met het verzelfstandigen van Vlaanderen als staat(je) als droom.
Het illustreert meteen twee verschillende aanvliegroutes voor het begrip ‘rechts’: een route die ik ‘vorm’ zou noemen, en eentje ‘inhoud’. In de economisch georiënteerde rechtse stromingen wordt gezocht naar een gepaste vorm (het liberalisme) waarbinnen de burger zelf ‘het goede leven’ vorm kan geven. In de nationalistisch gedreven vorm krijgt dat goede leven een duidelijke ideologische invulling, op basis van een gemeenschappelijke identiteit. In een verhelderend artikel in De Groene Amsterdammer noemde politiek filosoof Alexander Lefebvre (2025) dit respectievelijk “statecraft” en “soulcraft”. Communisme en fascisme waren extreme pogingen om inhoud te scheppen, waarbij de staat haar geweldsmonopolie maximaal aanwendde om burgers in de juiste rol te dwingen. Daartegenover lijken de liberale democratieën brave regisseurs. Ze scheppen louter speelkaders, onthouden zich van ideologische dwang, maar zoals iedereen in de theaterwereld weet: vorm is inhoud, toch?
De (partij)politieke categorieën zijn natuurlijk maar een nauwe invulling van een veel breder betekenisveld rond ‘links’ en ‘rechts’. Ze worden gekruist en doorkruist door allerlei andere begrippen: progressief en conservatief, nationalistisch en globalistisch, vooruitgangsdenken en doemdenken. Op die manier nestelen ze zich ook tot ver buiten het stemhokje in het dagelijkse leven. Burgers positioneren zichzelf ergens op de as tussen links en rechts en leven daarnaar—de begrippen maken deel uit van de ‘habitus’, zoals socioloog Pierre Bourdieu die in de jaren 1960 definieerde. Links, dat betekent: sociaal, progressief, solidair, ecologisch, geëngageerd, optimistisch, feministisch, globalistisch, gericht op rechtvaardigheid en gelijkwaardigheid. Rechts is conservatief, voorzichtig, traditioneel, individueel, klassiek, pessimistisch, gericht op veiligheid en (financiële) stabiliteit. Bij het begrip ‘gemeenschapsvormend’ aarzel ik. Ik denk aan de vele participatieve podiumpraktijken die zo duidelijk mikken op verbinding tussen diverse groepen. Tegelijkertijd claimen bij uitstek extreemrechtse partijen dat gemeenschapsvormend discours, waarbij het er maar om draait wie ‘binnen’ of ‘buiten’ de groep valt, natuurlijk. Deze partijen trekken die scheidslijn trouwens op dezelfde vanzelfsprekende manier waarop in dit artikel een ‘wij’ wordt gedefinieerd, bestaande uit mezelf als auteur plus wellicht honderd procent van de lezers, sprekend vanuit de ‘linkse’ habitus. Goed om dit in het achterhoofd te houden.
Versimpelingen dus, in politiek en in leven, maar de laatste decennia hebben we het steeds moeilijker om deze reducties vol te houden. Mijn uitgangspunt luidde eigenlijk: ondanks het feit dat de benaderingen van een begrip als ‘rechts’ uiteenlopend kunnen zijn, leeft er bij ‘ons’ toch intuïtief een vrij helder beeld van wat ‘rechts’ is (en dus ook: van wat rechts theater is). Alleen weet ik niet of dat simpele ‘weten’ van pakweg tien jaar geleden nog wel geldt. De versnelling van het individualiseringsproces in het Globale Noorden (door democratisering van het onderwijs, consumentisme-op-maat en selfshaping via nieuwe technologieën) heeft ervoor gezorgd dat mensen hun eigen lifestyle vormgeven en daarvoor uit heel verschillende ideologieën en categorieën plukken. Wat moeten we denken van rechtse yogamoeders of fietsfascisten? Van klimaatontkenners die in de voedselhulp werken of gewelddadige uitwassen van de antiracismebeweging? Van xenofobe dierenliefhebbers? Of, begot, van rechts theater?
“Wat moeten we denken van rechtse yogamoeders of fietsfascisten? Van klimaatontkenners die in de voedselhulp werken of gewelddadige uitwassen van de antiracismebeweging?”
Het vervelende aan de vraag hoe rechts theater er zou kunnen uitzien is dat die vraag onlosmakelijk samenhangt met een tweede semantische kwestie, namelijk wat theater is of hoe ‘we’ kunst en kunstenaars definiëren. Vandaag. Want strikt genomen is het bijzonder makkelijk om historische voorbeelden te noemen van rechts theater: bij ons liet toneelauteur en collaborerende pater Cyriel Verschaeve eind de jaren 1930 wel wat pareltjes uit zijn pen vloeien (Elijah uit 1936 en Jezus uit 1939), maar ook in Duitsland en in Italië werd theater volop ingezet om aan soulcraft te doen—wie inzicht wil in het Vlaamse theaterbedrijf en de bedrijvigheid in die fascistische tijden, leze de vermakelijke roman De draaischijf van Tom Lanoye. Alleen noemen we deze toneelstukken geen kunst, maar propaganda—en daarmee zuiveren we het theater alvast preventief van zijn ergste ideologische smetten.
Een kleiner maar even betekenisvol voorbeeld, dichterbij in de tijd: toen theaterregisseur Stijn Brouns in 2024 op de verkiezingslijst van Vlaams Belang ging staan en hevig tekeerging tegen de ‘woke’ cultuursector, maakten we ons er makkelijk van af met de gedachte dat Brouns geen ‘echte’ regisseur en kunstenaar was. Is het omdat Brouns geen diploma heeft van een officieel erkende kunstopleiding, maar autodidact is—een argument dat we bij zij-instromers van andere ideologische signatuur niet gauw zouden gebruiken? Om maar te zeggen: zo bang zijn we blijkbaar voor de smet van rechts, dat we alvast semantisch onze rangen zuiveren.
Tegelijkertijd roept deze semantische operatie een nieuwe vraag op: diskwalificeren we theater alleen als ‘rechts’ wanneer zijn makers of inhoudelijke boodschap (te) rechts zijn, zoals in voorliggende gevallen? Of kunnen we breder kijken naar ‘rechtse’ artistieke vormen, ‘rechtse’ organisatievormen of zelfs ‘rechtse’ effecten?

De hoogste berg, Robrecht Vanden Thoren © Thomas Dhanens
Voer voor zo meteen. Laten we eerst nog snel eens het professionele podiumlandschap afspeuren naar ‘rechtse’ makers met ‘rechtse’ boodschappen—goed wetende dat we ons daarmee op glad ijs begeven. De oogst is mager. Ja, je zou Ivo Van Hoves enscenering van Ayn Rands The Fountainhead (2014, bij ITA) ‘rechts’ kunnen noemen, omdat ze de ideologische lading van de roman (een lofzang op het liberale individualisme) ongewijzigd laat. Vervolgens komen we snel uit bij de controverses rond vooral Nederlandse cabaretiers als Youp van ’t Hek, Theo Maassen en Hans Teeuwen, wier populaire transgressieve humor uit de jaren 1990 sinds de jaren 2000 en 2010 sterk onder vuur kwam te liggen. Hun strategie—het uitspelen van negatieve stereotypen—werd, zo schrijf Dick Zijp (2023) in De Groene Amsterdammer, ingehaald door de realiteit: wanneer politici die stereotypen over minderheidsgroepen gaan herhalen en gebruiken, wisselt de humor van kamp. Ze bevestigt de macht, in plaats van haar uit te dagen. In het nauw gedreven door de toenemende kritiek op hun seksistische en racistische grappen zijn hun shows volgens Zijp ook defensiever geworden: ze thematiseren vandaag vaak expliciet het recht op het maken van ‘harde grappen’. Maassen maakte met Situatie gewijzigd (2019) een show over de vraag of hij als witte, heteroseksuele man sowieso ‘dader’ is. Het doet denken aan De hoogste berg van de Vlaamse acteur Robrecht Vanden Thoren, een cabaretsolo waarin hij op een gegeven moment in een datingcontext ditzelfde gegeven onderzoekt, type: ‘een man kan ook niks meer goed doen vandaag’. In Vlaanderen is de komiek Urbanus in shows als Bis bis bis (2022) een openlijke criticaster van de ‘linkse’ wokecultuur, net als toneelauteur Guido Van Meir in Cornelius en de aliens (2024), een generatiekomedie waarin boomers en millennials tegenover elkaar komen te staan. Het ironiseren of ‘bevragen’ van dit ‘woke’ gedachtegoed doet in deze shows nogal vaak aan als een slap afleidingsmechanisme om toch die ene, ‘rechtse’ grap te kunnen maken.

Powerplay, Valentijn Dhaenens © Adel Setta
Al bij al lijkt het erop dat er binnen de professionele Vlaamse theatersector een afwezigheid is—al dan niet door het onuitgesproken culturele veto, sommigen zullen het cancelcultuur noemen—van ideologisch ‘rechtse’ makers en inhouden. Maar hoe zit het met de ‘vormen’? Wat is een ‘rechtse’ theatervorm? Op het gevaar af in een syllogisme te vervallen (“Ik pas in mijn schoenen, mijn schoenen passen in een koffer, ik pas in mijn koffer”) valt misschien te redeneren: als woorden als ‘traditioneel’ of ‘klassiek’ tot de ‘rechtse’ woordenwolk behoren, dan is theater dat zich van deze vormen bedient ‘rechts’. Ai, dit is méér dan glad ijs, het brengt alle gezelschappen of regisseurs die pakweg van een well-made play houden onder in het rechtse kamp. Denk: de producties van niet-gesubsidieerde organisaties als één zee van Stany Crets (ensceneringen van Thuis, Groenten uit Balen) maar bijvoorbeeld ook nogal wat voorstellingen van Stijn Devillés Het nieuwstedelijk, vertelvoorstellingen van Het Kwartier of toneel- en bewerkingswerk van Tom Lanoye. Tom Lanoye rechts? Neen, dit slaat nergens op.
En toch. Vorm is niet onschuldig, vorm is niet slechts het omhulsel van de overtuiging die in de inhoud zit verscholen. Het schept mee die overtuiging—net zoals Lefebvres statecraft niet zo ‘neutraal’ is als het lijkt. Waarbij altijd de vraag blijft of het überhaupt mogelijk is om progressieve inhouden in traditionele vormen te gieten. Zo is er de zelfverklaard ‘feministische’ inslag van Susanne Kennedy’s opera Parsifal (2025), waarbij sleutelpersonage Kundry, muurvast in de partituur, de hele eerste akte de mond wordt gesnoerd. Of het recente Powerplay (2025) bij KVS, waarin regisseur Valentijn Dhaenens oprecht vragen wil stellen over ongelijke machtsverhoudingen binnen de theatersector, maar die door een theatraal ‘traditionele’ rolverdeling eigenlijk gewoon representeert. Of, jawel, Tom Lanoyes Wie is bang (2019), een remake van Who’s Afraid of Virginia Woolf, waarbij een uitgesproken dekoloniserende insteek van het verhaal platgedrukt wordt in de onveranderde verhaalstructuren uit Albees klassieker.
Toch blijkt het, door onze hedendaagse obsessie met inhoud, bij het nadenken over vormen veel moeilijker om termen als ‘links’ of ‘rechts’ toe te passen. Eerder gaat het om ‘herkenbaarheid’, ‘houvast’ of ‘kijkgemak’. Waarbij zelfs schokkende verhalen beteugeld blijven door de veilige kaders van traditionele storytelling. En het publiek daardoor impliciet de boodschap krijgt: hier zijt ge veilig.
“Toen theaterregisseur Stijn Brouns in 2024 op de lijst van Vlaams Belang ging staan, maakten we ons er makkelijk van af met de gedachte dat Brouns geen ‘echte’ regisseur en kunstenaar was.”
Toen ik de Nederlandse theatermaker Dries Verhoeven recent interviewde voor De Lage Landen (2026), formuleerde hij het zo: “Ik ga niet naar een kunstinstelling om me veilig te voelen. Ik wil dat ik op scherp word gezet. Ik word altijd blij van kunstwerken die niet geruststellen, maar ons juist doodsbang maken.” Het brengt ons bij een verschuiving van de focus op wat theater zegt of betoogt naar de vraag wat theater doet of veroorzaakt. En daarmee samengaand: de vraag wat een toeschouwer verwacht. Kritische reflectie of een avondje vertier? De geruststelling dat alles bij het oude blijft of het ongemakkelijke gevoel dat de wereld op haar grondvesten davert? Kunst, zo zegt het hedendaagse, modernistische verwachtingskader, is spannend, laat ons wereldbeeld verschuiven, confronteert ons met het ongekende. Dat de kunst—en theaterwereld—‘links’ is, knoopt aan bij dit progressieve perspectief waarin het ‘oude’ minder aantrekkelijk is dan een nieuwe, andere toekomst. Het doorbreken van de status quo gaat voor op de eerder ‘rechtse’ bevestiging dat de maatschappij prima is zoals ze is (of, in nostalgische stromingen: was).
Als theater de kunst van de verbeelding is, dan is het zo bijna uit eigen aard dat ze zich de toekomst anders verbeeldt—en dat gaat gepaard met het nodige ongemak. Ongemak ervaart een toeschouwer pas écht wanneer niet alleen de inhoud, maar ook de vormentaal de vertrouwde paden verlaat. Vandaar dat de grillige, soms beangstigende voorstellingen van pakweg Kim Noble, Katy Baird of Cherish Menzo pas waarlijk de status quo doorbreken. Hoe moeten we met de verhalen, de lichamen, de agressie van deze ‘anderen’ omgaan? Eerder dan progressief of conservatief zijn deze podiummakers transgressief: ze laten ons buiten de grenzen denken van wat we kennen, confronteren ons met de onmaat, zoals socioloog Pascal Gielen (2014) het noemt. Die moedige representatie van de onmaat, niet als voorwerp van ironie of als freak, maar als legitieme aanwezigheid binnen onze samenleving, is wat deze praktijken ‘progressief’ maakt. Verhoevens gedachtegang valt in die zin misschien als volgt te lezen: elke theatervoorstelling die ons niet openbreekt, die ons perspectief niet opschudt maar ons onveranderd naar onze knusse huizen laat gaan, is een rechtse theatervoorstelling.
Bijgedachte: fascinerend bij het onderzoek naar de verwachting van de toeschouwer is de relatie tussen geld en cultureel conservatisme. Neem opera: hoe meer geld er omgaat (bij een organisatie en bij een kapitaalkrachtig publiek), hoe hoger de inzet, hoe krampachtiger het verlangen om een bepaalde status quo te bewaren. Status betekent hier ook: maatschappelijke status, het etaleren van maatschappelijk succes, los van de artistieke kwaliteit die daarvoor de achtergrond vormt—de operavoorstelling vormt het decor voor de eigenlijke performance. Zo is het tenminste in de meeste operahuizen ter wereld—ik durf met een zweem chauvinisme te beweren dat de opera in Vlaanderen ferme pogingen doet om aan deze conservatieve kaders te morrelen. SANCTA van Florentina Holzinger, niet alleen inhoudelijk maar ook vormelijk echt wereldschokkend, is zo’n gedurfde en radicale zet dat de hoop gloort dat er ooit zoiets als een ‘linkse’ opera mogelijk is.
Een laatste gedachte betreft niet de zoektocht naar artistiek, maar naar organisatorisch ‘rechts’. Want zoals de vorm de inhoud bepaalt als een nauwsluitende jas, zo bepalen de organisatiekaders vorm én inhoud—die sector neemt, op enkele vrijgevochten uitzonderingen na, precies de vorm aan van het bestel waarbinnen hij functioneert. Over de aard van dat bestel hoeven we niet lang na te denken. Het is rechts, niet op de soulcraft-manier (cultuurbeleid dient zich tot nader order nog steeds formeel te onthouden van ideologisch-inhoudelijke inmenging), maar des te meer op de statecraft-manier. Op papier heeft elk gezelschap de vrijheid zich te organiseren zoals het wil, maar in de realiteit domineren de neoliberale principes van competitie, concurrentie, excellentie. De kunstenaar-ondernemer moet zichzelf in de markt zetten—er wordt in die context vanuit economisch-rechtse hoek nogal vaak verwezen naar een Peter Paul Rubens, uitstekend zakenman en toch geen kleine kunstenaar. Vandaag, in gesubsidieerde tijden, zijn de meeste gezelschappen historisch gezien vzw’s, gericht op het faciliteren van zo’n gezaghebbende ‘geniale’ kunstenaar.

Bis bis bis, Urbanus © Maarten Geukens
“Het is een deprimerende gedachte dat in wezen al ons gesubsidieerde theater rechts is, want ontsproten aan de schoot van neoliberale, neokoloniale, patriarchale organisatievormen.”
Het leidt tot de deprimerende gedachte dat in wezen al ons gesubsidieerde theater rechts is, want ontsproten aan de schoot van neoliberale, neokoloniale, patriarchale organisatievormen. Er worden in de podiumsector veel inspanningen gedaan om te evolueren naar meer horizontale en inclusieve systemen, maar die organisaties zijn zelf weer nauw omsloten door maatschappelijke en politieke kaders en door mondiale systemen die vragen om efficiëntie en rendement. We lijken onszelf maar niet ‘links’ georganiseerd te krijgen—opnieuw op enkele uitzonderingen na, die experimenteren met collectieven en coöperatieven.
Alle begrip, het is vandaag de dag vechten op vele fronten. Maar zolang de podiumsector zich neerlegt bij het bestaan van deze rechts-organisatorische mal en achter de schermen blijft werken vanuit fundamenteel kapitalistische systemen, moet hij misschien voor de schermen wat minder hoog van de toren blazen. Dat de sector in zijn voorstellingen vooral het linkse gedachtegoed uitdraagt, volstaat nog niet om zich als progressieve wereldverbeteraar op de borst te kloppen.
BIBLIOGRAFIE
Coussens, E. (8 mei 2026). Miet Warlop en Dries Verhoeven op de Biennale van Venetië: ‘Je mag niet ingekapseld geraken’. De Lage Landen. https://www.de-lage-landen.com/article/mietwarlop-en-dries-verhoeven-op-de-biennalevan-venetie-je-mag-niet-ingekapseld-geraken/
Elkhuizen, S., Gielen, P., Van den Hoogen, Q., Lijster, T., & Otte, H. (2014). De waarde van cultuur. Departement Cultuur, Jeugd en Media. https://www.vlaanderen.be/publicaties/ de-waarde-van-cultuur
Lefebvre, A. (17 december 2025). ‘De staat als ontwerper van de ziel’. De Groene Amsterdammer. https://www.groene.nl/artikel/ de-staat-als-ontwerper-van-de-ziel
Zijp, D. (26 april 2023). Uit het verkeerde keelgat. De Groene Amsterdammer. https://www.groene.nl/ artikel/uit-het-verkeerde-keelgat
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.