Jean Louvet – Foto Paul Van Den Abeele

Leestijd 6 — 9 minuten

Waal in hart en nieren: Jean Louvet, toneelauteur

Een taal van hout

De Waalse auteur Jean Louvet is bij ons nagenoeg onbekend, al voerde Toneel Vandaag, begin jaren zestig, L’an un op in het Nederlands. En vorig jaar stond bij het Zuidelijk Toneel Globe in Eindhoven De man die de zon in zijn zak had op het programma. Klaas Tindemans maakte een portret van Louvet, en leidt de toneeltekst in deze aflevering van Etcetera in, de vertaling van Conversation en Wallonië.  

“On perd ses clefs: on cherche dans la boue, dans les tiroirs. Mais… vous perdez la parole; vous ne trou-vez pas pourquoi.” (uit Les clients). Centraal in het drama van Jean Louvet, mijnwerkerszoon uit La Louvière, leraar Frans en toneelschrijver, staat het verlies van de taal, de onmacht van het spreken. Louvets personages zijn vastgeketend aan hun sociale klasse door hun taal, hun discours. Soms zijn ze zich van deze ketenen bewust, soms – zelden – bevrijden ze zich ervan. Deze overheersende thematiek is niet alleen het resultaat van een reflectie over het verband tussen sociale conditie en taal, ze is in eerste instantie het antwoord op een vraag vanuit het theater zelf: hoe representeer je de werkelijkheid van de Waalse arbeidersklasse, zijn geschiedenis, zijn ideologie, zijn impasse. Een schrijver beschikt enkel over taal, daar moet hij “het” mee doen. Het is een grote verdienste van Jean Louvet dat dit telkens een expliciet probleem is in zijn stukken. Want als vanzelf keer je terug naar de werkelijkheid zelf, los van het theaterprobleem, en de rol die de taal speelt in het dagelijks verwoorden van die realiteit: “ca pue. – Quoi? Les mots? – Non. La ville.” (uit Les clients).

Jean Louvet werd in 1934 geboren in de Borinage, het “zwarte land”, bekend van Vincent Van Gogh en Henri Storck. Hij leerde door, studeerde Romaanse filologie en werd leraar Frans. In de vroege jaren ’50 schreef hij een roman (Soif de la terre) en een novelle (Le duel), beide met existentialistische inslag. Hij stopt daarna bewust met schrijven en gaat politiek-syndicaal militeren, op de linkerflank van de socialistische beweging. Wegens trotskistische sympathieën wordt hij in 1964 uit de PSB gestoten. De staking tegen de eenheidswet (’60-’61) is een hoogtepunt in dit militantisme, en tegelijk de rechtstreekse aanleiding tot zijn eerste toneelstuk: Le train du bon Dieu. Op vraag van enkele vrienden, die eerst Brechts De geweren van Frau Carrar wilden opvoeren, schrijft Louvet een Stationendrama over de euforie van de stakingsbeweging, en over de wijze waarop de illusies langzaam afbrokkelen. Een koppel, Thérèse en Slick, trekt door een landschap, een stationsdecor, waarin radeloze maar nooit wanhopige patroons, naïef-enthousiaste militanten, sluwe vakbondsbureaucraten en angstige kleinburgers de ideologische chaos evoceren. Eén krachtig-optimistisch moment, dat een mogelijke toekomst oproept: de korte halte van de “trein van de goede God”, een feestelijke utopie, maar snel voorbij. De paradox van Slick: “On m’a volé ma voix” roept hij uit, om meteen daarna de meest luciede analyse te leveren van de hopeloze toestand.

De paradox van Louvet: buitenstaander, intellectueel, maar wie luistert? Opvallend is wel dat de heersende klasse minstens even bang is als het proletariaat moedeloos. Louvets notie van “hoop” is sterk aanwezig, maar wel dubbelzinnig.

Confrontatie met Brecht

Na Le train du bon Dieu – dat zijn “definitieve” vorm kreeg in de enscenering van Marc Liebens in 1976 – schreef Louvet L’An I, A bientôt Monsieur Lang, Mort et résurrection du citoyen Julien T., Les clients, Le bouffon en L’Aménagement. Al deze stukken nemen in zekere mate afstand van de concrete (Waalse) geschiedenis, en dringen in detail door tot de levensvoorwaarden van de arbeidersklasse. Die wordt onderdrukt, ook in de welvaartstaat, maar ze heeft zich vergist als ze dacht dat de bourgeoisie met één veeg van de bezem, met één pennetrek, kon weggevaagd worden. Lang, uit A bientôt Monsieur Lang, wil vanuit zijn luxueuze situatie van gelukkige linkse intellectueel, door middel van de outsider Vassili de burgerlijke waarden (in casu de in het huwelijk geketende eros) manipuleren, maar mislukt jammerlijk. Alleen is niet Lang zelf het slachtoffer maar Vassili, de dromerige, welwillende proleet: “Malheur à qui entend les appels de son cœur”. Les clients en Le bouffon confronteren de arbeider en zijn dromen met de realiteit van het kleinburgerdom, dat in zijn eigen klasse is binnengeslopen. In Les clients lopen Anne en Sébastien (een koppel als Thérèse en Slick in Le train du bon Dieu) te pletter tegen de smakeloosheid, de inertie en de agressie van hun, al dan niet gemanipuleerde, lotgenoten. In Le bouffon probeert de arbeider Giorgio aan zijn lot te ontsnappen door zich de waarden van de kleinburger eigen te maken. Al is hij daar te onhandig voor.

Theater schrijven, over en voor de arbeidersklasse – Jean Louvet leidt in La Louvière een semi-professioneel arbeidersgezelschap, gesticht in 1962 als Théâtre Prolétarien – is, je kan er niet omheen, een confrontatie met Bertolt Brecht. Louvet kent Brechts theorie en praktijk te goed om het “didactisch realisme” van de gearriveerde Brecht klakkeloos over te nemen en op de Borinage toe te passen. Nee, hij wil opnieuw het theater “uitvinden”, het gevecht leveren tegen het evidente naturalisme, een gevecht met een schriftuur en met een publiek. Want de esthetische behoeften van zijn publiek zijn kleinburgerlijk-sentimenteel, maar tegelijk is deze “smakeloosheid” de enige toegang tot dit publiek. Vandaar dat Louvet in zijn vroege stukken een eenvoudige taal hanteert die ongecompliceerde gevoelens uitdrukt, zonder ideologische connotaties. Net zoals Brecht ontsnapt Louvet aan het naturalisme door de werkelijkheid van de droom op te roepen, door terug te grijpen naar een primitief, doorzichtig expressionisme à la Strindberg: in Conversation en Wallonië is dit procédé nog het meest expliciet. Misschien is Slick uit Le train du bon Dieu Louvets Garga (uit Brechts In de jungle van de steden) en Vassili (A bientôt Monsieur Lang) de Shlink van de Borinage.

Müller

Maar er is nog een interessante vergelijking te maken: met Heiner Müller. Een parallel die het voordeel heeft dat ook Louvets recentere stukken (L’homme qui avait le so-leil dans sa poche, Un Faust) in de evolutie betrokken kunnen worden. Net zoals Müllers stukken uit de jaren ’50 (Der Bau, Zement enz.) zijn Les clients, Le bouffon, en L’aménagement “Lehrstücke”: voor Louvet zelf zijn het oefeningen in het beschrijven van de mentale ambiguïteiten van de arbeidersklasse en voor het publiek zijn het expliciete waarschuwingen tegen een overname van de waarden van de bourgeoiscultuur. Het essentieel verschil is natuurlijk dat Müller in een socialistische samenleving schrijft (de DDR), en Louvet in een kapitalistische. De burgerlijke cultuur is dus wel op een totaal verschillende manier aanwezig. Müllers discours bevindt zich binnen een (marxistische?) ideologie, terwijl Louvet reële en gedroomde ideologieën van resp. proletariaat en bourgeoisie op alle mogelijke niveaus (geen zwart/wit, geen “goeden” versus “slechten”) met elkaar confronteert. Maar de ideologie en de aantasting ervan staan in elk geval centraal, bij Müller én bij Louvet. De centrale vraag, die een heel concrete uitwerking krijgt afhankelijk van de Umwelt van de auteur (socialisme of kapitalisme, maar beide in crisis), is de ideologische controleerbaarheid van de geschiedenis, van een mens, van een klasse. In die zin is er een verwantschap vast te stellen, zowel qua structuur als qua poëtiek, tussen Müllers Duitsland-stukken (Germania Tod in Berlin, Leben Gundlings…) en Jean Louvets zogenaamde België-stuk: L ‘homme qui avait le soleil dans sa poche. Historische figuren lopen verloren in een samenleving waarvoor ze niet meer representatief zijn. Müllers Frederik de Grote zwelgt in Duitse gezelligheid en huilt in zijn eenzaamheid. Julien Lahaut, de man die de zon in zijn zak had, blijft sprakeloos tegenover de pertinente vragen van zijn vrouw: “(Géraldine:) On a sonné. C’est eux. Les tueurs. – (Lahaut:) On ne tuera pas Lahaut. On n’a pas tué Staline. On n’a pas tué Lénine.” Meer nog, twee generaties later wekt de herinnering aan hem enkel agressieve onverschilligheid op: “(Vinciane:) Je ne veux rien. Rien. Je suis grande maintenant, citoyenne moi-même. Le trottoir est glissant, mais je peux marcher seule.” Julien Lahaut, weerstander, gevangene in Mauthausen, communistisch leider, vermoord nadat hij bij Boudewijns eedaflegging in het parlement “Vive la république” had geroepen, is totaal vergeten, verworden tot een grotesk grafmonument van een afgeleefde ideologie. Maar een ideologie die Louvet ondanks alles weigert te verwerpen: de notie “hoop” blijft bestaan, is enkel nog dubbelzinniger geworden. Hoop en optimisme vallen niet meer samen.

Erotiek

Louvets stukken, het sterkst nog zijn laatste tekst, Un Faust, zijn doortrokken van een gewelddadige erotiek. Mephistofeles wordt door God gezonden om Faust zijn vals idealisme te ontnemen. Ongewild leert hij Faust, die overigens zijn idealisme al kwijt was, iets nieuws: ongecompliceerd sexueel verlangen, dat zelfs wederzijds wordt bij de hoer Gretchen, en wordt gestimuleerd door Philemon en Baucis, de mythische vertegenwoordigers van het gewetensvolle proletariaat. Zoals Léonce en Gabrielle, die in de Globe-produktie van L’homme qui avait le soleil dans sa poche uitgewerkt zijn als Beckettiaanse melaatsen, van een ontroerende liefde blijk geven, tegenover elkaar en tegenover hun omgeving. Louvets personages, ondanks hun objectieve tegenstellingen, zijn mekaar nooit vijandig gezind. Liefde beweegt zich buiten de categorieën van waarheid en leugen, werkelijkheid en droom. Maar de objectiviteit wordt nooit uitgeschakeld, en dat kan ook fataal zijn voor die liefde, die dan onvruchtbaar blijft. “Le jardin de Marguerite a brille, et le voila qui se dessèche d’un seul coup dans le dé-sert-monde qui me cerne. N’est-ce pas cela, l’enfer, Méphisto?” (uit Un Faust).

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 6 — 9 minuten

#16

15.01.1987

14.04.1987

Klaas Tindemans

Klaas Tindemans is doctor in de rechtsgeleerdheid. Hij is als docent en onderzoeker verbonden aan het RITCS, het Koninklijk Conservatorium Brussel en aan de VUB. Hij verricht onderzoek op het gebied van de performancestudies, waarbij hij vooral geïnteresseerd is in de relatie tussen dramaturgische structuren en politieke en rechtstheorie. Daarnaast werkt hij ook als dramaturg, toneelauteur en publicist.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!