Klaas Tindemans

Leestijd 8 — 11 minuten

Voorstel en ontwerp van theaterdecreet

Het oude theaterdekreet is dood. leve…? SP-voorzitter Vandenbroucke deponeerde bij de Vlaamse Raad een nieuw theaterdecreet. Gemeenschapsminister van Cultuur Patrick Dewael van zijn kant, diende bij de Vlaamse Executieve een podiumkunstendecreet in. Klaas Tindemans legt beide voorstellen naast elkaar.

De Vlaamse Raad zal zich de komende maanden uitgebreid met het theaterdecreet moeten/mogen bezighouden. SP-voorzitter Vandenbroucke diende een voorstel van decreet ‘houdende de subsidieregeling van de Nederlandstalige Toneelkunst’ in bij de Vlaamse Raad, terwijl de Vlaamse deelregering zich buigt over een (voor-)ontwerp van decreet ‘houdende regeling van de subsidiëring van podiumkunsten’, ingediend door gemeenschapminister van cultuur Patrick Dewael. Het verschil in titel is niet onbelangrijk: de minister wil, in tegenstelling tot het bestaande theaterdecreet van 20 mei 1975 én het SP-voorstel, alle podiumkunsten, met uitzondering van de Vlaamse Opera, onderbrengen in één institutioneel kader. Dans, mime, poppentheater en toneel — de toelichting vermeldt geen musical of ander muziektheater — worden volgens dezelfde normen erkend resp. gesubsidieerd. Dit is zonder meer een duidelijke beleidsoptie, en met name voor de danssector betekent het dat er voor het eerst een coherent wettelijk kader kan ontstaan.

Het SP-voorstel

Het SP-voorstel is een stuk beknopter dan het ontwerp-Dewael. Bovendien houdt de SP vast aan de logica en techniek van het oude decreet. De erkenning — op basis van een beleidsnota : dat is nieuw, maar wat betekent het in werkelijkheid ? — is het eerste element van de procedure, de subsidiëring met de daaraan gekoppelde voorwaarden de tweede fase. Een Raad van Advies, die haast niet verschilt van de huidige, hier vaak aangeklaagde R.A.T., staat de minister in beide fases bij.

Waar de erkenning bij het oude decreet afhankelijk was van ingewikkelde normen betreffende het aantal zitplaatsen, produkties en voorstellingen, normen die op hun beurt leidden tot erkenning als rep. A-,B-,C- of D-gezelschappen, zijn in dit voorstel de erkennningscriteria vereenvoudigd. Een gezelschap wordt in principe voor 4 jaar erkend — tenzij het zelf kiest voor een wettelijk statuut — op voorwaarde dat het op basis van een beleidsnota een directeur benoemt en een bepaald aantal voorstellingen speelt (160 per seizoen voor publiekrechtelijke instellingen, 100 voor het particulier initiatief). De door een openbaar bestuur opgerichte gezelschappen hebben nog enkele specifieke (bureaucratische) verplichtingen. Daarnaast kunnen zowel toneelgezelschappen als ‘produktieve en creatieve centra’ erkend worden als werkplaats : zij moeten de ad hoc-projecten opvangen, steunen en begeleiden.

Helemaal nieuw is de mogelijkheid om, op grond van een contract tussen gezelschap en minister, af te wijken van de genoemde verplichtingen, tijdelijk of structureel. Er is dus wettelijke ruimte om structuren te creëren die in de eerste plaats bepaald worden door de unieke, niet juridisch voorspelbare, behoeften van de theatermaker. Dit is, zowel juridisch-technisch als politiek, een uitzonderlijke kans, op voorwaarde dat er een coherent artistiek beleid aan verbonden is, en dat dit systeem niet dient om gebuisden langs een omweg te kunnen blijven onderhouden. In het tweede luik van het socialistische voorstel, de subsidiëring, vervallen de gedetailleerde normen over wedde- en werkingstoelagen: de enige verplichting bestaat erin minimum drievierde van de subsidies aan wedden te besteden. Tegelijk eist deze wet dat kindertheater in verhouding driemaal meer subsidie krijgt dan het volwassenentheater. Het is wel niet duidelijk op welke basis die 3/1-verhouding gaat berekend worden: welke maatstaf moet hier gelden, welke norm voor produktiekosten, voor uitkoopsommen, enz. De idee is goed en juist, maar technisch slordig uitgewerkt. Subsidiëringstechnieken moeten in eerste instantie efficiënt zijn. Het voorstel legt bovendien vast dat beslissingen omtrent subsidiëring op 15 december van het jaar dat voorafgaat aan het te subsidiëren seizoen moeten genomen worden (in het decreet Dewael is dat 1 januari). Het eeuwige probleem van de te late uitbetalingen wil de SP oplossen door de oprichting van een Fonds voor de Betoelaging van de Toneelspeelkunst, zoals dat al bestaat voor o.a. de musea.

Naast technische bezwaren — het niet definiëren van termen als ‘beroepstoneelgezelschap’ en ‘werkplaats’, de berekening van het kindertheatervoordeel — nog twee opmerkingen bij het voorstel van SP-voorzitter Vandenbroucke. De opdracht aan de werkplaatsen om projecten op te vangen, te begeleiden en te produceren sluit enerzijds elke mogelijkheid van onafhankelijke initiatieven uit, zuiver ‘ad hoc’ kan dus niet meer, en zet, anderzijds, de werkplaatsen onder druk om als ‘garage’ te fungeren voor de lokale projecten in plaats van te werken aan een eigen artistiek profiel. Spijtig is verder dat dit voorstel van decreet niets doet aan het partijpolitieke of anderszins verzuilde gesjoemel rond de Raad van Advies: samenstelling en functie blijven identiek.

Het ontwerp-Dewael

Het ontwerp Dewael legt, in tegenstelling tot het oude decreet, het zwaartepunt van de beslissingen bij de subsidiëring en verwijst de erkenningsprocedure van ‘verenigingen en organisaties voor podiumkunsten’ naar een Koninlijk Besluit dat nog moet volgen. Op die manier is grotere politieke soepelheid theoretisch mogelijk, vermits de minister (en zijn Raad voor Podiumkunsten) geen rekening moet houden met voorwaarden vooraf. Hij kan dus, in theorie althans, zijn subsidiepolitiek afstemmen op het artistieke aanbod. Subsidies worden toegekend onder de vorm van ‘financieringsenveloppes’: vijf seizoenen voor repertoiregezelschappen (= vaste infrastructuur, zich richtend tot de hele Vlaamse gemeenschap), vier seizoenen voor regionale (= vaste infrastructuur, zich richtend tot een bepaalde regio), spreidings- ( = geen vaste infrastructuur) en ‘genregezelschappen’ (= vaste infrastructuur, specifieke kunstvorm of doelgroep), en de ‘receptieve produktiecentra’, de werkplaatsen dus. De werkplaatsen programmeren en produceren projecten ‘waarvan een meerderheid van het artistieke personeel aan niet meer dan drie produkties heeft deelgenomen’. Projecten met een meerderheid van ‘anciens’ kunnen nog ad hoe gesubsidieerd worden. De werkplaatsen mogen bovendien slechts één derde van hun middelen aan een vaste personeelsstaf besteden. De gezelschappen zijn verplicht tijdens de gesubsidieerde periode minstens één Vlaamse schrijfopdracht te geven én het resultaat hiervan op te voeren, of een Vlaamse choreograaf een produktie te laten maken. Bij het voorstel-Dewael verdwijnt het toch al uitgeholde stelsel van beroepskaarten: de artistieke functies moeten wel uitgeoefend worden door mensen die hiervan hun hoofdactiviteit maken.

Politiek niet onbelangrijk is de afschaffing van de verplichting — die in het SP-voorstel bleef bestaan — van lokale besturen om de (publiekrechtelijke) gezelschappen evenredig mee te subsidiëren: gemeenten en provincies zijn wettelijk niet meer verplicht iets voor theater te doen. Om dit, zeer gedeeltelijk, te kompenseren voorziet het decreet wel aparte investeringstoelagen. Ook de mogelijkheid — die nog helemaal open ligt: een KB moet

het regelen — om gezelschappen te verplichten tot een minimumpercentage eigen inkomsten verraadt de liberale inspiratie van het ontwerp. Het is zelfs wat akelig de minister, in een interview, de term ‘resultaat’ enkel te horen gebruiken als een synoniem voor ‘eigen inkomsten’. Alsof de kwantitatieve publieke bijval het enige criterium is voor een artistiek of maatschappelijk resultaat. Laatste opvallende vernieuwing: uit de Raad voor Podiumkunsten, de opvolger van de R.A.T., worden de professionelen (‘een bezoldigde functie’ bij een gezelschap of werkplaats) geweerd. De Raad wordt elke twee jaar voor één derde vernieuwd, en de toepassing van het cultuurpact wordt niet expliciet geëist.

Dewael of Vandenbroucke ? Barabas!

Op zichzelf is het ontwerp-Dewael een radicalere poging om het theater-bestel te vernieuwen dan het voorstel-Vandenbroucke. Maar de theoretische versoepeling van de procedures zal in de praktijk niet veel betekenen, gezien de ingewikkelde subsidiëringsregels.

Voor projecten en werkplaatsen dreigt helemaal het bureaucratische drijfzand. De op ‘jonge kunstenaars’ afgestemde regels zijn bovendien al te strak, te pietluttig zelfs, geformuleerd. Ze staan ook de artistieke continuïteit en profilering van de werkplaatsen in de weg. Het Kaaitheater bv., momenteel als receptief produktiecentrum gesubsidieerd, zou met geen enkele van ‘zijn’ kunstenaars (A.T. De Keersmaeker, Jan Lauwers, Josse De Pauw,…) kunnen verder werken: zij hebben teveel ervaring…

De Raad voor Podiumkunsten — wie kan er nog inzitten? Critici, wetenschappers, beheerders: is dat gegarandeerd beter dan directeurs en acteurs? — zal nog meer dan voordien verplicht zijn op te treden als een waakhond van het decreet, in plaats van tijd en energie te kunnen steken in gefundeerde evaluaties en beleidsvoorbereidend werk.

De afschaffing van de verplichtingen van de lokale besturen maakt het geheel overzichtelijker maar dreigt in de praktijk te leiden tot een netto vermindering van het globale bedrag van de theatersubsidies. De stadsbesturen kunnen nu de kunst zonder gevaar voor terechtwijzing wegsaneren. Bovendien wordt op een gemakzuchtige manier een broodnodige discussie over de verdeling van de verantwoordelijkheden in het kunstenbeleid uit de weg gegaan.

De enige reële vooruitgang in verband met de — op basis van het vorig decreet totaal mislukte — cultuurspreiding is het voornemen toelagen te voorzien voor kunstfunctionarissen in de culturele centra: een magere correctie op de socio-culturele middelmaat.

Een ‘kleinigheid’ nog: ‘Vlaamse dramaturgie’ wordt nog steeds omschreven als een ‘opdracht aan een Vlaams toneelauteur’, een definitie die nog dateert uit de tijd van de creatiepremies van voor het decreet van ’75. Dat het produktieproces in het theater een ander intellectueel verloop is gaan kennen in het afgelopen decennium, is nog niet tot in de kabinetten doorgedrongen.

Deregulering a.u.b.

Enkele algemene opmerkingen bij zoveel plotse wetgevende ijver. Geen van beide decreten verwijst naar het kritieke punt van de meeste, vooral grote gezelschappen, namelijk de beheersvorm. Dit ondanks het feit dat de Raad van Advies in haar vorige samenstelling in 1988 in haar eindadvies stelde: “…een aangepaste beheersvorm (is) een absolute voorwaarde. Bedoeld is een structuur die moet toelaten op alle mogelijke niveaus de vereiste beslissingen te nemen. Inzonderheid bij het beheer van gezelschappen door stedelijke overheden wordt een groot vraagteken geplaatst.”(l) Ondanks het slechte Nederlands een juist standpunt. Ofwel gedraagt het stadsbestuur zich als een ‘mijn kind, schoon kind’-vader ten opzichte van het plaatselijke ensemble, ofwel voelen de enthousiaste, maar nostalgische schoolmeesters-beheerders zich bedreigd bij elk artistiek risico dat niet meteen in meer geld of meer prestige omgezet wordt. Twee symptomen van een ruimer probleem, nl. de macht van de traditie –institutionele tradities zijn onzinnig in het theater, zoals bijv. uit het Nederlandse theaterbeleid blijkt — én de macht van de zakelijke leidingen, die zich door Dewaels eigen-inkomstenclausule nog gesterkt zullen weten. De contracten tussen overheid en gezelschap — naar Frans model — die het voorstel-Vandenbroucke bevat kunnen een actievere overheidsinteresse voor het artistieke beleid bevorderen, maar structureel lijken ze eerder als uitweg (of vluchtweg) voor de decreet verplichtingen dan als uitgewerkt alternatief in de ontwerptekst ingeschreven. Beheersstructuren zullen opnieuw ontworpen of aangepast worden in functie van politieke of subsidietechnische opportuniteit — van ‘deregulering’ is er in geen van beide teksten veel te merken — en niet vanuit de eisen van het artistieke proces. Het cruciale probleem is daarmee aangegeven. Hugo de Greef schetste ooit, in een bijdrage van Ons Erfdeel (2), de krachtlijnen voor een nieuwe theaterpolitiek. Hierin formuleert de overheid, als vertegenwoordiger van de gemeenschap, de behoeften aan theatervoorzieningen : dat is het publiek initiatief. De kunstenaar formuleert zijn institutionele verlangens — het artistieke initiatief — en beide componenten vinden elkaar, zo rechtstreeks mogelijk (liefst zonder adviesraden, vindt de Greef) in een dynamisch theaterbeleid, dat telkens direct kan inspelen op de gewijzigde uitdrukkingsvormen, publieksgedrag, maatschappelijke verantwoording. Deze ontwerpdecreten zijn eenzijdig regulerend, geven geen breder kader aan waarbinnen een wisselwerking kunstenaars-beleidsmensen vruchten kan afleveren. Aan het slecht functioneren van de bestaande beleidsinstrumenten — een leeglopende, niet au sérieux genomen of politiek verziekte administratie, de stoelendans op de kabinetten en daarbovenop de bemoeizucht van de partijcellen — wordt niets gedaan. Behalve het stellen van een tijdslimiet, in het ontwerp-Dewael zelfs met een sanctie: niet op tijd beslissen betekent het handhaven van de vorige subsidie. Toch een stokje achter de deur. Door de aard van het politiek initiatief — een decreet met regels voor erkenning en subsidiëring: men vraagt zich blijkbaar niet af of dit een efficiënt politiek instrument is, zo’n logge wet — blijven dan ook vele deelproblemen onbesproken: de specifieke behoeften van het kinder- en jeugdtheater (meer dan een kwestie van ‘subsidies maal drie’), de receptieve sector (kunst in de culturele centra, de verhouding receptie-produktie in de werkplaatsen). Er zijn wel aanzetten, maar de visie is onduidelijk. We zullen, vooral na het parlementair reces, wel veel horen over de evolutie van het wetgevend werk. Geen van beide teksten zal zonder meer aangenomen worden. Hopelijk wordt het resultaat niet het zoveelste Belgische compromis, maar wordt er een fundamentele discussie gevoerd. We zijn op onze hoede, zonder illusies weliswaar.

Tenslotte nog dit: er is natuurlijk gewoon veel te weinig geld beschikbaar voor het theater, ondanks het zelfbewuste gezwaai met optimistische statistieken door de minister. Wat de ene hand geeft, neemt de andere: dat is al zo lang een politiek gebruik, dat het haast een principe gaat lijken. De minister goochelde met een ‘hoog’ cijfer (700 miljoen) dat hij in verband bracht met zijn ontwerp-decreet. Maar als je de huidige budgettaire realiteit bij elkaar optelt — theaterdecreet, plus de projectenpot, plus ballet en dans, plus allerlei — dan is het verschil met Dewaels ‘indrukwekkende’ cijfer veelbetekenend. Aan zo’n doorzichtige misleiding heeft de theaterpraktijk geen behoefte.

(1) Eindverslag over de werking van de Raad van Advies voor de Toneelkunst in de jaren 1984-1987, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 1988.

(2) Hugo de Greef, “Meer vrijheid voor het theater.” in Ons Erfdeel, april 1986.

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 8 — 11 minuten

#26

15.06.1989

14.09.1989

Klaas Tindemans

Klaas Tindemans is doctor in de rechtsgeleerdheid. Hij is als docent en onderzoeker verbonden aan het RITCS, het Koninklijk Conservatorium Brussel en aan de VUB. Hij verricht onderzoek op het gebied van de performancestudies, waarbij hij vooral geïnteresseerd is in de relatie tussen dramaturgische structuren en politieke en rechtstheorie. Daarnaast werkt hij ook als dramaturg, toneelauteur en publicist.