© Nastia Krasinskaia

Leestijd 14 — 17 minuten

Visies voor het veld: Wouter Hillaert

We moeten meer wakker liggen van Lanaken en Izegem

In Visies voor het veld vraagt Etcetera aan sleutelfiguren naar hun perspectief op de podiumkunsten van morgen. Wat loopt goed, wat moet dringend anders? Wat zouden ze veranderen als ze morgen een almachtige minister van cultuur waren, met onbeperkte middelen en bevoegdheden? Deze week: cultuurjournalist Wouter Hillaert.

Als we het ergens roerend over eens lijken in onze onenige podiumkunsten, is het wel dat ‘spreiding’ (al jaren) een dik probleem is. Hoe, waar, wanneer… raken voorstellingen nog bij een publiek, gespreid over het hele land? Niet toevallig figureerde die vraag van 6,9 miljoen (Vlamingen) ook al in eerdere visies in deze reeks. De wedloop om speelplek neemt steeds absurdere vormen aan. Ik vind dat we daar samen – kunstenaars, gezelschappen, programmatoren, steunpunten – wat meer stampei over zouden mogen maken bij de minister en andere beleidsmakers. En dat we ook zelf iets wilder mogen worden in onze verbeelding rond mogelijke oplossingen. Het blijft nu morrelen in de marge.

De absurditeiten rond spreiding zijn intussen genoegzaam bekend:

  • Er wordt veel te veel gemaakt dat veel te weinig kan spelen. Lees deze zin graag juist. Er staat niet: er wordt veel te veel gemaakt – ook al lijkt er precies steeds meer eensgezindheid dat we minder/trager moeten produceren. Er staat: er wordt veel te veel gemaakt dat veel te weinig kan spelen. Vandaag zijn veel makers in het avondcircuit al heel blij met vijftien speelbeurten voor hun nieuwe creatie, terwijl dat gemiddelde in de periode 2010-2013 (volgens een cijferanalyse van Kunstenpunt) neerkwam op 27 speelbeurten voor theater (waarvan 75% in eigen land) en 21 speelbeurten voor dans (waarvan 30% in eigen land). Een onrustwekkende afdaling is dat. Als we niet opletten, beginnen we binnenkort louter repetitieperiodes te subsidiëren.
  • Er gaat immens veel energie verloren aan koffies, telefoons en mails tussen makers, producenten en programmatoren om voorstellingen geboekt te krijgen, met een belachelijk kleine succesratio. Iedereen lijkt tegenwoordig (veel) meer tijd te spenderen aan mismatching dan aan matching. Zeker voor (jonge) makers is dat behoorlijk deprimerend – zij zouden vooral bezig moeten zijn met maken. Als we niet opletten, belanden we collectief in wat ze op een ander speelveld een ‘dating burn-out’ noemen.
  • De grootste mismatch zit bij het beleid. Met de afschaffing van het decreet Lokaal Cultuurbeleid in 2016 heeft de Vlaamse Gemeenschap elk zeggenschap over cultuurbeleving rond de kerktoren – voor veel Vlamingen nog steeds de eerste plek om aan cultuur te doen – doorgeschoven aan de lokale besturen. Cultuurminister Caroline Gennez (Vooruit) geeft tientallen miljoenen uit aan de creatie van dans en theater, maar heeft niets meer in de pap te brokken over de presentatie ervan buiten de centrumsteden. Ook provincies zijn hun culturele rol kwijt, terwijl gemeenten niet langer gebonden zijn om hun Vlaamse gemeenschapsgeld aan cultuur te besteden. Tegelijk staan die gemeenten onder zware financiële druk voor al hun andere kerntaken. Als we niet opletten, gaat dat vroegere geld voor cultuur in de plaatselijke riool of naar meer blauw op straat.
  • Nu al kampen veel lokale cultuurhuizen (formely known as ‘cultuurcentra’) met krimpende budgetten, minder ruimte voor eigen programmering, slinkend personeel, bestuurlijke bemoeizucht en/of strengere politieke eisen rond volle zalen. Er zijn er genoeg die desondanks volharden in hun passie voor cultuur. Er zijn er ook andere. Als we niet opletten, zijn er straks lokale cultuurhuizen zonder gesubsidieerd theater in hun seizoenprogramma – terwijl ze ooit net werden opgericht om elke Vlaming daarvan te laten meegenieten. Voor hedendaagse dans zijn we dat moment allang gepasseerd.

Spreiding is óók een productieprobleem

Tegelijk moeten we spreiding veel breder bekijken dan louter een probleem over moeilijke verkoop, teruglopende speelreeksen en oplopende spanningen tussen aanbod en afname. Dat is een al te economische, zelfs verdoken commerciële kijk. Afvlakkende spreiding is in de eerste plaats een democratisch probleem: ze duidt op een groeiende split tussen stad en regio. Dáár zouden we van wakker moeten liggen.

Die kloof is geen verrassing. Terwijl drie kwart van de Vlamingen buiten de centrumsteden woont, wordt zowat alle gesubsidieerde podiumwerk net in die 13 steden geproduceerd – door ruim 100 structureel erkende en andere kunstorganisaties die stedelijk ingebed zijn. Natuurlijk spelen centrumsteden ook een culturele rol voor hun ommeland, maar of er in 2040 nog Vlaamse subsidies zijn voor podiumkunsten, zal electoraal veeleer bepaald worden in Veurne, Bornem en Lanaken dan in Antwerpen of Gent. Daar wonen immers drie keer zoveel stemgerechtigden dan in onze steden vol cultuur. Alleen al daarom moeten we ons als sector meer bezorgd tonen om ‘het achterland’ – mocht de verrechtsing van Izegem tot Ninove daarvoor niet volstaan. Als gesubsidieerde podiumkunstensector hebben we een morele verantwoordelijkheid om in de toekomst veel verder te kijken dan de stedelijke context waarin we bijna allemaal werken. Wat hebben we mensen te bieden die buiten onze invloedssfeer wonen?

“Afvlakkende spreiding is in de eerste plaats een democratisch probleem: ze duidt op een groeiende split tussen stad en regio. Dáár zouden we van wakker moeten liggen.”

Die vraag heeft ook een artistieke kant. Kijk bijvoorbeeld naar welke theatervoorstellingen wél lange tournees versieren in het avondcircuit – van de vrije producties van Dimitri Leue, Tom Van Dyck of Stefaan Van Brabandt tot Arme Tante Danni van Martha!tentatief of het werk van Het nieuwstedelijk of Compagnie Cecilia. Dat succes danken ze zeker niet alleen aan een of meerdere BV’s in hun cast. Veel van die creaties bieden ook een bepaalde ‘herkenbaarheid’. Veralgemenend kan je die herkenbaarheid omschrijven als een mix van tragikomische humor, algemeen menselijke thema’s, puur spelerstheater, transparante dramaturgie en klassieke dramatische kenmerken als een coherente vertelling met helder afgelijnde personages. Ze komen tegemoet aan een blijvend verlangen naar ‘gewoon goed theater’ bij veel toeschouwers – óók in de stad overigens, als je bijvoorbeeld naar de volle zalen bij Compagnie Cecilia in Gent kijkt. Wat doen we daarmee? Die hang blijven afdoen als ouderwets? Of ze erkennen en ook slim uitdagen?

Ik zeg niet dat die herkenbare mix hét sjabloon moet worden. Er zijn zeker nog -tig andere mogelijkheden. Dáárin ligt volgens mij de ware vernieuwing voor het volgende decennium: werk ontwikkelen dat niet alleen applaus oplevert in CAMPO of de Kaaistudio’s, maar dat ook kan werken in de regio, zonder de eigen poëtica te verraden of alle inhoud ideologisch uit te vlakken. In elk geval moeten we stoppen met het spreidingsprobleem simpel af te doen met een vingerwijzing naar lokale programmatoren die slaven zouden zijn van hun gemiddelde publiek, met te weinig moed of expertise om ‘kwaliteit’ te programmeren zoals we die in onze stedelijke bubbels graag definiëren en ontwikkelen: meertalig, cross-disciplinair, postdramatisch, metatheatraal, grensverkennend, liefst met een Engelse titel… Ook daarin zit een split tussen stad en regio. Spreiding is niet alleen een presentatie-, maar óók een productiekwestie.

“Laat ons dus in de spiegel kijken. Is er in ons veld nog genoeg ruimte voor (een creatieve omgang met) de dramatische traditie, herkenbare ingangen, transparante verhaallijnen?”

Laat ons dus in de spiegel kijken. Is er in ons veld nog genoeg ruimte voor (een creatieve omgang met) de dramatische traditie, herkenbare ingangen, transparante verhaallijnen? Naar mijn gevoel gaan de kinderkunsten daar veel gelaagder mee om dan pakweg het volwassenentheater, dat soms wel eens op één groot kunstencentrum gaat lijken. Stellen we ons nog genoeg de vraag wat kan werken bij minder geoefende toeschouwers, al is het maar als ingang voor wat we echt willen doen of vertellen? Of kijken we stiekem neer op (het publiek in) de regio? Onlangs hoorde ik iemand van muziekclub De Zwerver in Leffinge een kernachtige samenvatting geven: “van Antwerpen naar Diksmuide is het precies dubbel zo ver als van Diksmuide naar Antwerpen”. De mentale kloof is dus groot, ook in onze centrumsteden. Moeten we niet veel meer inzetten op bruggen met de regio?

Ik heb daar enkele wilde fantasieën rond, in volgorde van haalbaarheid:

1. Het TheaterFestival vervelt tot de Week van het Theater

Nu Het TheaterFestival na het afscheid van directeur Nora Mahammed en in aanloop naar de komende subsidieronde wezenlijk nadenkt over zijn toekomst, kunnen we ons afvragen wat zijn diepste wezen precies is. Is dat zijn jaarlijkse selectie van ‘het beste van vorig seizoen’ in afwisselend Gent, Brussel en Antwerpen? Of de kracht van onze podiumkunsten uitdragen bij een breder publiek?

Fantasie: Het TheaterFestival hervormt zich tot een jaarlijkse Week van het Theater in de eerste helft van september, over heel Vlaanderen te beleven als collectieve opening van het seizoen. Want waarom hebben de podiumkunsten als zowat enige sector niet zo’n nationaal promotioneel moment à la de Boekenweek, de Museumnacht, Lokale Helden, de Week van de Belgische Muziek, de Erfgoeddag, de voormalige Week van de Amateurkunsten?

In mijn gedroomde Week van het Theater is er op allerlei grote en kleine podia in heel Vlaanderen vier avonden op rij theater te zien, waarbij elke deelnemende voorstelling gegarandeerd vier keer kan spelen op één of op verschillende podia in dezelfde regio (om ecologische redenen). Ze zou zelfs voor een overwicht aan onverwachte locaties en een unplugged karakter kunnen gaan. Zo kan de Week van Theater zich vastklikken aan de Open Monumentendag (altijd medio september), de Open Bedrijvendag of de Open Kerkendag (zelfs die bestaat). Dan krijg je vanzelf bijzondere locaties en nieuwe cross-sectorale linken.

“In mijn gedroomde Week van het Theater is er op allerlei grote en kleine podia in heel Vlaanderen vier avonden op rij theater te zien, waarbij elke deelnemende voorstelling gegarandeerd vier keer kan spelen op één of op verschillende podia in dezelfde regio.”

De huidige juryselectie van Het TheaterFestival wordt vervangen door een open aanmelding. Aan de ene kant geven (gesubsidieerde) producties en gezelschappen hun interesse aan met voorkeuren rond locatie, regio, technische ondersteuning… Hetzelfde doen geïnteresseerde podia, monumenten en locaties met hun wensen (pakweg: ‘jeugdtheater’, ‘niet-talig’, ‘iets over spiritualiteit’, ‘graag iets met circus’, ‘een monoloog’) en met een contact van een nabij lokaal cultuurhuis voor de artistieke en logistieke ondersteuning. De finale matching kan gebeuren door lokale programmatoren in dialoog met een beperkt matchingcomité met artistiek overzicht, of desnoods gewoon bilateraal tussen aanbieders en afnemers.

Welke criteria er dan gelden bij te veel interesse voor te weinig podia? Ik zou zeggen: grote voorkeur hebben producties met bewezen of vermoede kwaliteit om wervend te werken voor een minder geoefend publiek, die tegelijk niet al langere speelreeksen hebben in voormalige cultuurcentra. De Week van het Theater moet dus een correctie brengen op het huidige aanbod. Minstens de helft van de vertoningen moet ook buiten de centrumsteden plaatsvinden. Samenwerking met VRT en andere mediaspelers is evident, zoals bij gelijkaardige evenementen van andere disciplines.

Wie dat gaat betalen? Met de huidige subsidie van Het TheaterFestival (280.000 €) blijft naast het loon voor één coördinator en wat werkings- en communicatiebudget nog 200.000 € over om elke vertoning 1000 € te sponsoren, aangevuld met publieksinkomsten en co-financiering door gezelschappen en lokale cultuurhuizen. Zo kunnen pakweg 50 producties elk vier keer spelen in diezelfde week. Overnachting gebeurt gratis bij mensen thuis voor de lokale verankering: ‘leg een artiest te slapen’.

Deze Week van het Theater zal maar een druppel verschil maken op de hete plaat van het spreidingsprobleem, maar wel meer (jonge) makers meer kansen geven om hun voorstelling te laten zien, onverwachte verbindingen leggen tussen producerende spelers en lokale spelers, meer positieve aandacht genereren voor theater en dans in Vlaanderen, de publieke impact van Het TheaterFestival verbreden en minder tijd doen opgaan aan ‘mismatching’. Zo nodig kan er in die week nog altijd één centrale locatie zijn voor de State, de sectordag, prijzen en debatten. En mochten we er Het TheaterFestival toch niet voor willen opgeven, volstaat voor de Week van het Theater een stevige projectsubsidie. Wie neemt het initiatief?

2. Decretale stimulansen/verplichtingen rond bovenlokale samenwerking

Elke meer structurele ingreep hangt af van cultuurminister Gennez, voor een correctie op het grote gat dat het geschrapte decreet Lokaal Cultuurbeleid achterlaat. Je kan er donder op zeggen dat die beslissing van de regering Bourgeois van tien jaar geleden over tien jaar dé culturele beleidskeuze zal blijken met de grootste (negatieve) impact op het podiumleven in Vlaanderen. Net zo pijnlijk is het dat Vlaanderen waardige spreidingsinitiatieven als Circuit X of Eigen Kweek voor jonge makers zo makkelijk verloren heeft laten gaan. Alleen heeft de tijd terugdraaien weinig zin. Wat kan wel nog?

Fantasie: de Vlaamse Gemeenschap voorziet extra subsidiestimulansen voor lokale besturen en (podium)kunstorganisaties om samen projecten op te zetten in de buitenstedelijke ruimte, met lokaal verankerde creatieprocessen en aardige speelreeksen in de eigen regio. Zeker nu de huidige projectsubsidie voor kleinere (eenjarige) bovenlokale cultuurprojecten (binnen het decreet Bovenlokale Cultuur) vanaf 2027 alweer opgeschort wordt, zou dat geen overbodige luxe zijn.

“Het effect moet zijn dat lokale cultuurhuizen, stedelijke gezelschappen en kunstenaars met interesse in de regio tot een diepere uitwisseling komen dan de zoveelste snelle presentatie van een voorverpakte creatie.”

Het effect van zo’n nieuwe of aangescherpte subsidieregeling moet zijn dat lokale cultuurhuizen, stedelijke gezelschappen en kunstenaars met interesse in de regio tot een diepere uitwisseling komen dan de zoveelste snelle presentatie van een voorverpakte creatie (opbouwen, spelen en weer weg). Het hoeft wellicht niet allemaal zo groots en zo participatief als bij De Intrede met zijn ruim honderd plaatselijke spelers in een decor van zeventig meter in een oude fabriekshal in Beveren bij Roeselare. Maar de impact van zo’n machtig podiumproject op de lokale gemeenschap, goed voor zeker 5.000 toeschouwers uit de regio, die wens je veel meer plekken in Vlaanderen toe.

Deze subsidiestimulans kan ingeschreven worden in bestaande decreten:

  • Verplicht gemeenten die onder het decreet Bovenlokale Cultuur een zesjarige werkingssubsidie aanvragen voor een intergemeentelijk samenwerkingsverband (IGS), om ook te voorzien in een minimumaantal presentaties van gesubsidieerde producties en/of twee intensieve samenwerkingen met professionele kunstenaars en podiumorganisaties.
  • Stimuleer of verplicht elke aanvrager van een meerjarige werkingssubsidie onder het Kunstendecreet om in de loop van vijf jaar minstens één (creatie)project in de regio op te zetten met minstens één buitenstedelijke partner, gaande van amateurkunsten tot een cultuurhuis onder lokaal bestuur. Indien aanvragers daar niet op willen ingaan, moeten ze die negatieve keuze minstens stevig verantwoorden.

In elk geval zal een verruimde en meer democratische visie op spreiding enkel ingang vinden met een stevige wortel die armlastige gemeenten, kunstorganisaties en kunstenaars extra budget biedt in ruil voor garanties op extra speelbeurten en diepere samenwerking tussen stedelijke producenten en buitenstedelijke presenterende huizen. Vandaag denken zij bijna spontaan in twee kampen. Hoe doe je ze meer in bruggen denken?

3. Een publieke ‘vervoeringsmaatschappij’ voor lokale kunstvoorziening

Naast spreiding kennen de podiumkunsten nog veel andere uitdagingen, gaande van gefragmenteerde tewerkstelling tot de nood aan meer ontwikkelingsgericht werken (zie de Landschapstekening van Kunstenpunt). Valt er van al die noden één deugd te maken?

Fantasie: de Vlaamse Gemeenschap richt een nieuw autonoom nutsbedrijf op voor kunst, vanuit de filosofie dat ook kunstbeleving een publieke basisvoorziening is zoals openbaar vervoer, onderwijs of energievoorziening. Die Vlaamse ‘vervoeringsmaatschappij’ inspireert zich losjes op Franklin Roosevelts ‘New Deal’, waarbij in de jaren 1930 ook veel kunstenaars een bescheiden maar vast overheidsloon kregen om hun ambacht te onderhouden en ten dienste te stellen van de gemeenschap. Tijdens corona herinnerde Geert Beulens nog eens aan de wonderlijke effecten van die New Deal bij zijn voorstel voor een Culturele New Deal:

“Schrijvers en journalisten trokken naar het Diepe Zuiden om de levensverhalen op te tekenen van de laatste generatie die tot slaaf was gemaakt. Theatermakers zetten ‘living newspapers’ op, reizende voorstellingen waarin ze in steden en afgelegen gebieden actuele gebeurtenissen of vergeten geschiedenissen op de planken brachten, of de gevaren van tuberculose, longontsteking en syfilis demonstreerden. Wereldberoemd werden de foto’s die Dorothea Lange en Walker Evans voor de Farm Security Administration maakten van de abjecte armoede van landbouwgezinnen die door de Dust Bowl uit hun huizen waren verdreven.”

Mijn gedroomde Vlaamse kunstmaatschappij biedt 150 vaste betrekkingen van vijf jaar (tien per Vlaamse referentieregio, dus gelijk verdeeld over het grondgebied) aan kunstenaars met een uitgesproken interesse om zich te verankeren buiten de centrumsteden en om hun artistieke praktijk vorm te geven vanuit lokale noden en thema’s. Makers solliciteren met ruggensteun van minstens één structureel gesubsidieerde kunstorganisatie voor artistieke begeleiding en minstens drie lokale cultuurhuizen uit dezelfde regio, waarmee ze een ruw plan voor vijf jaar voorstellen. Ze moeten bereid zijn zich in die regio te vestigen en krijgen het statuut van huiskunstenaar in de ondersteunende cultuurhuizen, met gegarandeerde ondersteuning qua productie, ruimtegebruik, netwerk en communicatie. Ook extra budget voor tijdelijke artistieke medewerkers voor creaties valt onder de verantwoordelijkheid van de betrokken cultuurhuizen en artistieke organisaties, desnoods met een projectaanvraag.

“De Vlaamse Gemeenschap richt een nieuw autonoom nutsbedrijf op voor kunst, vanuit de filosofie dat ook kunstbeleving een publieke basisvoorziening is zoals openbaar vervoer, onderwijs of energievoorziening.”

Zo tekent deze Vlaamse kunstmaatschappij niet alleen voor een vernieuwde structurele verbinding tussen het lokale en het Vlaamse cultuurbeleid, maar ook voor een meer diepgaande uitwisseling tussen stedelijke producenten en lokaal presenterende huizen. Spreiding zou zich verruimen tot regionale artistieke ontwikkeling. Daar zou heel Vlaanderen en de brede podiumkunsten wel bij varen, geloof ik.

Veel kans dat er nog veel betere fantasieën uit te werken vallen. Eigenlijk moeten we ons daarvoor met alle partijen eens een weekje terugtrekken in een bos. Ik ga graag mee.


Wat is dat allemaal met die decreten?

Het Decreet Lokaal Cultuurbeleid (2001-2016) voorzag gemeenten van extra Vlaams budget voor onder meer een lokale cultuurbeleidscoördinator en de werking van hun gemeentelijke bibliotheek en ‘cultuurcentrum’ (toen nog een duidelijk omschreven taak). Daarbij moesten gemeenten voldoen aan enkele (vooral kwantitatieve) criteria qua aanbod, werking en personeel. Dit decreet werd in 2016 de facto opgeheven onder cultuurminister Sven Gatz. Vandaag is het nog enkel van kracht voor gemeenten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Het Decreet Bovenlokale Cultuur (2018) werd in het leven geroepen nadat de culturele rol van de provincies werd geschrapt in 2016. Het voorziet middelen voor culturele projecten en samenwerking die de gemeentelijke grenzen overstijgen, maar zonder uitstraling over heel Vlaanderen. Het stimuleert daarbij ook extra cultuurparticipatie. Het biedt subsidielijnen aan voor onder meer kleine bovenlokale eenjarige cultuurprojecten (-25.000 €), grotere bovenlokale transversale projecten van één tot drie jaar (+25.000 €), werkingssubsidies voor het steunpunt OP/TIL voor bovenlokale cultuur, werkingssubsidies (voor zes jaar) voor intergemeentelijke samenwerkingsverbanden rond een netwerk vrijetijdsparticipatie…

Het Kunstendecreet (2004) regelt de (financiële) ondersteuning van de professionele kunstensector, voor alle disciplines behalve film en literatuur. Het voorziet onder meer in kunstenaarsbeurzen, projectsubsidies voor tijdelijke artistieke initiatieven (één tot drie jaar), werkingsmiddelen (voor vijf jaar) voor kunstorganisaties, losse tegemoetkomingen voor internationale presentaties… Elke aanvrager tekent in op één of meerdere van 5 functies: ontwikkeling, productie, presentatie, participatie en reflectie.

 

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

toekomstvisioen
Leestijd 14 — 17 minuten

#180

15.09.2025

—

14.12.2025

Wouter Hillaert

Wouter Hillaert is freelance cultuurjournalist. Hij schrijft over theater voor De Standaard, coördineert recensiewebsite Pzazz en doceert het vak ‘Artist in Society’ aan het Conservatorium Antwerpen. Van 2003 tot 2019 was hij kernredacteur van cultuurtijdschrift rekto:verso. Bij Etcetera maakt hij deel uit van de Grote Redactie. 

Dit artikel maakt deel uit van: Visies voor het veld

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!