Costa Kritiek
Aflevering 2: Margot De Grave Loyson
Margot De Grave Loyson
© Nastia Krasinskaia
In Visies voor het veld vraagt Etcetera aan sleutelfiguren naar hun perspectief op de podiumkunsten van morgen. Wat loopt goed, wat moet dringend anders? Wat zouden ze veranderen als ze morgen een almachtige minister van cultuur waren, met onbeperkte middelen en bevoegdheden? Deze week: Dries Douibi, dramaturg, artistiek directeur van LOD Muziektheater en tot juni 2026 ook van Kunstenfestivaldesarts.
De Vlaamse theater- en dansgezelschappen zijn al sinds de jaren 1980 internationaal toonaangevend. De vernieuwingsgolf heeft zich indertijd zo goed kunnen doorzetten, niet op aansturen van de overheid, wel omdat ze bottom-up werd georganiseerd. Een multitude aan vzw’s boksten boven hun gewicht en meerdere kunstenaars dachten vanuit de praktijk na hoe ze het kunstenveld het beste konden vormgeven.
Decennialang is die zelforganisatie en autonomie een unieke kracht geweest van het Vlaamse cultuurveld. Kunstorganisaties kunnen vrij beslissen over de plannen die ze indienen en welke toekomst ze voor zichzelf zien, daar heeft de overheid weinig macht over. Het werk van commissies en subsidiënten beperkt zich tot geld geven of geen geld geven. Dat heeft voor een fijnmazig landschap gezorgd, zeker in vergelijking met onze buurlanden Frankrijk en Duitsland, met hun logge, van bovenaf gestuurde instellingen.
Nu, aan de vooravond van een omwenteling in het veld, is dit steeds moeilijker vol te houden. Het is bijvoorbeeld niet logisch dat kunstenaars uit de jaren 1980 nog steeds een veelvoud krijgen van de subsidies van pakweg Miet Warlop of Alexander Vantournhout, die internationaal minstens even succesvol zijn.
“Het is niet logisch dat kunstenaars uit de jaren 1980 nog steeds een veelvoud krijgen van de subsidies van pakweg Miet Warlop of Alexander Vantournhout, die internationaal minstens even succesvol zijn.”
Het wordt hoog tijd dat de overheid uitzoekt hoe ze wil omgaan met deze wet van de remmende voorsprong. Hoe kan het een beleid uittekenen dat de erfenis van de Tachtigers honoreert maar hen tegelijk aanmoedigt om zichzelf te herdenken zodat er broodnodige ruimte ontstaat voor nieuwe initiatieven van onderuit? En wat met de structuren en infrastructuur die op afzienbare termijn zonder hun oprichter vallen? Zonder volwassen gesprek over deze transitie dreigt de erfenis van de jaren 1980 een zware ketting om onze nek te worden die het veld de nodige zuurstof ontneemt.
Enkele jaren geleden reorganiseerde het nieuwe kunstendecreet de subsidiëring in termen van functies: productie, presentatie, ontwikkeling, reflectie en participatie. Dat is een nefaste evolutie. Veel organisaties wilden hun relevantie bewijzen door zich in meerdere functies te onderscheiden, of maakten de strategische fout meer te doen in de hoop meer geld binnen te rijven voor hun ondergefinancierde werking – een logica die de overheid ook zelf in de hand werkte door onder meer de tienjarige structuren te verplichten drie functies op te nemen en de grote instellingen vijf.
Dat heeft tot een totale inflatie geleid. Veel organisaties gaan een ‘microlandschap’ op zichzelf vormen, maar vaak missen ze de nodige expertise om dat te doen. Dat is logisch: productie, presentatie, reflectie, ontwikkeling en participatie vereisen nu eenmaal diverse competenties. Bovendien gaat er in deze dynamiek steeds meer geld naar overhead. Iedereen moet nu intern een specialist hebben die thuis is in functie a, b, c, d of e. Gevolg: het budget voor kunstenaars en coproducties bevindt zich op een historisch dieptepunt. Dat is een kanarie in de koolmijn en toch is het veel te weinig voer voor debat.
“Het budget voor kunstenaars en coproducties bevindt zich op een historisch dieptepunt. Dat is een kanarie in de koolmijn en toch is het veel te weinig voer voor debat.”
In tijden van financiële schaarste wil ik pleiten voor kernfuncties. Elke organisatie bepaalt voor zichzelf één hoofdmissie, vanuit een aanvullend perspectief op de andere spelers in het veld. Dit veronderstelt meer landschapsdenken en complementariteit, de durf om deel te zijn van een groter geheel, vanuit de onderliggende vraag: How to be singular? Niet vanuit een competitiedrang, maar vanuit het wederzijdse vertrouwen dat als iemand een bepaalde taak opneemt een collega-organisatie uit de eigen stad, Vlaanderen of Europa de andere leemtes opvult. Ons veld werkt goed genoeg om elkaar dit vertrouwen te gunnen en samen een bloeiend ecosysteem te creëren.
Elk aanvraagdossier moet sinds het nieuwe kunstendecreet een percentage eigen inkomsten kunnen voorleggen: minimaal 20% voor organisaties die inzetten op presentatie of productie, 7,5% voor organisaties die focussen op participatie, ontwikkeling en reflectie. De maatregel heeft perverse neveneffecten en als sector hebben we ons collectief schuldig gemaakt aan dit spelletje liberale symboolpolitiek, terwijl we allemaal weten dat het deels een fictie is.
In de podiumkunstensector is het namelijk heel moeilijk om te becijferen wat die eigen inkomsten precies zijn. Subsidies vanuit andere overheden dan de Vlaamse worden bijvoorbeeld niet als eigen inkomsten beschouwd, maar coproducties van partners die gedeeltelijk voortkomen uit die Vlaamse subsidies wel. De maatregel is onduidelijk, scheert diverse organisaties over één kam, en zorgt voor extra dossierlast bij zakelijk leiders die zich moeten bezighouden met absurde cijferoperaties. Bovendien worden organisaties met een eigen gebouw steeds meer verplicht hun huis uit te baten als een commerciële verhuurdienst, terwijl hun ruimtes eigenlijk bedoeld zijn voor artistieke activiteiten.
Laten we het percentage eigen inkomsten dus afschaffen en vervangen door het percentage steun aan kunstenaars. Op fair pay wordt al een tijdje meer ingezet, maar door de inflatie en besparingen blijft het de meest fragiele post in onze begrotingen. Coproductiesommen worden gekortwiekt, in veel organisaties staan kunstenaars niet meer op de payroll, hotel-, techniek- en reiskosten worden doorgerekend in het artistieke budget waardoor dat artificieel wordt opgeblazen. In plaats van deze kafkaëske maatregel zouden we beter organisaties belonen die zoveel mogelijk middelen aan kunstenaars geven.
Toegegeven, dit is nog een speculatief idee, maar waarom ontwikkelen we geen Vlaamse regie der gebouwen voor cultuur? Akkoord, de federale regie heeft een slechte reputatie en er zijn veel risico’s bij het centraliseren van infrastructuur. Maar op dit moment besteden we collectief te veel aandacht aan bakstenen. Sommige gebouwen worden beheerd door een gezelschap of theater zelf, wat een enorme last en risico met zich meebrengt – zowel financieel als qua verbouwingsdossiers.
“Op dit moment besteden we collectief te veel aandacht aan bakstenen.”
In andere gevallen is de stad, provincie of Vlaamse overheid eigenaar, of een privébeheerder die werkt via verhuur of erfpacht. Dat zorgt voor een soep aan complexe regelgeving op verschillende niveaus, in ware Vlaamse koterijstijl. Elke organisatie heeft nu één of meerdere specialisten in huis om aan dat kluwen het hoofd te bieden, wat een versnippering van kennis met zich meebrengt. Dat zou toch efficiënter en duurzamer moeten kunnen.
Ik pleit voor een splitsing tussen de hardware en de software, een scheiding tussen organisatie en gebouw waardoor kunstorganisaties zich weer kunnen focussen op hun kerntaak. Vlaanderen heeft de voorbije jaren veel geïnvesteerd in zijn culturele infrastructuur, het is logisch om daar ook een meer gestroomlijnde visie en politiek aan te koppelen. Dit voorstel volgt een logica van basisinfrastructuur en gedeelde ruimte. Het is de taak van de overheid om nauwgezet in kaart te brengen welke infrastructuur er in Vlaanderen is, welke investeringen er nodig zijn om die in een goede staat te houden en hoe de beschikbare ruimte ter beschikking kan worden gesteld van een zo breed mogelijke artistieke gemeenschap.
Daarnaast is er ook ruimte nodig om de infrastructuur van morgen vorm te geven. Idealiter komt die impuls van onderuit, wordt ze geboetseerd vanuit de dromen en noden van kunstenaars zelf, niet opgelegd vanuit de administratieve onderhandelingstafel. Om die dromen mogelijk te maken, moet de overheid niet alles zelf bepalen, maar wel de voorwaarden scheppen waarin bottom-upinitiatieven kunnen floreren. Dat betekent: ruimte vrijmaken, drempels verlagen en co-financiering bieden waar nodig.
De dood is deel van het leven, het zorgt voor zuurstof en perspectief, waarom proberen we die voor culturele organisaties te omzeilen? Ik geloof dat we een dynamischer kunstenveld creëren als we organisaties vanaf nu subsidiëren voor een door henzelf vooraf bepaalde maximale levensduur. Middelen worden niet voor de hele periode toegekend, er blijven tussentijdse evaluaties, maar zo kunnen we structuren stimuleren om beter na te denken over hun erfenis en het doorgeven van hun kennis – niet alleen vanuit het perspectief van de leidende kunstenaars, maar van alle betrokken medewerkers.
Wat had het opgeleverd als pakweg Anne Teresa De Keersmaeker Rosas na twintig jaar had stopgezet en een nieuw collectief van choreografen had opgericht? Of als Toneelhuis ophield te bestaan na vijftien jaar Guy Cassiers en de Bourla werd overgenomen door een ensemble van pas afgestudeerde acteurs? Landschapszorg omvat niet alleen de instroom van nieuwe kunstenaars en initiatieven, maar ook een gedegen visie op hoe organisaties tot een mooi einde kunnen komen.
Een van de meest problematische evoluties van de laatste twintig jaar is de opheffing van de geoormerkte cultuurbudgetten voor steden en gemeenten, onder impuls van Sven Gatz. Veel CC’s moesten inboeten op hun werking en autonomie, werden gedwongen om commerciëler te programmeren en hun ruimtes steeds meer extern te verhuren om break-even te draaien. Tel daar nog eens de inflatie bij, de doorwerkende rekening van het Dexia-fiasco, en de afschaffing van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd waarvan de factuur doorgeschoven wordt naar de OCMW’s, en het is duidelijk dat het lokale cultuurbeleid de komende jaren nog meer onder druk zal komen te staan.
Dat heeft een catastrofale impact, niet alleen op de slinkende speelkansen voor kunstenaars, maar ook op de ontwikkeling van ons toekomstig publiek. Door het fijnmazige netwerk van CC’s komt nu een breed publiek, waaronder ook vele Vlaamse kinderen en jongeren, in aanraking met theater, wat de kans groter maakt dat ze later ook aan cultuur zullen deelnemen. Dat ondergraven we wanneer de CC’s nog beperkter zullen gaan programmeren. In Nederland zien we het resultaat al: hoeveel voorstellingen worden daar niet geproduceerd voor (half)lege zalen?
Ik pleit voor een hernieuwd contract tussen Vlaanderen en de steden en gemeenten, waarin opnieuw middelen worden toegekend aan cultuur. De bestuursraden van cc’s worden aangevuld met expertise uit het veld, waardoor die bevolkt worden door maximaal 50% lokale politieke mandatarissen en 50% leden uit de beoordelingscommissies. Zo komt er een betere afstemming tussen het lokale en Vlaamse niveau.
De vraag of er te veel theatermakers en dansers afstuderen aan onze kunstopleidingen, is een gouwe ouwe, maar als vraag daarom niet minder relevant. Het hoger onderwijs schermt met het argument dat zij veelzijdige mensen opleiden, van wie de skills niet alleen inzetbaar zijn in de kunstwereld maar ook elders op de arbeidsmarkt. Dat begrijp ik en het is gedeeltelijk waar, maar het maskeert een lastige realiteit.
Generatie na generatie podiumkunstenaars worden nu gedesillusioneerd door het gebrek aan ruimte in het veld. Ze worden geconfronteerd met te weinig repetitieruimte (ook al op school), te weinig subsidies, te weinig speelkansen en te weinig publiek. Die druk zal alleen nog maar toenemen. Deze ongezonde toestroom drijft bovendien een artificieel conflict tussen generaties op de spits, tussen de haves en have-nots.
“Er is geen enkel rationeel argument te bedenken voor grote kunstopleidingen die steeds meer mensen toelaten en elkaar in elke stad gaan beconcurreren, behalve dat men per student gefinancierd wordt.”
Er is geen enkel rationeel argument te bedenken voor grote kunstopleidingen die steeds meer mensen toelaten en elkaar in elke stad gaan beconcurreren, behalve dat men per student gefinancierd wordt. De opleidingen wijzen er soms op dat een numerus clausus de diversiteit van het onderwijs in het gedrang brengt. Dat is een beledigend argument. Waarom kan er enkel diversiteit zijn in een grote groep?
Een zij-effect is bovendien dat door de academisering van het onderwijs en de exponentiële groei van alumni er volgens mij minder ruimte voor autodidacten is. Nu lijkt het alsof er maar één weg is om professioneel kunstenaar te worden, en dat is ervoor studeren. Een numerus clausus heeft als indirect voordeel dat we ook beter mensen kunnen ondersteunen die via andere wegen het kunstenaarschap ontdekken.
Vandaar een pleidooi voor een sectoroverschrijdende alliantie tegen het neoliberale groeimodel waarin we collectief verliezen. Kunstonderwijs en cultuurorganisaties die schouder aan schouder bij de desbetreffende ministers pleiten voor een andere financieringslogica voor de kunsthogescholen.
Het TheaterFestival luidt de feestelijke start in van het nieuwe theaterseizoen. Wat als de selectie ook effectief gedragen zou zijn door de hele sector? Een voorstel: elke los-vaste werknemer van een gesubsidieerde organisatie gaat verplicht twaalf voorstellingen kijken waar ze geen professionele link mee hebben, van de lichttechnicus tot de boekhouder tot de kok en de zakelijk leider. Samen stemmen zij voor de acht meest spraakmakende voorstellingen van het jaar.
Benieuwd welke keuzes dat zou opleveren en hoe die collectieve betrokkenheid ons veld ten goede zou komen. Deze selectie kan aangevuld worden door twee voorstellingen gekozen door de Vlaamse theatercritici en twee voorstellingen geselecteerd door het publiek om ook die belangrijke stakeholders een plek te geven.
Het blijft één van de wezenlijke uitdagingen van onze podiumkunstensector: hoe weerspiegelen we de complexe, gelaagde demografie van Vlaanderen en Brussel op het podium, in de zaal en in de achterbouw? Het diversiteitsvraagstuk rond gender, klasse, etnisch-culturele representatie en de inclusie van mensen met een beperking heeft al veel fases doorgemaakt, maar het blijft moeilijk om te objectiveren hoe we er nu voorstaan. En dat maakt de doelen ook minder scherp.
Als sector hebben we nood aan een actief meetinstrument. Kunstenpunt kan in samenwerking met de administratie de taak opnemen tot een nulmeting diversiteit van het hele veld, die we jaarlijks kunnen updaten. Het instrument meet ook de evolutie van elke organisatie zodat zij inzicht krijgen in welke mate ze progressie maken.
“We moeten ons radicaler durven afvragen wat diversiteit binnen dans, theater, opera nu werkelijk betekent, en ruimte creëren voor minder normatieve gezelschappen en organisaties.”
Daarnaast denk ik dat we ons iets minder kunnen blindstaren op de diversiteit binnen elke organisatie, maar het veeleer moeten durven tackelen op landschapsniveau. Benader het als een collectieve verantwoordelijkheid die ons kunstenveld duurzamer en internationaal sterker zal maken. Beetje bij beetje zullen we een transitie doormaken in onze instellingen, maar om die weerbarstige processie van Echternach wat sneller te laten verlopen, moeten we het veld misschien fundamenteler hertekenen.
We moeten ons radicaler durven afvragen wat diversiteit binnen dans, theater, opera nu werkelijk betekent, en ruimte creëren voor minder normatieve gezelschappen en organisaties. Hebben we vanuit landschapsoogpunt werkelijk zoveel op elkaar lijkende organisaties nodig?
In mijn ideale wereld herdenken we in het kunstendecreet niet alleen de functies, maar schaffen we ook de disciplines af. Die disciplines waren initieel bedoeld om de evolutie naar een postdisciplinair landschap te faciliteren, maar dat is niet gelukt. Nu zitten we met een restant dat niet is afgestemd op hoe het er in de praktijk echt aan toe gaat.
Ik geef een voorbeeld uit het muziektheater, het veld waarin ik sinds kort zelf werkzaam ben. Het is absurd dat dit nog steeds een aparte categorie is bij de beoordeling, ook al begrijp ik dat dit historisch voortvloeit uit de verschillende economische realiteiten van theater, muziek en muziektheater. In het hedendaagse muzieklandschap is het bijvoorbeeld normaal om kort te repeteren met muzikanten die meteen van een partituur kunnen spelen, en daarna slechts enkele keren optreden. In de podiumkunsten besteedt men traditioneel meer tijd aan onderzoek en heeft men langere speelreeksen.
Beide modellen zijn echter naar elkaar aan het toegroeien. Ook artistiek worden de muren tussen disciplines meer dan ooit gesloopt. Kijk naar de volgende Biënnale van Venetië voor beeldende kunst: België wordt vertegenwoordigd door Miet Warlop, Nederland door Dries Verhoeven, Oostenrijk door Florentina Holzinger – allen ‘podiumkunstenaars’. Ook het publiek denkt steeds meer postdisciplinair. Het is hoog tijd dat de beoordeling en subsidiëring de artistieke realiteit gaat volgen.
Dit is voor alle duidelijkheid geen pleidooi voor eenheidsworst. Multidisciplinariteit is veeleer een spectrum waarop elke organisatie de vrijheid heeft om zichzelf te positioneren. Maar vakjes zijn op alle vlak niet meer van deze tijd.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.