‘Ottone, Ottone’ (Rosas) Foto Herman Sorgeloos

Benoît Vreux, Theo Van Rompay

Leestijd 6 — 9 minuten

Villa Medicis in Brussel

Jean-Yves Langlais

Vanaf 1992 werkt choreografe Anne Teresa De Keersmaeker als artist in residence voor een periode van 3 jaar in De Munt. In het nieuwe organigram van de Nationale Opera wordt dit vertaald door het engageren van een dansdirecteur. enkele weken voor zijn officiële aanstelling sprak Etcetera met Jean-Yves Langlais.

Het gerucht doet de ronde dat u door Bernard Foccroulle gevraagd werd een danspolitiek voorde nieuwe Munt uit te bouwen. Klopt dat, en zo ja, hoe denkt u die opdracht aan te pakken ?

Jean-Yves Langlais : “Bernard Foccroulle heeft me inderdaad gevraagd de functie van dansdirecteur in de Muntschouwburg op te nemen. In het globale project is er één centraal punt: de structurele aanwezigheid van Rosas, o.l.v. Anne Teresa De Keersmaeker, in de Munt. Het welslagen van het project zal af te lezen zijn van het artistieke parcours dat Anne Teresa De Keersmaeker uittekent voor Rosas, maar eveneens van de wijze waar-op dit werk zich inpast in de Muntschouwburg. Met die taak voor ogen heeft Foccroulle mij gevraagd, waarbij hij uitging van mijn werk in Grenoble met Jean-Claude Gallotta.

Ook daar ging het over het zeer preciese op elkaar afstemmen van een équipe artistique met een eigen logica, en een kunstinstelling, eveneens met een eigen logica. Het zijn twee denkwerelden en twee manieren van functioneren die een harmonie moeten vinden. Dat is de basis van het project en daar zal mijn energie in eerste instantie naartoe gaan. Het volstaat niet een carte blanche aan Anne Teresa De Keersmaeker te geven en vervolgens de kat uit de boom te kijken. Men moet werkelijk de krachten bundelen om dergelijke fragiele constructie tot een goed einde te kunnen brengen. Pas als dat lukt, kunnen andere taken aangepakt worden. Want er zal méér zijn, maar nieuwe initiatieven zullen een gevolg zijn van de goede basis-samenwerking tussen Rosas en De Munt.”

Hoe moeten we ons die samenwerking voorstellen ? Wordt Rosas het corps de ballet van De Munt ? Of blijft het een volledig autonoom gezelschap ?

J-Y L : “Het een, noch het ander. Alles wordt herdacht in functie van Anne Teresa De Keersmaeker. We hebben geen corps de ballet nodig dat, volgens een vast stramien dansers levert aan elke opera die erom vraagt. Het is ook niet noodzakelijk dat één en dezelfde choreograaf de operaballet-ten leidt. Het zoeken van de juiste dansers is vergelijkbaar met het zoeken van de juiste zangers.

De aanwezigheid van Rosas staat daar los van. Maar het heeft ook geen zin dat het een volledig autonoom gezelschap blijft, d.w.z. iets dat men een beetje vasthaakt aan De Munt. Het kan geen eenvoudige, symbolische uitwisseling van kwaliteitslabels zijn : Rosas dat van De Munt het prestige en de symboliek oppikt, en De Munt die zich de artistieke klasse van Anne Teresa toeëigent. En dat zou het dan zijn.

De rijkdom van Anne Teresa’s artistiek universum is méér dan het louter choreografische. Er is bijvoorbeeld de muzikale dimensie die fundamenteel is voor de verhouding met De Munt. Er zijn andere invalshoeken waarop we ons moeten inspireren, zoals tekst en dramaturgie, maar ook haar belangstelling voor film bijvoorbeeld. We hebben niet zomaar een lijstje met projecten die nu even moeten afgewerkt worden. Ik hou erg van de vergelijking met een batterij (‘une pile‘),en sterker, een atoomreactor (‘une pile atomique‘), waarin de begrippen concentratie en transformatie een sleutelrol spelen. Wat het dus juist zal worden, zal in de loop van het volgende jaar wel duidelijk worden.

Er is een dubbele invalshoek. Choreografen hebben tegelijkertijd een hyperlokale en een internationale dimensie. Het lokale is het atelier, het huis waar er gewerkt wordt; het staat veraf van de technocraten. Zij kunnen dit begeleiden door samen na te denken met de choreografe, haar medewerkers en haar dansers over de beste werkomstandigheden. Dat kan dan gaan van samenwerking met de universiteit om een specifieke dansvloer te ontwikkelen tot het onderzoeken van de mogelijkheden om een dansvoorstelling elders dan in een theater te presenteren, als dat al de wens van de artiesten zou zijn. Maar er is daarnaast de internationale dimensie. De hedendaagse kunst, of de kunst in ‘t algemeen, kan slechts in een internationale context begrepen worden.”

Is er binnen die lokale dimensie ruimte voor opleiding ? Komt er na het verdwijnen van Mudra opnieuw een dansschool ?

J-Y L : “Vele mensen in de danswereld spreken over Mudraals hèt referentiepunt inzake pedagogie, vorming en onderwijs. Wanneer men er vandaag naartoe gaat, ziet men daar nog altijd de sporen van. Zoals een uitgedoofde ster blijft Mudra toch stralen, maar het is niet meer die symbolische plek. Een redding van Mudra stelt zich niet, er is alleen de herinnering. Die herinnering moet een bouwsteen zijn voor iets nieuws. Het komt er immers op aan de permanente zorg voor actuele creaties te associëren met het verleden, de ervaring. Ik denk in dit verband dat er zaken te doen zijn met andere partners, zoals de universiteit, waarin deze travail d’écriture zijn plaats vindt. De vraag is hoe verworvenheden te consolideren.

Ik ambieer betreffende Mudra niet de positie van een technocraat. Ik ben het eens met Bernard Foccroulle dat er moet gedacht worden in functie van wat essentieel is voor de ontwikkeling van Rosas. Er moet een link zijn met wat volgt. We hebben geen nood aan een Mudra-religie waarvan de rites kost wat kost moeten behouden blijven. Met alle betrokkenen moet dus vooral veel nagedacht worden over de financiële, technische en artistieke aspecten van een eventuele opleiding.”

Een nieuwe school is dus een mogelijkheid, maar geen prioriteit ?

J-Y L : “Alles is mogelijk. We vertrekken niet met een afgelijnd programma. We willen niet doen wat elders reeds bestaat. Wat ontbreekt er vandaag op Brussels, Belgisch en Europees niveau ? Daarbij moet voor ogen gehouden worden dat al te vaak het essentiële als iets verworvens beschouwd wordt, zodat men zich op het secundaire stort. Ik wil me concentreren op het essentiële en dat is : de werkomstandigheden voor Rosas in Brussel, de verhouding met de scène, de verhouding met het pubhek. Eerst het gezelschap, dan de rest, inclusief de eventuele school.

Ik wil daarbij in de eerste plaats luisteren naar anderen.”

U spreekt over Rosas en de internationale dimensie van hun werk. Gaat u omgekeerd in De Munt ook aandacht geven aan buitenlandse artiesten ?

J-Y L : “Hetzelfde antwoord : wat ontbreekt er ? In Grenoble bijvoorbeeld was dat een dansprogrammatie; om de blik van de toeschouwer te verruimen èn om het werk van Jean-Claude Gallotta beter te begrijpen. Dat betekende niet dat steeds produkties uitgenodigd werden die nauw verwant waren aan het werk van Gallotta. Ik ben daar geen arrivist in en wil ook hierover eerst mensen consulteren. Want er gebeurt reeds veel in België.

Ik wil ook veel ruimtes gaan bekijken. Want dat is naar mijn gevoel een beetje problematisch in Brussel. Welke plek leent zich goed om dans te presenteren ? En wat kan De Munt nog met zijn plateau, dat toch vooral voor opera geschikt is ? Ik geloof dat Foccroulle bereid is de dingen in deze zin te herdenken. We moeten zoeken naar the right place.

Belangrijk is ook de pers en de relatie met het publiek. Welk publiek is er voor hedendaagse dans in Brussel ? De samenhang van al die factoren is bepalend voor wat een lange-termijn-politiek zal worden. Maar programmatie op zich is geen prioriteit. Het is interessant, maar eerst zijn er de eigen creaties. Te vaak gaat de energie te snel de verkeerde kant uit. Het wordt dan zoals ouders die extreem begaan zijn met de buren, maar niet attent zijn voor hun eigen kinderen.”

Wilt u als dansdirecteur ook ingrijpen op de choreografische aspecten van de opera-ensceneringen ?

J-Y L : “Waarom willen mensen samenwerken ? Het zijn altijd de persoonlijke relaties die dingen mogelijk maken. Mensen zitten samen te lunchen of drinken koffie. Dát is fundamenteel. Ik moet dringend de cafés van deze stad leren kennen! Uit mijn ervaringen in Frankrijk onthoud ik dat allianties nooit vanuit een technocratische vertrekbasis worden aangegaan. De natuurlijke coöptatie vind ik zeer belangrijk. Van daaruit ontstaat veel meer dan vanuit een of ander prestigieus projectenlijstje.

Ik voel in Brussel dat er een soort fusie van milieus is, dat De Munt luisterbereid is, dat het zelf zo’n fusieplek wordt. Anne Teresa De Keersmaeker voelt zich hier goed, omdat Gerard Mortier van het huis iets heeft kunnen maken dat de artiesten vertrouwen inboezemt. Hij is een goede gastheer en méér dan dat. Ik geloof dus in de ‘wandelgangen’-gesprekken, wat er in de coulissen gebeurt. De Munt is geen plek waar artiesten even langskomen en dan weer vertrekken, het is een lieu d’échange. Bernard Foccroulle voelt heel goed aan dat er met Anne Teresa De Keersmaeker hier in huis méér mogelijk wordt, met componisten en uitvoerders bijvoorbeeld, dan we ons vandaag kunnen inbeelden. En dat gaat verder dan de steun van De Munt voor op het op stapel staande Mozart-project van Rosas.

Het is een beetje de droom van de Villa Medicis waar men komt werken en schrijven, maar tegelijkertijd wordt er gepraat en gediscussieerd in de tuin. Daaruit ontstaan dan nieuwe dingen. Als De Munt een Villa Medicis kan worden, dan vind ik dat formidabel. De voorwaarden ervoor zijn alvast aanwezig.”

Léo Standard

Jean-Yves Langlais is van bij de oprichting in 1980 verbonden aan de GroupeEmile Dubois. Hij is er de zakelijk leider van het gezelschap dat artistiek geleid wordt door Jean-Claude Gallotta. Wanneer de groep na vier jaar het statuut krijgt van Centre Chorégraphique National, nog steeds in Grenoble, wordt hij naast Gallotta co-directeur. Nog twee jaar later, in 1986, wordt Gallotta de eerste choreograaf-directeur van een Maison de la Culture in Frankrijk. Met Langlais als co- directeur wordt het huis omgedoopt tot Le Cargo.

De Groupe Emile Dubois werd in Vlaanderen geïntroduceerd door Kaaitheater en Klapstuk, in 1985, met Mammame en Daphnis é Chloé, later ook met Les Survivants (Klapstuk 87). Vanaf 1988 waren ze te gast in deSingel met Mammame/Montréal en Docteur Labus en vorig seizoen met Les Mystères de Subal. Voor alle produkties van het gezelschap ontwierp Jean-Yves Langlais de decors en kostuums onder het pseudoniem Léo Standard.

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

gesprek
Leestijd 6 — 9 minuten

#34

15.06.1991

14.09.1991

Benoît Vreux, Theo Van Rompay