Rud Vanden Nest

Leestijd 11 — 14 minuten

Vestiaire verplicht

Rud Vanden Nest, werkzaam als vertaler-tolk, bezoekt al enkele decennia theater-, dans-, opera- en balletvoorstellingen. Voor het eerst in zijn lange kijkgeschiedenis schrijft hij over zijn kijkervaringen.

Of jarenlang theaterbezoek ‘iets meebrengt voor mijn theaterervaring’ en, meer bepaald, of ik daardoor ‘een voorstelling op een specifieke manier evalueer’? That is the question. En Hamlet, zoals u merkt, niet voor niets het eerste noemenswaardige toneelstuk dat ondergetekende ooit te zien kreeg. Met Senne Rouffaer, als u alles wilt weten. Toen nog jeune premier. En met Jo Dua als regisseur. Vernieuwend regisseur. Alreeds.

Een minzaam man overigens, die mijnheer Dua. Jaren later zou hij mij vriendelijk groeten als een oude bekende. Neen, niet omwille van die Hamlet. Maar omdat de grillen van een festivalprogramma ons drie avonden na elkaar, in drie verschillende theaters, op dezelfde stoelenrij hadden doen belanden.

Ik vertel die anekdote omdat zij in al haar onnozelheid bijdraagt tot het uitklaren van de situatie. Want daar zaten wij dus, de liefhebber en de maker van theater, de leek en de kenner, broederlijk naast elkaar toeschouwer te wezen. Onderdelen van de ‘samenscholing’, zoals Teirlinck het zo mooi en ouderwets formuleert. Schouwden wij toe, elk op de ons eigen manier? Een manier die dan nog verschilde van die van elke andere aanwezige? Allicht wel. En, dichter bij de vraagstelling, was mijn manier, sinds Hamlet, iets of wat meer gaan gelijken op die van mijn deskundige buurman? Vanzelfsprekend was mijn instelling niet helemaal dezelfde meer als de eerste keer. Als theaterbezoek je dan al iets leert, is het warempel toeschouwer zijn. Een kunst die overigens niet zonder enige oefening wordt gebaard. Maar die ook maakt dat je mettertijd bijvoorbeeld blindelings de weg weet naar alle theatertoiletten. Om maar iets te zeggen. Of je de techniek laat ontwikkelen om je stoelnummer te raden zonder Jo Dua te confronteren met het deel van je persoon dat op die stoel moet terechtkomen. Die je, één stadium verder, het besef bijbrengt dat theaterarchitecten duidelijk geen theaterbezoekers zijn, dat zitcomfort geen ijdel woord is en, interessanter, dat slechte voorstellingen nog slechter worden op slechte stoelen. Ten slotte, dat er tegen het kuchen hoestpastilles bestaan en dat je niet zomaar de zaal uitwandelt wanneer het toegeschouwde je niet vermag te bevallen.

En terwijl ik hier nu toch de kans krijg: de dame die het ooit bestond Stella van Rosas te verlaten net vóór Ligeti’s honderdste metronoom stilviel, moge bij deze vernemen dat het vagevuur voor haar zal neerkomen op negenennegentig eeuwen confrontatie met het werk van desbetreffende componist. Middels vinylopnamen. En gescratcht. Maar dit terzijde.

Leren toeschouwen

Stoelen tot daar gelaten, ga je verder aan den lijve ondervinden dat theater kan worden bekeken in alle houdingen (zittend, liggend, staand, wandelend, tollend, rollend), alle richtingen (kijkend naar voren, naar achteren, naar allebei, van onder naar boven, van boven naar onder) en alle plaatsen (uiteraard schouwburgen, maar ook afgedankte bioscopen, aula’s, hallen, fabrieken, loodsen, schuren, tenten, musea, kastelen, paleizen, kelders en zolders, kerken, kloosters en kapellen, scholen, cafés, woonkamers, pleinen, straten, etalages en wat al meer; zelfs polyvalente zalen, die nochtans nergens voor deugen). Aldus leer je dan ook gaandeweg dat het ene theater het andere niet is en dat je je voor een avondje theater – net als de acteurs -niet aankleedt, maar kostumeert. Je zondagse pak voor de opera, de trendy rouwuitrusting voor de postmodernistische avant-garde, een propere overall voor Mistero Buffo en een vuile voor het gros van de performances. Keuze zat, en met variatiemogelijkheid naargelang je je Brechtiaans verfremd dan wel à la Artaud wenst aan te dienen. Kortom, en hoe potsierlijk het bovenstaande ook moge klinken, het gaat erom dat je, als toeschouwer, eigenlijk net zo goed met allerlei (en veelal dezelfde) voorbereidende activiteiten bezig bent als de acteur in zijn loge of achter de coulissen. Omdat er een zekere concentratie nodig is en je daarom de dagelijkse beslommeringen even moet wegvlakken, de praktische belemmeringen even moet uitschakelen. En aangezien een toeschouwer evenmin gaat kijken naar een lege scène als een acteur gaat spelen voor een lege zaal, kom je dus als vanzelf tot de conclusie dat je net zo goed als die acteur een conditio sine qua non bent van het hele gebeuren. De wagen (van Thespis) gaat aan het rollen niet alleen vóór, maar ook dóór jou. ‘Le public avait du talent ce soir‘, zei Louis Jouvet. In de loop der jaren leer je dat talent ontwikkelen. Je leert toeschouwen.

In één moeite door leer je ook dat het niet alle dagen zondag is. Voor de acteurs niet, en voor jou ook niet. Soms wil het maar niet lukken. Soms vaar je op automatische piloot. Op techniek. Soms doet een bepaalde lichtstand je wegdommelen. Soms ben je er gewoon niet bij. Dit impliceert uiteraard dat je in je oordeel zo eerlijk moet zijn toe te geven dat het ook aan jou kan liggen. Dat de beste voorstelling in het niet vergaat als jij, om welke reden dan ook, niet meespeelt. En dat de slechtste een geweldige avond kan opleveren als je maar in de geschikte stemming bent. Zo zag ik, vijfentwintig jaar geleden, met een paar vrienden, een werkelijk verschrikkelijke balletvoorstelling: we beleven er nog altijd dolle pret aan.

Want je wordt natuurlijk kritisch. Word je het of bèn je het? Een hele resem Hamlets en achttien zusters van Tsjechov later, is een eindeloze rij stukken, balletten, opera’s, performances en optredens allerhande de revue gepasseerd. Schitterende en affreuze. Goede en slechte. Herinnerde en vergeten. Word je in de loop der jaren kritischer? Ja en neen. Je leert je kritiek richten en – in de eerste plaats voor jezelf – verwoorden. Dat laatste gaat mettertijd ook vlotter en vlugger. Bij de allerslechtste voorstellingen weet je zelfs al van bij de eerste repliek dat het noppes wordt, dat je of de spots kunt gaan tellen (in de meest hopeloze gevallen per kleur) of de muren opkruipen.

Kiezelsteentjes

Wanneer je voor de eerste keer naar het theater gaat, is je persoonlijke mantel der liefdadigheid al even nieuw als je toeschouwend vermogen. Gesteld dat je gedreven wordt door interesse en niet door een fanatieke nonkel, ben je niet van zins je pret door wat dan ook te laten drukken. Je beslist geen zwakke kanten te zien. En toch. Ook al was die eerste Hamlet een belevenis, toch weet ik nog altijd dat de acteerprestaties ongelijk waren, dat Rouffaer, jeune premier op of neer, eigenlijk al wat te oud was voor de rol, en dat de hele mannelijke cast onnozele laarsjes droeg die te koop waren in de Brusselse Nieuwstraat (699 frank) en geenszins bij de schoenlapper van Elsinore. U zult opwerpen dat ik bij een voorstelling blijkbaar struikel over details. U hebt volkomen gelijk. Ik zou er zelfs aan toevoegen: de meest pietluttige eerst. Maar ik vind dat ik als toeschouwer dat recht heb, en struikelen doe je over kiezelsteentjes, niet over rotsblokken. Die ga je gewoon uit de weg.

Ronduit schitterende voorstellingen, daarentegen, zijn een andere zaak. Een handvol ervan zou ik, mocht ik ze vanavond voor de eerste keer te zien krijgen, even schitterend vinden als weleer. Maar precies zeggen waarom ze zo torenhoog boven alle andere uitsteken, zou ik niet kunnen. Nog altijd niet. Toegegeven, dit waren uiteraard voorstellingen waarbij alles in de juiste plooi viel – tekst, cast, vertolking, vormgeving, noem maar op. Maar zijn er zo niet eindeloos veel? Beslist. Waarin schuilt dan de perverse kracht van die stokoude kinderen uit Kantors Dodenklas? Waarom blijft Prins Illyouchine uit Caubères Danse du Diable ten eeuwigen dagen zijn verdriet uitschreeuwen in een Siberische sneeuwstorm waarbij geen vlokje, geen briesje te pas kwam? Wat maakte Antigone van Sophocles/Brecht/Beck zo beklemmend? L’Age d’Or van Mnouchkine zo bevrijdend? La Veuve Joyeuse van Lehar/Béjart zo tonisch? Der Fliegende Hollander van Richard en Wieland Wagner zo grimmig? Waarom blijven de anjers van Bausch, de stoelen van De Keersmaeker of de tafels van Forsythe in je achterhoofd zitten? Wat was er zo pakkend aan Brooks L’Homme qui?. En zo tegelijk hard en zacht, zo ronduit aangrijpend aan Platels Iets op Bach? Ik zou het niet weten. Misschien raken voorstellingen van dat kaliber de toeschouwer wat dieper dan hij had verwacht? Tot op het bot, zoals dat heet. Misschien hebben zij vormelijk net dat ietsje meer waardoor zij het nochtans essentiële hic-et-nunc-gehalte overstijgen en een soort eeuwigheidswaarde verwerven? Misschien doen zij pas echt wat Shakespeare – in alweer Hamlet-bestempelt als: to hold as ‘t were a mirror up to nature? En gaat het om een reflectie, in alle betekenissen van het woord, van al diegenen die op een bepaalde avond, gezamenlijk zichzelf zitten te bekijken in een lege ruimte. Maar wat het antwoord ook moge zijn, ik hoef het eigenlijk niet te weten. De magie van de goochelaar verdwijnt zodra zijn trucs worden uitgelegd. En zij ligt mij nauwer aan het hart dan de wetenschap.

De blote buik

In de loop van wat ik gemakshalve maar mijn toeschouwerscarrière zal noemen, heeft het theater natuurlijk een evolutie doorgemaakt. De spelregels werden aangepast en de toeschouwer zelf bleef daarbij niet buiten schot. In een eerste fase werd hij, conform de toenmalige tijdsgeest, met aandrang aangezet tot ‘participeren’. Alsof hij dat eerder niet had gedaan en men hem er bovendien van verdacht SM-praktijken tot zijn verborgen dromen te rekenen. Meer letterlijk dan figuurlijk werd hij dan ook stelselmatig door elkaar geschud en met de regelmaat van een klok beschimpt, verblind, geïnterpelleerd, overschreeuwd en bedreigd met drilboren en slijpschijven. Een enkele keer zelfs gemolesteerd. Door een piemel-wuivende jongeling. Acteurs werden sinds Grotovski verondersteld Vanuit de buik’ te spelen. De blote buik dan.

Met de jaren kon het niet anders of die meridionale anarchie moest gaandeweg plaats ruimen voor noordelijke orde. Na de participatie, de dissectie. En na de roerselen van de regisseur, de analyses van de dramaturg. Waar, bijvoorbeeld, teksten even voordien moesten worden gehakseld, gegorgeld, geschreeuwd en gerocheld, maar in geen geval verstaan, werden ze voortaan enerzijds afgekalfd en anderzijds gedebiteerd alsof het de situatie aan het Leonardkruispunt of de inlichtingen voor de duivenliefhebbers gold. Waar de toeschouwer even voordien ook met lijf en leden bij het spel was betrokken, werd hij thans verzocht zich gedeisd te houden en ‘zich gewoon open te stellen’. Alsof hij ook dat nooit had gedaan. Repetitieve spitsvondigheden en intertekstuele subtiliteiten kon hij, in plaats van uit de voorstelling zelf, nog altijd aflezen uit de programmabrochure die van langsom meer op een gebruiksaanwijzing ging lijken. En dikwijls trouwens even cryptisch was. Of integendeel, uitermate verhelderend, zoals toen hij met de steun van de onvermijdelijke Adorno mocht vernemen dat het jagerskoor uit Freischütz volkomen verantwoord op de scène stond te staan zoals het daar stond: stokstijf en in het gelid. Zoals het daar overigens al honderdzeventig jaar had gestaan. Zij het dan zonder dramaturgische fundering.

Goudbestikt en blauwgebict

Het bovenstaande is natuurlijk even schematisch als karikaturaal. In werkelijkheid werden de producties waarvoor de vluchtigheid van het medium een ware weldaad was, ruimschoots gecompenseerd door voorstellingen die niet anders dan onvergetelijk kunnen worden genoemd. Niet toevallig die waarin beide uitersten op een of andere manier samen kwamen. Voorstellingen in de aard van de voornoemde, maar ook andere. Ernstige en lollige. Geëngageerde en mystieke. Uitbundige en ingetogen. Dionysische en Apollinische. Esthetiserende en rommelige. Goudbestikte en blauwgebicte. In elkaar geflanste en net niet kapot geregisseerde.

Beelden ook. Van acteurs. Zoals dat ene meisje van Living Theatre dat met haar uitgelopen mascara voor altijd het gezicht zal blijven van Ismene. Of Judith Malina die op haar dooie eentje alle Brechtiaanse vervreemdingstechnieken naar haar hand zette door Antigone’s monologen eerst hyperdoorleefd te spelen in het Engels, en direct daarop sec voor te dragen in het Frans. Of scènes. Zoals die op het einde van Maria Magdalena waarin een dit keer bepaald hallucinante Senne Rouffaer, geprangd tussen zijn gewone doen en de desiderata van de regisseur, boven zichzelf uitsteeg en een internationale klasse tentoon spreidde. In een uitzonderlijk geval zelfs een herinnering aan bijna niets. Aan een repliek die zo ‘juist’ zat dat ze blijft naklinken; of aan een présence: Tania Bari, zwevend in haar witte sluiers, of Yoshi Oida, half ingezeept en roerloos voor een camera. Of aan nog minder – afwezigheid van spel: Edith Clever die tijdens een openbare repetitie van Steins Agamemnon speelde dat zij niet speelde en meteen één van de meest beklijvende prestaties neerzette die ik ooit heb gezien.

Banen breken

Na verloop van tijd wordt nieuw evenwel oud. Van gevestigde gezelschappen denk je dan, helaas terecht: ze zijn zich aan het herhalen. Voor één keer ziet de toeschouwer het blijkbaar vlugger dan de maker. Alles is er nog, maar alles is er tegelijk ook niet meer. Als bij een bezoek van oude vrienden die je nog altijd enthousiast in de armen vallen maar je eigenlijk niets meer te vertellen hebben. Die banen breken terwijl er al lang autowegen liggen (het vroeger zo schitterende Living Theatre in één van de pijnlijkste vertoningen ooit). Of die de zoveelste vierkante doos hebben geconstrueerd, de zoveelste pretoriaanse wacht in Gestapo-uniform hebben gestoken, de zoveelste keer denken dat je het hele spel eigenlijk niet snapt.

Er zijn er gelukkig ook andere: gezelschappen, theatermakers die tot een soort uitpuring kunnen komen. Die een ooit nieuwe vorm tot zijn essentie weten te herleiden en zo ongetwijfeld bakens uitzetten voor verdere ontwikkelingen. Peter Brook is zo iemand, en wellicht ook Gerardjan Rijnders, tenminste blijkens zijn recent gelauwerde Cid. Maar je moet zelf al zo’n beetje tot je essentie herleid zijn om dat te appreciëren.

En dan zijn er de (dikwijls nieuwe) gezelschappen waarvan je denkt: dat heb ik al eens gezien, tien avonden, tien maanden, tien jaar geleden. Een ontnuchterende belevenis, waarbij je zin krijgt om de spelende garde mee te delen: waarde vrienden, het warme water is al eens uitgevonden, met name anno zoveel, daar en daar. En broeken met olifantenpijpen heb ik ook nog gedragen. En plateauzolen ook. Ten overstaan van die gevallen waan je je plotseling expert. Je sakkert op de opleidingen. Op het te welig tieren van nieuwe groepen. Op het nu weer afzweren van zowel regisseur als dramaturg. Op de geroemde ‘eigenzinnigheid’: zelden ‘eigen’ en nog minder vaak ‘zinnig’. Je laat je vertellen dat al die jongelui uiteraard jong zijn. Dat zij nog niet weten wat zelfs jij al weet. Dat er ‘geen geschiedschrijving’ bestaat van het – Vlaamse – theater. Je repliceert dat het theater niet ophoudt aan de grenzen van het Vlaamse gewest. Je krijgt onrechtstreeks gelijk doordat alom wordt geponeerd dat grenzen moeten worden overschreden, of beter nog, verlegd. Maar als je lang genoeg grenzen verlegt, is het dan weer zo dat je uiteindelijk in je achtertuin belandt.

Niets nieuws onder de zon

Na nog een ander verloop van tijd komt de tweede ontnuchtering. De grootste. Het eerst heimelijke vermoeden en later pijnlijke besef dat die ‘vernieuwing(en)’ die jij ooit hebt meegemaakt eigenlijk ook niet meer was/waren dan de zoveelste in de rij. Dat ook jouw generatie het warme water niet heeft uitgevonden. Dat er niets nieuws is onder de zon. Dat je oud wordt. Met, in filigraan, de huisbereide troost dat het verstand niet komt voor de jaren en dat je, al was het maar voor je eigen gemoedsrust, nu dringend de vraag moet stellen wat de jonge toeschouwer van vandaag met dat alles zo nodig moet. Of het, bijvoorbeeld, niet zinnig zou zijn, speciaal voor hem, klassieken eens niet van achteren naar voren te spelen? Eerst eens in volle bezetting en dan pas tussen de overigens prachtige meubelen van Discordia of de monitoren van The Wooster Group? Eerst eens in verzen en dan pas in de virtuoze newspeak van Lanoye of de al even meesterlijke kindjestaai van Decorte? En terwijl je dan toch creatief bezig bent met restauratie, of het niet de hoogste tijd wordt meteen ook maar het rode doek in ere te herstellen. Zodat je er eindelijk mee kunt ophouden applaus aan te zwengelen als de rest van de zaal nog niet weet dat het stuk gedaan is, Hamlet tot stilte gebracht en Fortinbras stevig geïnstalleerd op zijn troon. Een rood doek, j’insiste. En het moet van uit de bovenhoeken naar het midden vallen, en obligaat even terugzwiepen.

Let wel, je kunt tot dat soort nutteloze vragen ook op andere manieren komen dan door je te vergapen aan potsenmakers en komedianten. Door in de politiek te gaan, bijvoorbeeld. Of door petunia’s te kweken. Maar wat doe je eraan? Je bent nu eenmaal een theatertoeschouwer. En al was het maar omdat je jezelf niet als een Alzheimer in wording wil beschouwen, schaf je je dus een nieuwe – iets of wat modieuzere -mantel der liefdadigheid aan. Je begint opnieuw. Je vindt je stoel tussen een nog natte reïncarnatie van jezelf en een geüpdate van Jo Dua. Omdat je hoe dan ook ergens de zoete hoop koestert dat er op een dag, op een avond, wel weer eens iets uit de lucht zal vallen waarbij je kritische vermogen het plotseling begeeft. Omdat je die arme Ron Vawter Pleased tot meet you hoort zeggen op een manier die Tsjechov eindelijk zou hebben doen lachen en huilen tegelijk. Omdat Véronique Gens je demonstreert dat Donna Elvira’s aria net zo goed gespeeld als gezongen kan worden. Omdat je ergens vier Javaanse danseresjes ziet voortschrijden met een kracht die door geen veertig pantsertroepen kan worden geëvenaard. Omdat vier jonge gasten in een achterkamertje op een ongelooflijk frisse manier een gesprek naspelen. Omdat je in één enkele oogopslag van een volslagen onbekend acteur de essentie van zesentwintig eeuwen interpretatiekunst ziet blinken. Omdat zoiets je pakt. Omdat het je raakt. Omdat het je ontroert. Voilà. Zoals de eerste keer.

Meespelen

Of jarenlang theaterbezoek ‘iets meebrengt voor mijn theaterervaring’? Ja dus. Dat kan ook niet anders. Maar of de uiteindelijke appreciatie daardoor essentieel verschilt van het oordeel dat je velt over, pakweg, artificiële inseminatie of palliatieve verzorging, is een andere vraag. Vanaf je tweede voorstelling schouw je willens nillens toe vanuit een voorkennis. Maar je schouwt ook toe vanuit je alsmaar opschuivende leeftijd. Welk van beide elementen beïnvloedt je evaluatie het meest? Je veronderstelde wijsheid of je van nature kalende schedel? Waarom zat je vroeger zonder morren op de laatste rij en wil je nu zo veel mogelijk vooraan? Omdat je kennersblik niets mag laten ontsnappen of omdat je ogen het begeven? In beide gevallen stuur je hier wat bij en herzet je daar wat bakens, word je hier wat inschikkelijker en geef je daar helemaal geen duimbreed meer toe. En, eerlijk gezegd, in feite maakt het niets uit. Want wat je wil is immers gewoon toeschouwen. Gewoon meespelen dus. Want daar gaat het toch om?

Of ik een voorstelling dan niet ‘op een specifieke manier evalueer’? Toch wel. Namelijk vanuit het besef dat ik vóór het stuk begint absoluut langs de vestiaire moet passeren. U weet wel: dat onmisbare opberghokje waarin je alles een tijdje kwijt kunt. Sjaals en jassen. Neen, niet je mantel der liefdadigheid, die moet mee naar binnen. Maar wel al de rommel die je met je meezeult. Je bagage: die tassen en koffers volgepropt met voorstellingen en personages, met erudiete geschriften en artikels, met alles wat je weet of niet weet of denkt te weten over tekstbewerking, over interpretatie, over in-, uit- of doorleving, over al dan niet psychologiseren, over ritme, over tempo, over spanningsbogen, over belichting, over vormgeving, over eenheidsdecor of eenheidsworst, over…

Oh! De bel! Vlug gaan zitten. Zo meteen begint de voorstelling.

Hamlet.’

‘Met welke regisseur?’ vraagt u. ‘Jan Ritsema of Jan Decorte?’ Ik weet het niet. We zien wel. Laten we zeggen: Jo Dua. En met Senne Rouffaer als jeune premier.

 

artikel
Leestijd 11 — 14 minuten

#74

15.12.2000

14.03.2001

Rud Vanden Nest

artikel