Lullabye – Anneleen Keppens
Wie zorgt er voor wie zorgt?
Tom Rummens
Martha Balthazar – Boerenpsalm © Maarten Vanden Abeele
Voor de Dag Dramaturgie werkten Festival Cement en Etcetera dit jaar samen om een reflectiemoment te organiseren rond de dramaturgie van het lokale. Ons huidige podiumkunstenlandschap is door toenemende mobiliteit en digitalisering steeds globaler en internationaler geworden. Het ‘lokale’ dreigt daardoor soms te verdwijnen, al werken verschillende theatermakers steeds vaker met het lokale om zich weer te verwortelen. “Zorg dragen voor onze eigen tuin” houdt ook in dat we begrijpen waar die tuin zich situeert, zo luidt het redactioneel van Etcetera 170. De Dag Dramaturgie werd zowel een filosofische reflectie op het concept van ‘het lokale’ als een gesprek over concrete dramaturgische praktijken voor lokale verankering.
Vincent Focquet, dramaturg, artistiek medewerker en performer, opende de dag met vijf belangrijke vragen voor een dramaturgie van het lokale:
Via deze vragen baande Focquet zich een weg door de verschillende aspecten van het concept ‘een dramaturgie van het lokale’. Foquet begon daar meteen met het stekelige begrip ‘dramaturgie’. ‘Dramaturg’ is soms puur een titel op een contract, zonder wezenlijk verschil met die van ‘performer’ of ‘artistieke medewerker’. Belangrijker nog, het is vaak een instrument in artistieke power games, waarbij het gemakkelijk kan ingezet worden in een waarde-oordeel over een voorstelling. De opmerking “dat stuk had een dramaturg nodig” zorgt snel voor een sluwe zet in het culturele machtsspel dat in het veld gespeeld wordt. In plaats hiervan, droomt Focquet van een meer productieve invulling van dramaturgie. Als er dan toch een bepaalde essentie benoemd moet worden, gaat het volgens hem over “dingen overhoop smijten” of de lastige vragen te stellen in een proces, vragen zoals de vier volgende.
Via een zoektocht naar een antoniem voor ‘lokaal’, komt Focquet namelijk tot de conclusie dat ‘universaliteit’ eigenlijk een fantasie is. In lijn met het concept van ‘gesitueerde kennis’ van wetenschapsfilosoof Donna Haraway, is dramaturgie ook per definitie lokaal, aangezien kennis nooit zonder context gedacht kan worden. Een dramaturgie van het lokale gaat dus eerder over de manier waarop de dramaturgie van een voorstelling zich verhoudt tot het lokale aspect en zijn connectie tot het globale. Boerenpsalm van Martha Balthazar, waar een globale conversatie met een Indiase activist naast lokale gesprekken met Vlaamse boeren staat, vormt voor Focquet een voorbeeld van hoe het globale vorm geeft aan het lokale en omgekeerd.
“Dramaturgie is per definitie lokaal, aangezien kennis nooit zonder context gedacht kan worden.”
De fantasie van universaliteit wordt verder zichtbaar in de paradox van de black box als zogezegde ‘universele ruimte’. De standaardisering van de ruimte via de black box maakt het mogelijk om een voorstelling op verschillende locaties te brengen, maar zorgt ook voor de illusie van de non-locatie. Creaties die zich verankeren in een locatie, en potentieel voor decentralisatie zorgen, worden al snel locatietheater genoemd. Maar is een black box dan geen locatie? Het doorprikken van de illusie van de black box als universele ruimte is cruciaal voor de decentralisatie van cultuur. Een extra moeilijkheid hierbij is de stedelijke ingesteldheid van veel cultuurwerkers. Terwijl het platteland het toneel is voor belangrijke hedendaagse dynamieken als klimaatverandering, globalisering of woningnood, blijft het als onderwerp of locatie afwezig in het huidige culturele landschap. Een antwoord daarop is een rurale dorpsdramaturgie, waarbij er plaats is voor een complex beeld van het rurale als een kritieke zone in transformatie.
Als nagedachte vroeg Focquet zich nog af of hoe al deze gedachten te vereenzelvigen zijn met (post-)internetkunst. Wat betekent een locatie in een tijdperk van digitalisering? Lokale dramaturgieën gaan uiteindelijk om de afstand en connecties tussen verschillende mentale en geografische ruimten. Het is daarbij belangrijk om steeds te blijven afvragen hoe mensen die ruimten bijeenbrengen en (re)presenteren en welke ruimten en actoren het risico lopen vergeten te worden.
Na de openingstekst van Focquet werden de aanwezige dramaturgen opgedeeld volgens drie discussie-onderwerpen. Eén tafel focuste zich op een definitie van het ‘lokale’. Hoe kan dramaturgie bijdragen aan het lokaal verankeren van een artistieke praktijk? Een tweede tafel werkte rond het concept ‘eigenaarschap en community’. Hoe werk je artistiek samen met specifieke gemeenschappen? Wat betekent eigenaarschap binnen een dergelijk werkproces? De laatste tafel werkte als dramaturgische helpdesk, waar dramaturgen eigen ervaringen en vraagstukken konden delen om elkaar te feedbacken en good practices te delen.
De definitie van het ‘lokale’ bleek de meest abstracte vraag te zijn om rond te werken. Voor deze discussie werd afgetast hoe dat ‘lokale’ en een ‘dramaturgie van de locatie’ eruitziet. Interessant daarbij was de opmerking dat er tussen Vlaanderen en Nederland nog steeds heel wat verschillen zijn. De receptie van Dear Winnie (KVS) in Brussel en Groningen werd ter illustratie gebruikt om te tonen dat eenzelfde voorstelling helemaal anders ontvangen kan worden. Verhalen die meer geankerd zijn in het Groningse landschap bleken dan weer niet te werken in andere steden, omdat ze hun geografische herkenbaarheid nodig hadden om zich te connecteren met het publiek. Anders dan de volgende gesprekstafel, was er hier dus vooral een focus op een publieksdramaturgie en de al dan niet noodzakelijke herkenbaarheid van een werk en context voor een toeschouwer.
Op vlak van strategieën om met gemeenschappen te werken, spraken dramaturgen en artistiek medewerkers van o.a. PS|Theater, Radicale Gezelligheid, STIP en Frascati over de verschillende connecties die ze al hadden gelegd voor voorbije of lopende producties. De twee belangrijkste middelen daarbij zijn luisteren en praten (naar eigen zeggen via heel veel kopjes koffie). De dramaturg kan hiervoor als schakel optreden die mee aan het veldonderzoek werkt voor een productie en dus ook veel luistert naar en praat met de makers die er uiteindelijk iets mee willen maken. De grootste zorg was in hoeverre de tijd en energie in projecten kon worden gestoken. Zonder structurele ondersteuning moet je dan telkens weer je project al kunnen verkopen voordat je het onderzoek hebt gedaan. Het ‘kopen’ van tijd om duurzame verbindingen op te bouwen met een gemeenschap die de temporele logica van een project overstijgen, lijkt hier de sleutel en tevens de grootste uitdaging.
Bij de helpdesk deelde een van de aanwezige dramaturgen bedenkingen over een lopend project over negen huizen die in Sankt Vith nog overeind bleven na zware bombardementen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Daarbij werden verschillende problemen aangehaald: het benoemen van het feit dat de dramaturg zelf niet van die regio is, het concrete van de huizen tegenover het vage van de Belgische grenzen. Bij de plenaire samenkomst kon geen pasklare oplossing worden gevonden, maar werd ook in twijfel getrokken of dat wel nodig was. De conclusie was dat het juist interessanter kan zijn om het probleem aan te gaan en in de paradox te blijven staan, de tegenstelling als dramaturgie te hanteren.
De verschillende gesprekstafels verkenden elk op hun manier de problemen die je als dramaturg of maker tegenkomt als je iets met de lokale verankering en dramaturgie wilt doen. Of het nu gaat om een lokaal-historische gebeurtenis of een hedendaags sociaal-artistiek project, telkens is het weer een navigeren tussen het artistieke en het respectvol en zinvol benaderen van de lokale gemeenschappen. Hoe maak je het lokale zichtbaar voor een stedelijk publiek? Hoe kan je duurzaam voorstellingen buiten de stedelijke context produceren wanneer er in de stad meer speelmogelijkheden liggen, en je puur numeriek meer mensen in de zaal krijgt? Als je met een voorstelling dan ook de politiek wilt kunnen bereiken om voor verandering te zorgen, zit je soms beter in de stad dan op het platteland. In een grote stad is de kans namelijk doorgaans groter dat een minister met de juiste bevoegdheid voor je project in de zaal zit.
Deze moeilijkheden tonen echter niet dat een lokale dramaturgie onmogelijk is, maar leggen vooral bloot waar de arbeid zit in dergelijke projecten. Connecteren met lokale mensen en gemeenschappen vereist veel werk, dat vaak steunt op vrijwilligerswerk, maar niet zomaar als iets vrijblijvend mag worden gezien. De dramaturg kan in dit proces een belangrijke rol spelen: of door zelf de conversaties aan te gaan of net door afstand te nemen en ruimte te houden voor een waardevolle artistieke verwerking van die lokale connecties. Een grote bedreiging voor dit soort werk zijn dan eerder de financiële middelen die het wel of niet mogelijk maken. Belangrijk voor een duurzame lokalisering is je tijd kunnen nemen, en die duurt dikwijls langer dan één productie.
Die tijd kunnen nemen kan zich ook vertalen in reflectiemomenten, waar dramaturgen rond een gezamenlijk thema kunnen samenzitten en ervaringen kunnen delen. Op dat vlak was de Dag Dramaturgie een leerrijk moment waarbij de discussie enerzijds gevoed werd door de bijdrage van Vincent Focquet en anderzijds steunde op de concrete ervaringen van dramaturgen in het veld. De dag werd uiteindelijk afgesloten met de voorstelling Onduidelijke Correspondenties van Menzo Kircz, een performance over pogingen om samen te komen in een onduidelijk landschap. Het proces van gezamenlijk rond een tafel mee te bouwen aan bijzondere connecties vormde een mooie afsluiter van de reflectiedag.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.