Cie Nuua, ‘Lento’ © Maria Sandell

Tuur Devens

Leestijd 14 — 17 minuten

Verbeelding in de piste van het circustheater

In de voorbije vijfentwintig jaar heeft het circustheater een enorme ‘boom’ gekend. Het aanbod is sterk gegroeid en er komt veel volk naar kijken. Hoe komt dat, zo vraagt Tuur Devens zich af. ‘Zoeken mensen nieuwe rituelen in circustenten en op pleinen nu de kerken leeglopen? Komt het publiek kijken om geëmotioneerd te worden, om van schoonheid te genieten, om een catharsis te ondergaan? Of komt de massa uit bewondering voor de fysieke prestatie die ze in de piste, op het plein of in de schouwburg voorgeschoteld krijgt?’

Zestien jaar geleden schreef ik voor het eerst in dit lijfblad over circustheater.1 Het nieuwe circus was toen al in volle expansie, maar het was nog overzichtelijk. In de loop der jaren is het aanbod alleen maar toegenomen. Ook het aantal festivals groeide. Er is een circusdecreet gekomen dat zich specifiek richt op de noden, belangen en de uitbouw van de circuskunsten. Dommelhof-Neerpelt is uitgegroeid tot een theaterwerkplaats voor deze vorm van theater en er is het voortreffelijke Circuscentrum 2 in Gent dat alles op het Vlaamse terrein volgt, van circusateliers tot masteropleidingen, van particuliere initiatieven tot stedelijke festivals, dat informeert via internetnieuwsbrieven, dat stimuleert, reflecteert, organiseert en het Circusmagazine uitgeeft. Er gebeurt veel, heel veel.

Ik heb in Neerpelt en Hasselt vaak met Marc Celis en zijn dochter Jalina gesproken. Zij beiden hebben zo veel meer gezien dan ik. Marc is als directeur van Dommelhof een pionier van het circustheater in Vlaanderen. Als een van de eersten organiseerde hij in 1988 een straattheaterfestival, dat uitgroeide tot een festival van openlucht- en locatietheater en al snel ook circustheater. Theater op de Markt werd een internationaal gerenommeerd festival. Nu is er in de even jaren het grote zomerfestival in Hasselt met veel straattheater, openluchtspektakels en kleine en grote tentproducties. In de oneven jaren is er in de herfst in en rond Dommelhof het Circustheaterfestival. (Bij het begin, 1999, had dit festival een mooiere naam: Theater in de Piste.) Marc is met pensioen en organiseert nu in opdracht van de stad Lommel een nieuw en voorlopig nog bescheiden festival voor aanstormend talent, waarvan de eerste editie eind 2012 plaatsvond. Hij adviseert De Roma over circusprojecten in Borgerhout en werkt als go-between tussen diverse organisatoren en artiesten in het straat- en circustheater. Zijn dochter Jalina heeft het circustheater met de paplepel meegekregen. Zij ging al jong mee op vrijwillige prospectie en werkt nu tien jaar als productie-assistente in de productiecel van Theater op de Markt in Dommelhof.

In die vijfentwintig jaar sinds dat eerste festival heeft dit theater een enorme ‘boom’ gekend. Twee jaar geleden wijdde Courant 3 een heel nummer aan circus in Vlaanderen . Daarin werd de geschiedenis van het circus be- schreven, werden de nomadische, de ‘traditionele’ circussen met dieren voorgesteld naast het ‘nieuwe circus’ zonder dieren. De vermenging van circus en theater werd onder de loep genomen, ook via close-ups van artiesten en organisatoren. Kortom, veel is in dat nummer aan bod gekomen, dat ik hier niet ga herhalen. In de laatste twee jaar is de toestand quasi het- zelfde gebleven. Alhoewel: het aanbod is nog gegroeid. Het Circuscentrum stelt elk jaar een jaarboek van Vlaamse gezelschappen samen. In 2011waren er 39 gezelschappen (waarvan 7 ‘traditionele’), vorig jaar groeide hun aantal tot 63 en nu, anno 2013, worden 75 gezelschappen voorgesteld. Het aantal ‘traditionele’ circussen met dieren (boerderijdieren, honden, paarden, duiven) is status quo, de gezelschappen zonder dieren zijn toegenomen, met veel tweepersoons-organisaties.

Postdramatisch theater

Marc Celis brengt alle circussen (zonder dieren) die net dat tikkeltje meer bieden dan virtuoze acrobatische kundigheid onder bij ‘circustheater’. Vroeger bestond de term ‘nieuw circus’ (naar het Franse ‘nouveau cirque’). Nu is de term circustheater algemeen aanvaard voor circus met uitsluitend menselijke acts, dat circuskunst en theater mengt. Het is ook de overkoepelende term die tot nu toe in het Circusdecreet en door het Circuscentrum gehanteerd wordt, maar de discussie blijft. Jalina ziet grote verschillen tussen straattheater, openluchttheater, locatietheater en circustheater. Straattheater is voor haar nog steeds dat soort theater dat theatermakers naar het publiek brengt in plaats van omgekeerd. Het ontstaat op straat, op pleinen en markten en ontleent aan die context zijn vorm (met aan- dachttrekkers, stoeten, interventies, …). Openluchttheater en locatietheater zijn termen die voor zich spreken. Circustheater speelt op een vaste plek (meestal in een tent, maar ook in schouwburgzalen) met veel circuskunsten en een cross-over van kunstdisciplines. Theater op de Markt maakt in zijn twee edities het onderscheid. In de zomer ligt de nadruk op straat- en locatietheater, in de herfst op circustheater. Maar er zijn natuurlijk overlappingen en ook de verschillen zijn vaak diffuus.

Vanwaar nu die ‘boom’ van circustheater? Volgt het aanbod de vraag of andersom? En resulteert een toename in kwantiteit ook in een grotere kwaliteit? Welke beoordelingscriteria worden gehanteerd?

Eind de achttiende eeuw trok Philip Astley rondtrekkende kermisartiesten, zoals jongleurs, aan voor zijn paardenshows. Zij dienden als intermezzi tussen de paardendressuuracts, ze moesten het moment opvullen waarin de piste werd bijgeharkt. Die intermezzi van zo’n 250 jaar geleden vormen de jongste kwarteeuw de hoofdbrok in veel chapiteaux en kleine tenten. Het gaat om circusnummers in combinatie met theater. Toonvoorbeeld van die mix tussen circus en theater was (en is nog altijd) Circus Ronaldo. ‘Let wel,’ zei vader Ronaldo veertien jaar geleden al, ‘haal er alle circuselementen uit en wat blijft er over? Een flauw afkooksel van een komedie. Haal er alle theaterelementen uit, en je krijgt een opeenvolging van nummers. Juist die mengvorm en dat evenwicht tussen theater en circus maken ons groot.’4

Ik probeerde in 1997 het opkomende circustheater te duiden als een vorm van Grotowski’s ‘theater van de armoede’, ik vergeleek het met het ‘theater van de dood’ van Kantor, ik ontdekte in deze theatervorm het ‘heilige theater’ van Peter Brook. Circustheater was een evidente vorm van ritueel theater. Anno 2013, in het licht van het circustheater van nu, sta ik nog altijd achter die analyse. Althans, wat de goede producties betreft (want in het huidige, zeer grote aanbod moet het kaf van het koren gescheiden worden). Nu kan je, volgens de theorie van theaterwetenschapper Hans-Thies Lehmann, circustheater ook als postdramatisch theater beschouwen 5 . Tekst is eeuwenlang het belangrijkste element in theater geweest. Vandaag gaat er steeds meer aan- dacht naar de andere theaterelementen zoals beeld, muziek, dans, fysiek spel, nieuwe media. Circuselementen worden – zoals poppen en objecten – steeds meer in het theatergeheel opgenomen. Theater wordt steeds meer ritueel theater. Lehmann schreef in zijn boek dat het theater van nu geen massamedium meer is, maar de tienduizenden mensen die de circustheatervoorstellingen op festivals bezoeken, suggereren toch het tegenovergestelde.

Vaak wordt als verklaring gegeven dat die duizenden mensen in deze digitale wereld van massacommunicatie, virtuele wezens en technologische hoogstandjes snakken naar het zien van mensen die gewoon (nou ja, gewoon?) iets met hun lijf doen en dat de toeschouwers uit die eenvoud nostalgische bewondering putten. Zoals Danny Ronaldo zegt: ‘Het is de bewondering voor het oude ambacht. Mensen verlangen naar iets echts, dat niet uit de computer rolt. Dat is de magie van het ambacht.’ 6

Circus Ronaldo weet dat ambacht schitterend in de piste te brengen via een eigengereide mengeling van circus en theater, in een commedia dell’arte-stijl, met humor, een lach en een traan, en dankzij ongeëvenaarde natuurtalenten als Danny Ronaldo. Amortale, waarmee ze sinds vorig seizoen rondtoeren, is zo’n voltreffer.

Met het begrip ‘nostalgie’ goochelen toch vooral de ‘traditionele’ nomadische circussen met dieren. Volgens een recent artikel in De Standaard 7 ‘staan (zij) synoniem voor nostalgie en ouderwets vertier’. Dat bestaat voorname- lijk uit door de stalmeester of directeur aan elkaar geprate losse nummers van acrobaten, jongleurs, clowns en dieren.

Die ‘traditionele’ (familie)circussen komen ruim aan bod in de nieuwe uitgave van het Huis van Alijn, het museum van de cultuur van alledag. In Van A tot Z over het circus 8 passeren alle Vlaamse circussen uit de twintigste eeuw de revue. Van de dertien hebben er twee het overleefd (Malter en Ronaldo). De rest heeft eind jaren de jaren vijftig, begin de jaren zestig de boeken moeten sluiten wegens een gebrek aan belangstelling. De catalogus geeft verder een opsomming van alle circusdisciplines van ‘Acrobaat’ tot ‘Zakkenroller’ en ook namen van beroemde circusartiesten uit de vorige eeuw zoals Jim Rose en John Massis. Glamourfoto’s van artiesten en affiches van toen het nog goed ging verhogen het nostalgische gevoel. Wilde dieren zijn uit de Belgische circuspistes verdwenen, schrijft het Huis. Pascale Platel kan haar verlangen naar het circus uit haar kinderjaren – ‘Ik wil nog ’ns een olifant zien’ 9 – dus alleen nog in buitenlandse circussen botvieren.

(Tussen haakjes: wilde dieren in een circus mogen wel nog, maar de morele verontwaar- diging over dierenleed wordt steeds groter. In Nederland ligt een wetsvoorstel klaar om het gebruik van niet-gedomesticeerde dieren voor optredens te verbieden. In Vlaanderen mag elke gemeente zelf beslissen of ze een circus met dieren op haar grondgebied toelaat. De politie, zo vertelt een politiecommissaris mij, kan altijd controleren of er aan de strenge wetgeving voldaan wordt, en mag dieren in beslag nemen. De moeilijkheid is dat als men dieren bevrijdt, men geen alternatieve verblijven heeft. Dierentuinen staan er niet voor open. Paarden, honden, duiven of geiten, zoals die nu voorkomen in Belgische circussen, vormen geen probleem.)

Nostalgie

Ikzelf zal in de jaren vijftig ook wel een circus- voorstelling in mijn dorp hebben gezien. Ouders waren immers moreel verplicht om hun kinderen toch een keer naar het circus mee te nemen, wilden ze niet beticht worden van kinderverwaarlozing. Zoals je nu een pretpark moét bezoeken, moést je toen naar het circus. Al was het maar om kennis te maken met een leeuw en een olifant in het echt. (Nu dienen dierentuinen dat doel, en een dagje Planckendael met trein en boot is milieu- en diervriendelijk, nietwaar.) Ik herinner mij alleen nog iets over een plakkaat aan de lantaarnpaal voor ons huis.

In kinderboeken wordt vaak nog een nostalgisch-romantisch circussfeertje opgeroepen. Het circus is nog altijd een plek met wilde dieren die getemd worden door dompteurs; een plek waar olifanten door hun poten op de knieën zakken voor de mens en waar de clown constant met een enorme smile rondloopt. Het circus als symbool voor vreugde in het leven. Menig kinderboek toont er de mens als baas over de dieren, over zijn lichaam, over de momenten dat er gelachen mag worden of dat de spanning moet heersen. Het circus als metafoor voor het beheersbare leven. Ik las onlangs echter het mooie boek Het circus van Dottore Fausto 10, met indringende en grote houtsneden in zwart en rood. We zien hier, in een wereld vol tristesse, een circus waar een dokter Faust met zijn kunsten zijn belager probeert te ontlopen. Het hoofdpersonage, de jongen Tito, gaat mee met het circus, wordt geconfronteerd met intrieste mensen en verwaarloosde dieren en moet op het einde kiezen tussen het circus of het leven. Hij verlaat het circus.

Het circus is natuurlijk ouder dan het circus dat we kennen uit de vorige eeuw. Vanaf het begin van de negentiende eeuw verrees de ene circustent na de andere en ze werden steeds groter. Maar zó gezellig ging het er in een circus niet aan toe, dat je er nostalgisch van zou worden. Niet alleen de dieren hadden een zeer beperkte ruimte, ook het lot van artiesten was geen rozengeur en maneschijn. Die duistere kanten van het ‘oude’ circus zien we dit seizoen in Suikerspin van Laika. De voorstelling gaat over het lot van een Siamese tweeling die als kermisattractie wordt getoond, zoals dat vroeger in de grote circussen (denk aan Barnum & Bailey) met freaks gebeurde. Ook in Kaspar van Braakland/ZheBilding wordt Kaspar Hauser als een kermis- of circusattractie naar voren geschoven zoals dat rond 1830 echt gebeurde, en het muziektheatergezelschap trekt de vergelijking door naar vandaag: hoe zou iemand die zestien jaar opgesloten is geweest, in het circus van de massamedia wor- den tentoongesteld, en na een tijdje worden uitgespuwd?

Een kinderboek dat wel aansluit bij het hedendaagse circus zonder dieren en met alleen maar menselijke acts is het onlangs verschenen Bij ons in het circus 11. Het zit vol met dieren, met een beer, een leeuw, een aap, een nijlpaard, … maar het zijn allemaal dieren die als een mens over een koord dansen, door een vuurhoepel springen, aan de trapeze hangen, met knotsen jongleren, messen werpen en als droevige clown het publiek doen genieten.

Leven en dood

Waarom lokken circustheaters zo veel volk? Is het het spektakel? Zoeken mensen nieuwe rituelen in circustenten en op pleinen nu de kerken leeglopen? Komt het publiek kijken om geëmotioneerd te worden, om van schoonheid te genieten, om een catharsis te ondergaan? Of komt de massa uit bewondering voor de fysieke prestatie die ze in de piste, op het plein of in de schouwburg voorgeschoteld krijgt?

In het boek Drama & Toneel maakt Marcel Schmeits in zijn inleiding tot de theatergeschiedenis een onderscheid tussen niet- verbeeldend en verbeeldend theater. Bij elke live-opvoering is er een relatie tussen de opvoerende en de toeschouwer. Wij leerden in onze jonge jaren dat de twee hoofdkenmerken van theater waren: er is iemand die speelt en er is iemand die kijkt. Schmeits gaat verder. ‘Of die toeschouwer theater ook meteen als theater beleeft, blijft een vraag. De aard van de opvoering kan verbeeldend of niet-verbeeldend zijn. (…) Niet-verbeeldend theater is het theater dat enkel in het vertonen zelf zijn vervulling vindt; veel circus- en variétéacts behoren hiertoe, optredens die imponeren door fysiek of atletisch vermogen en naar geen andere werkelijkheid verwijzen dan de geleverde prestatie zelf.’ 12

In hoeverre verschilt nu dat niet-verbeeldende theater van een sportmanifestatie? In tegenstelling tot een theaterstuk ligt de afloop van een voetbalwedstrijd (meestal toch) niet vast. Turnen, paardendressuur, kunstschaatsen en andere jurysporten zijn moeilijk te onderscheiden van niet-verbeeldend theater. De draaiingen rond de rekstok en de afsprong met dubbele (of driedubbele?) schroef van de Nederlandse turner Epke Zonderland (Olympisch goud rekstok) wekken bij mij verwondering en bewondering op, een doelpunt van de Rode Duivels kan mij voor het scherm een vreugdekreet ontlokken, maar daarmee is de kous af. Van circustheater verwacht ik meer. Ik wil meer dan alleen maar bravo roepen voor bewonderenswaardige sportieve prestaties.

Voor Marc en Jalina Celis geldt dat blijkbaar ook, terwijl ze overal te velde het aanbod bekijken en beoordelen. Marc: ‘Ik wil verwonderd worden, ik wil geraakt worden. Geroerd en ontroerd, tot emotioneel nadenken geprikkeld over mezelf, over de mens; gestemd worden tot troost in schoonheid, verval, weet ik veel.’

Een blijvende herinnering heeft hij aan La compagnie les mains, les pieds et la tête aussi met de voorstelling Fenêtres (Theater op de Markt, 2004).

Bachir woont in een houten hut en is een man zoals alle anderen. Met dat verschil dat de vloer van zijn hut – een trampoline – veert. ‘Het verhaal is van alle franjes ontdaan. Heel puur is de eenzaamheid van een man, het opgesloten zijn in zijn appartement, het begluurd worden door de mensen (toeschouwers). Realiteit en droom versmelten met elkaar. De man loopt letterlijk en figuurlijk tegen de muren op, probeert te ontsnappen via het niet aanwezige dak. Het publiek kijkt in de spiegel van het leven.’

Jalina hanteert dezelfde persoonlijke criteria. ‘Ik moet geraakt worden. Voor mij mag het allemaal wat rauwer en bruter. Ik ben van een jongere generatie! Een flinke beat die de voorstelling voortstuwt: laat maar horen. Flashende lichten en projecties: laat maar komen.’

Afgelopen seizoen werd ze enorm geraakt door de producties van FC Bergman. ‘In Terminator wordt in sfeervolle trage beelden op een heel groot veld de kleinheid van de mens blootgelegd. 300 el x 50 el x 30 el verbeeldt schitterend hoe mensen in hun huisjes in het bos van het leven elkaar behandelen. (lachend) Ik heb die voorstelling wel in de Bourla gezien, maar het had ook op locatie kunnen zijn, nietwaar?!’

Marc en Jalina vielen een paar maanden geleden voor L’art de la fugue van Yoann Bourgeois in de Hallen van Schaarbeek.

Jalina: ‘Een vleugelpiano, een trampoline. Bourgeois bouwt bruggen tussen het werk van Bach en circusfiguren. Alles zit juist in een pure eenvoud: scenografie, choreografie, muziek, acrobatie, … Ik waag het niet mij uit te spreken over schoonheid, maar als ontroering een maatstaf mag zijn, dan ga ik volledig mee. Het is een parel die schittert in nederigheid, een genot om te mogen ontdekken.’

Marc, Jalina en ook ik verlangen bij het circustheater naast niet-verbeeldend theater ook op zijn minst evenveel verbeeldend theater. Veel toeschouwers hebben aan bewondering voor niet-verbeeldend theater genoeg. De circussen en nu ook menig circustheatergezelschap reiken in hun producties niet meer aan: losse nummertjes van kundigheid worden aan elkaar geregen. Dat is natuurlijk hun goed (bestaans)recht. En er is niets mis mee. Goed entertainment moet er ook zijn.

Voor Marc mag dat soort aanbod verminderen. Voor mij was er een aantal jaren geleden al te veel van. Ik haakte af, maar toen kwam het Australische gezelschap Acrobat met Smaller, Poorer, Cheaper in 2007. Een productie die als een mokerslag aankwam. In een bruut, rauw, naakt en bloederig spel gooien de acrobaten letterlijk alle gepolijste ballast van het circusentertainment van zich af en gaan op in de vrolijke gekte van het lichaam en de fysieke verrukking.

Het kan dus wel in het circustheater. Theater dat tot de verbeelding spreekt, dat verbeeldt, dat beelden oproept, dat de fantasie prikkelt. Over leven en dood. Zoals elk theater in essentie gaat over de ‘pijn van het zijn’, zoals Luk Perceval het onlangs in een interview verwoordde 13 . Het zijn in al zijn facetten: van diepe somberte tot bevrijdende speelsheid. Ritueel theater dat de dreigingen toont en invoelbaar maakt, dat vragen stelt: wat is me dat toch, dat leven! Theater dat grip probeert te krijgen op de chaos van de wereld en de kwetsbaarheid van het leven. En dat doet door fysiek spel, maskers en kostuums, licht, muziek, beeldende vormgeving, cross-overs van kunsten, in het ritueel, maar vooral door de lichamen, die al dan niet jonglerend en zich in allerlei houdingen wringend, al dan niet met toestellen als het rad, de bascule en de trapeze, vorm geven aan een inhoud van existentiële thema’s. Tot een ongebreideld spel van vormen en lichamen. Prestatie én existentie!

Carré Curieux verbeeldt in Le Passage (2013) erg letterlijk de overgang van leven naar dood en de moeilijkheden om je in die nieuwe wereld aan te passen. Via spiegels, lichteffecten en projecties verdwijnt een in een bed liggende man in een spiegel. Een duivel speelt met de diabolo. Het leven flitst als een foto- album aan de man voorbij, letters en briefjes zweven over hem heen, zijn lichaam en ziel worden gezuiverd in een bad van zeepbellen, in een cocon vindt hij rust. Het verhaal wordt gemaakt door digitale en optische technieken die als een toverlantaarn de jonglerieën in sfeerbeelden plaatsen.

Het veelvuldig gebruik van digitale hoogstandjes lijkt een tendens te worden in het circustheater. Moeten we enthousiast zijn over al die visuele effecten, verdwijntrucs, toverspel als bij de vroegere sjamaan …?

Marc is er wat bang voor, hij vreest dat de techniek de overhand zal krijgen. Jalina vertrouwt erop dat echte, goede artiesten een evenwicht zullen vinden tussen techniek en lichaam. Ikzelf zie ter illustratie Cinématique van Compagnie Adrien M. Een danser verdwijnt in geprojecteerde lijnen en kronkels, wordt bedolven onder beeldstormen van lettertjes en cijfertjes. Indrukwekkend allemaal, maar na een tijdje hou ik het voor gezien.

Fysiek theater

Naast het traditionele circus, naast het entertainment van het pronken met lichamelijke en circuskunstige prestaties en naast de inbreng van veel techniek, leeft ook de tegenovergestelde tendens: een terugkeer naar puur fysiek theater.

Cie Un loup pour l’homme doet dat in 2011 op het Circustheaterfestival krachtig met face nord. De twee antagonisten van Compagnie Sacékripa bewegen in Marée Basse (2012) dan weer clownesk en speels, dicht op elkaar en op het publiek. Enzovoorts.

In het circustheater van vandaag zijn er professionele choreografen en dansers aan het werk. En hoe. Verrast en geroerd was ik door Swap!, een korte act van Fet a Mà (Spanje). Het is een krachtige mengeling van dans en acrobatie met een man en een vrouw die over, op en onder elkaar kruipen. Een act over bij elkaar willen blijven, over elkaar niet hoeven loslaten. Als de mens geen stem meer heeft, kan/ moet het lichaam spreken.

In 2009 was op het Circustheaterfestival Ashes van Les ballets C de la B te zien, toch algemeen beschouwd als een dansproductie. In 2011 bracht Claudio Stellato zijn publiek met L’Autre in een andere wereld. Dat doet hij een paar maanden later ook in de Velinx in Tongeren, maar daar staat zijn productie aan- gekondigd als dans.

Korte acts van twee mensen die zowel ESAC (de Brusselse hogeschool voor circuskunsten) als P.A.R.T.S. hebben gevolgd, waren in maart te zien op CircusNext in het Kaaitheater. CircusNext 14 is een Europees project dat jong circustalent wil stimuleren en kansen bieden om een productie te maken en door Europa te toeren. Wat wij in Brussel te zien kregen, waren de laureaten die door België naar Parijs gestuurd worden: Cie Nuua (Finland) en Iona Kewney (UK). Ook Alexander Vantournhout (B) was te bewonderen.

Cie Nuua toont in Lento ballonnen die rechtop aan touwtjes zweven, als een maïsveld. Tussen de rijen sleept een man een andere man over de grond. Als een kleine jongen schuift hij op zijn buik, wil hij af en toe een ballon grijpen. In een soundscape van losse donkere klanken, verplaatsen en bundelen de twee mannen de ballonnen. Het wordt een spel waarin ze met de ballonnen jongleren, waarin de ballonnen steeds meer de overhand krijgen en het spel domineren. Een choreografie van ballonnetjes maakt de voorstelling poëtisch. Af en toe nog wat te veel gefreewheel, maar de lichtheid van het geluk laat je wegzakken in je zetel.

Dat was onmogelijk bij de performance van Iona Kewney. Zij heeft lange tijd gedanst bij Platel en Vandekeybus, volgde dan een circusopleiding en combineert nu dans en grondacrobatie. Als een spichtige kip (zonder kop) rent en fladdert ze hoekig en haaks over de scène. Als een slangenmens plooit ze zich zodat je niet meer weet waar voeten en handen zitten. Dat alles gebeurt niet sierlijk, maar spastisch en abrupt. Psychopathisch is de blik in haar ogen. Ze raakt als het ware in een trance. Helaas zijn de live esoterische klankwalmen er te veel aan. Hopelijk wordt er nog aan gewerkt, want Kewney straalt wel een existentiële heftigheid uit.

Alexander Vantournhout volgde circusschool en P.A.R.T.S. Hij kon mij overtuigen met zijn act. Snerpend vioolspel vult de ruimte.

Vantournhout komt op met zijn rad (in vaktermen een roue cyr). Er volgt een verkenning tussen de danser en zijn partner: het rad. Ze stoten elkaar af, trekken elkaar aan onder de klanken van een bepalende soundscape die bijwijlen door merg en been gaat. De ene keer ingetogen en suggestief, de andere keer agressief, maar steeds virtuoos leveren de danser en het rad een existentieel gevecht over fysieke kwetsbaarheid en emotionele eenzaamheid.

Naast die trends zet zich ook de (bescheiden) trend verder van circus in het gewone theater. In Courant 97 werd het schitterende Minnevozen van Ensemble Leporello met Danny Ronaldo al vermeld. Dit seizoen hernam hetpaleis De Marcellini’s van Dimitri Leue en Bruno Vanden Broecke. Compagnie Cecilia speelt Gloria (in den hoge) met een circusartieste. De positie van deze grondacrobate is echter kleiner dan de aankondiging laat vermoeden. Arne Sierens laat, zoals we dat van hem kennen, de thema’s van existentiële eenzaamheid aan de zelfkant van de maatschappij primeren in de taal, in het decor (een grote auto) en in de personages an sich. De circusartieste speelt een bescheiden rol, en flikflakt eerder symbolisch voor een eigen vrijheid. Volgend seizoen haalt Arne Sierens Danny Ronaldo in zijn nieuwe productie. Dat wordt dus uitkijken.

Kortom: circustheater, je kunt er niet meer naast kijken. De komende zomer en herfst is het te zien op festivals in Marke-Kortrijk, in Menen en Lauwe, in Houthalen-Helchteren, in Brugge, Gent, Aalst, Florenville, Mol, Borgerhout, Neerpelt, …

1 Devens, Tuur, ‘In de piste van verbeelding’, in: Etcetera 59 (1997).

2 Zie www.circuscentrum.be.

3 VTI en Circuscentrum, Courant 97 (mei-juli 2011), Cirq’onstances. Circus in Vlaanderen.

4 Devens, Tuur, ‘Zanni’s in het circus’, in: Etcetera 67 (1999).

5 Lehmann, Hans-Thies, Postdramatisches Theater. Verlag der Autoren, 1999.

6 Devens, Tuur, ‘De liefde van Circus Ronaldo voor de liefde’, in: Circusmagazine nr. 31 (juni 2012).

7 In: De Standaard, 6 april 2013.

8 Huis van Alijn, ‘Uit de collectie Circus. Van A tot Z’, 2013.

9 ‘Wat betekent circus voor Pascale Platel? ’, in: Circusmagazine nr. 34 (maart 2013)

10 Pieter van Oudheusden (tekst) en Isabelle Vandenabeele (illustraties), Het circus van Dottore Fausto.

11 Koos Meinderts & Annette Fienieg, Bij ons in het circus. Lemniscaat, 2013.

12 Marcel Schmeits, Drama & Toneel. Een beknopte geschiedenis. Uitgeverij International Theatre & Film Books, 2012, p 12 e.v.

13 ‘Ik ben een luxebeest’, in: De Morgen, 16 januari 2013.

14 Zie www.circusnext.eu.

essay
Leestijd 14 — 17 minuten

Tuur Devens

Tuur Devens is theaterrecensent (onder andere voor De Bond en theaterkrant.nl) met een grote liefde voor figurentheater.

essay