Cultuurcentrum, Maasmechelen FOTO CAFÉ CACAO

Leestijd 13 — 16 minuten

Vanop de Maaskant gezien: Gesprek met Hugo Haeghens over het programmeren van kunst in een cultuurcentrum

De werking van het CC Maasmechelen springt op verschillende manieren in het oog: door zijn programmering hedendaagse dans, die gepaard gaat met een publicatiebeleid terzake, door zijn jazz- en kamermuziekconcerten, door zijn theaterluik met opvallend veel Nederlandse gezelschappen. Ook in een kunstencentrum zou deze programmering opmerkelijk zijn, maar, zo beklemtoont directeur Hugo Haeghens (44), dat is slechts een deel van zijn werk:’Als cultuurcentrum heb je een dubbele uitdaging, die je als kunstencentrum niet hebt. Er komen nu elk jaar 25.000 a 30.000 mensen op onze programmering af, maar er zijn ook nog 50.000 a 60.000 mensen die bij ons gewoon hun ding komen doen, hun feesten, bals, cursussen organiseren enzovoort. CC Maasmechelen heeft als cultuurcentrum de vrijheid verworven om met kunst bezig te zijn in verstrengeling met de lokale gemeenschap. Onze investering in de actuele kunsten kan verantwoord worden, precies omdat het cultuurcentrum op zo’n brede basis werkt en iedereen er terechtkan.’ Daar komt dan nog eens bij dat het CC Maasmechelen letterlijk in de periferie actief is. Etcetera sprak met een man die van het programmeren van kunst in een cultuurcentrum zijn levenswerk gemaakt heeft.

Hugo Haeghens Laat ons zeggen dat ik een liefhebber ben en dat het vanuit die passie is dat ik een aantal domeinen intensief volg – of probeer te volgen. Hedendaagse dans is een van mijn stokpaardjes, waarover ik ook theoretisch reflecteer; ik tracht die reflectie bij anderen trouwens aan te moedigen. Dan is er jazz. Vooral de laatste jaren is het terug tot mij doorgedrongen dat ik een groot jazzliefhebber ben. En als men me nu echt zou vragen ‘Wat kan je niet missen?’, dan zou ik antwoorden: de klassieke en de hedendaagse muziek, vooral de kamermuziek. Al sinds mijn zestiende ben ik enorm veel met muziek bezig, vandaar ook de kamermuziekreeks op het kasteeltje in Leut. Ik kan me niet richten op één gebied, dat zou ik te eng vinden, eigenlijk. En wat natuurlijk blijkt als je al die terreinen volgt, is dat je ook veel kruisverbanden ziet en verschillende benaderingswijzen ziet terugkeren in de verschillende kunsten. Dat maakt het voor mij heel boeiend. Toen ik negen jaar geleden directeur van het CC Maasmechelen werd, wou ik wel de leiding opnemen, maar ik heb me toen ook voorgenomen om duidelijk inhoudelijk te blijven werken en met de materie bezig te zijn, met kunstenaars die dingen maken. Dat was de reden waarom ik deze job ambieerde en dat is wat ik nu nog steeds aan het doen ben. Hoe het uiteindelijk gelopen is, is het resultaat van die interesse voor het werk van kunstenaars, vaak ook kunstenaars die met hun eigen medium bezig zijn. Dat laatste is voor mij een heel belangrijk aandachtspunt binnen mijn kunstinteresse of mijn program-matie: dat kunstenaars reflecteren over het medium, de presentatievorm of het dispositief waarin of waarmee ze werken. Ik zou niet kunnen programmeren zonder af en toe een moment van reflectie in te bouwen. Vandaar de keuze om rond bepaalde thema’s te werken, zoals in het theater bijvoorbeeld rond ‘Hamlet’ en onlangs rond ‘Medea’, vandaar ook de publicaties rond dans. Inleidingen en nabesprekingen zoals je die in vele centra ziet, organiseer ik niet, of althans niet systematisch. Ik vind dat je die dingen thematisch moet benaderen, dat je je moet afvragen of de tijd rijp is om iets te doen, of er zich een gelegenheid of een noodzaak aandient. Het zal wel duidelijk zijn dat dit dus een heel persoonlijke zaak is, een manier van leven, eigenlijk, tien maanden aan een stuk. Wat ik heb uitgebouwd, steunt natuurlijk op een zeer sterke ploeg, en we merken ook dat we heel veel feedback en waardering krijgen, wat ons weer in staat stelt de nodige energie te blijven ontwikkelen.

Etcetera Wat is er in het CC Maasmechelen veranderd sinds u er directeur werd?

Haeghens Toen ik begon, waren er zo’n dertig voorstellingen ‘s avonds, met nadruk op theater. De Blauwe Maandag Compagnie speelde in haar begindagen al in Maasmechelen, net als Het Gezelschap van de Witte Kraai en nadien ook De Tijd; er heerste een echt theaterklimaat. Afgezien daarvan was er ook een aanbod populaire muziek en cabaret, en een klein luikje klassiek. Ik ben in juni 1994 begonnen, maar heb toen de programmering van het daaropvolgende seizoen al voor een deel kunnen bepalen, omdat ik in april benoemd was en in mijn vrije tijd al een deel van de programmering had voorbereid. Het eerste wat ik zelf gedaan heb, was, denk ik, het programmeren van Bonjour Madame van Alain Platel. Dat moet de allereerste hedendaagse dansvoorstelling in Maasmechelen geweest zijn. Ik herinner me dat er toen 110 mensen opgedaagd waren en de voorstelling behoorlijk goed werd ontvangen. Maar daarna was het toch wel even knokken. Datzelfde jaar had ik Blauw van Alexander Baervoets in Stuc gezien en die voorstelling meteen in de programmatie opgenomen, maar de reacties daarop waren zeer gemengd. De mensen die Bonjour Madame hadden gezien, kwamen ook naar Blauw, hetgeen een totaal andere wereld is; dat maakte wel wat reacties los. Stilaan ben ik dan een bepaalde koers gaan varen, met door de jaren heen altijd duidelijker keuzes, zodat we nu één van onze mooiste seizoenen aan het schrijven zijn, met meer dan tachtig voorstellingen, waarvan twintig theatervoorstellingen, vierentwintig kamermuziekconcerten, een tiental dansvoorstellingen en jazzconcerten en een beperkt populair aanbod, met onder meer Kommil Foo en Madredeus. Ik kies altijd dingen waar ik zelf achter sta. Dat is door de tijd nog scherper geworden: ook binnen het populaire luik ga ik altijd naar de kwaliteit op zoek. Ik zal nooit dingen gaan doen waar ik niet kan achterstaan, louter om het publiek te behagen.

Etcetera In uw inleiding tot de seizoensbrochure van dit lopende seizoen valt het op hoe sterk u de woorden ‘kunst’ en ‘kunstenaar’ centraal stelt. U noemt het CC ook ‘een huis voor kunsten’. Dat is verrassend, omdat de basisopdrachten van een cultuurcentrum zoals ze in het nieuwe decreet aangaande het lokale cultuurbeleid geformuleerd zijn, participatie en gemeenschapsvorming beklemtonen.

Haeghens Ja, maar cultuurspreiding blijft ook onze taak. Ik zie geen enkele discrepantie tussen die opdrachten, tussen het bezig zijn met actuele kunsten en kunstbeleving enerzijds en het engagement in gemeenschapsvorming en participatie anderzijds. Ik herhaal dat ikzelf een groot kunstliefhebber ben; dat verklaart mijn persoonlijke gedrevenheid in deze materie, maar ik ben er ook van overtuigd dat een cultuurcentrum, net zoals een kunstencentrum, zich moet bezighouden met actuele hedendaagse kunst en niet met kunstjes. Het gaat me niet over entertainment of zo. Mijn doelstelling is – en dat is dan misschien een oud ‘Bildungsideaal’- om mensen te laten deelnemen aan kunstvormen die volgens mij op een interessante, verfijnde, bijzondere manier met de werkelijkheid van nu omgaan, zodat zij een stukje van die liefde, interesse, verwondering of vraagtekens die ik zelf heb, leren kennen. Eigenlijk vertrekt mijn programmering vanuit een passie voor een aantal dingen, interessepunten, onzekerheden – dingen die ik niet kan vatten, maar die mij raken. Ik probeer daarvoor een publiek warm te maken of daaraan te laten deelnemen. En ik merk dat die onderscheiden opdrachten niet ‘vloeken’, dat er in het cultuurcentrum rond theater en kamermuziek bijvoorbeeld een zeer grote gemeenschap aan het ontstaan is van mensen die elkaar ontmoeten bij een voorstelling of een concert en die daarover napraten en discussiëren – dat is echte gemeenschapsvorming. Gemeenschapsvorming en cultuurspreiding zijn verenigbaar als je keuzes durft te maken. Het heeft geen zin om af te glijden naar een vraag als ‘Wat willen de mensen?’ Frank vande Veire heeft daar ooit een prachtige tekst over geschreven, naar aanleiding van de oprichting van Galada, het tijdschrift dat we een tijdlang met verschillende Limburgse cultuurcentra hebben uitgegeven (zie ook Etcetera 71). Volgens hem kan het publiek niet de norm zijn voor een programmering; de norm is de niet te normeren moed van de programmator om zijn eigen vragen en onzekerheden, besognes en interesses in de programmering zichtbaar te maken en daar een discours en een gemeenschap rond te ontwikkelen. Dat betekent natuurlijk ook dat je voor een programmering ten volle moet gaan, dat je keuzes heel consequent moeten zijn en dat je die ook moet verdedigen, dat je daarover met de mensen moet durven communiceren. Ik denk dat ik op negen seizoenen tijd misschien slechts vijf voorstellingen in eigen huis gemist heb. Ik ben er altijd en praat met het publiek over de voorstelling. In die optiek hebben we in het centrum ook een cafetaria ingericht; toen ik begon, was die er niet. Het is op die manier dat je een publiek creëert, want anders is een programma als dat van CC Maasmechelen onleefbaar. Maasmechelen is een gemeente van 35.000 inwoners, maar dit cultuurcentrum is het enige in het Maasland – een regio met 120.000 inwoners – dat bezig is met theater, met kamermuziek, met jazz en met hedendaagse dans. Knip dat programma weg en je zal voor veel voorstellingen naar Hasselt of Tongeren en voor de meeste zelfs tot Leuven, Antwerpen of Brussel moeten reizen. Ook al is het decreet nu voor een stuk opengetrokken naar participatie en gemeenschapsvorming, dat hoeft de taak van cultuurspreiding nog niet in de weg te staan.

Etcetera In Etcetera 77 stelde Bart Caron, kabinetsmedewerker van toenmalig minister van Cultuur Bert Anciaux: ‘Je moet een fundamenteel onderscheid maken tussen een “kunstenhuis” in brede zin en een cultuurcentrum. Een “kunstenhuis” gaat uit van de artistieke visie van de artistiek leider, die een tijdlang een inhoudelijk project uitzet. Zo’n “kunstenhuis” beoordeel je op artistieke gronden; de fysieke plek is op zich niet belangrijk. Je voedt als beleidsmaker hierin de kunstproductie, de creatie, het “privé-initiatief” van de kunstenaars. De cultuurcentra daarentegen vertrekken niet van een artistiek project, maar van het idee van een publieke voorziening, dat wil zeggen: ze zijn een initiatief van de overheid.’

Haeghens Dat is heel juist. Maar er staat niet dat er in die publieke voorziening geen visie op de kunsten kan zijn en dat daar geen beleid rond kan worden gevoerd. Voor mij is het duidelijk dat cultuurbeleid nog altijd in de eerste plaats gaat over spreiding van cultuur, spreiding van kunst en de daaruit voortvloeiende keuzes. Cultuurspreiding is dus de hoofdopdracht, maar de participatie en de gemeenschapsvorming stimuleren evenzeer. Voor mij is er geen discrepantie. Maar het is goed dat jullie die tekst citeren, want hij wijst op een element dat ik nog niet vernoemd heb. Een cultuurcentrum als het onze is een heel groot gebouw met heel veel vergaderlokalen en heel veel open ruimte. Die ruimtes worden ook als voorziening maximaal aangeboden, en er gaan bij ons dus tientallen feesten door, manifestaties van verenigingen, concerten van fanfares en harmonieën, er staat amateurtoneel in de schouwburg enzovoort. Die dingen worden allemaal op een goede manier omkaderd, logistiek ondersteund en gepromoot via een informatiemagazine. Op die manier zijn we dus écht in de gemeenschap ingebed. Ik heb dat twee jaar geleden ook tegen Anciaux opgeworpen toen hij tijdens een open debat in Sint-Niklaas het nieuwe decreet kwam toelichten: ‘Mijnheer de Minister, denkt u nu werkelijk dat het mogelijk zou zijn om in kleinere gemeenten op die manier een cultuurcentrum te runnen en met kunst bezig te zijn als je niet de lokale gemeenschap mee zou hebben en dus niet aan de participatie en de gemeenschapsvorming zou werken?’ In de context van een gemeente is het heel belangrijk dat de voorziening maximaal aan de mensen aangeboden wordt. En dat doe ik dus van harte. Ik stel daarom geen prioriteiten in de kalender. Het is niet zo dat ik de zaal blokkeer tot ik alles mooi geprogrammeerd heb. Als cultuurcentrum heb je dus een dubbele uitdaging die je als kunstencentrum niet hebt. Zeker in een gebied waar er geen kunstencentrum is, zoals in het Maasland, vind ik het als cultuurcentrum belangrijk om dat luik in te vullen. Niet dat we die opdracht helemaal op ons nemen. Met name produceren is moeilijk omdat we daar geen extra middelen voor hebben en daar ook niet op afgerekend worden. Maar af en toe zet ik wel een stap in die richting, zoals met De Hartstreek met Bert Luppes, een voorstelling die in samenwerking met Het Kruis van Bourgondië tot stand kwam, en de try-outs van Vincent Dunoyers Solos for Others eerder dit seizoen.

Etcetera Misschien moeten we de vraag ook eens andersom stellen. Het is niet dat het decreet op het lokale cultuurbeleid verhindert wat u doet, maar het vereist het niet. En wat merk je? Een aantal van uw collega’s geven er de brui aan. In steeds meer cultuurcentra vind je een populariserende en zelfs ronduit commerciële programmering, die met dat decreet wordt goedgepraat.

Haeghens Ja, dat klopt. Er staan geen echte incentives in het decreet om als cultuurcentrum aan theater- en dansspreiding of kunstenspreiding tout court te doen. Ik merk evenwel dat we voor ons toch nogal rigoureuze kunstenbeleid niet zijn afgestraft door de commissie die over de toekenning van de variabele subsidie beslist. Van de 47 centra die een variabele subsidie hebben aangevraagd, en waarvan er 26 de subsidie toegekend kregen, krijgt CC Maasmechelen toch het elfde hoogste bedrag; dus heb ik het gevoel dat ons engagement voor de kunsten toch voor een stuk beloond wordt. Maar uit het lijstje blijkt ook dat het niet zo gemakkelijk is. Ik kan mij voorstellen dat veel afhangt van de plaatselijke context, van de mate waarin de beleidsmensen je ondersteunen. Maar tegelijk geloof ik dat het vruchten afwerpt wanneer je ergens consequent voor gaat, wanneer je volhoudt en je je niet laat ontmoedigen. Óók in een eerder perifere zone of een niet zo stedelijk gebied. Bijvoorbeeld: een paar maanden geleden was Meg Stuart hier met Disfigure Study. Dezelfde mensen die dat nu ‘een fantastische voorstelling’ vonden, zeiden tien jaar geleden misschien: ‘Ja maar, dat is geen dans.’ Omdat ze toen enkel met ballet en jazzdans vertrouwd waren. Zo merkje de mentaliteits- en de belevingsverandering van het publiek tegenover kunsten. Je moet dus durven doorgaan, ook al is dat hier soms moeilijker dan in een stedelijke context, waar die dingen veel meer verworven en vanzelfsprekend zijn.

Etcetera Toch hebben wij de indruk dat het decreet op het lokaal cultuurbeleid een heel andere kaart trekt: die van de socio-cultuur, van de maatschappelijke cultuurbeleving…

Haeghens Maar waar staat dat dan voor, die maatschappelijke cultuurbeleving? We moeten stilaan gaan opletten dat we ons publiek niet verkleuteren. Ik neem mijn publiek heel ernstig, ik vind ook dat dat de eerlijkste houding tegenover het publiek is. Je toont dingen waar je zelf honderd procent achterstaat. En dat mag dan elitair klinken, je moet de mensen niets wijsmaken, hé… Het belang van wat je toont moet voelbaar zijn. En dan krijg je ook reactie van het publiek. Dat maakt kunsten anders dan een avondje uit – dat moet er ook wel zijn, maar amusement moet toch niet de maat van alle dingen worden? Plus, waar kan een kunstwerk nog getoond worden als de cultuurcentra dat niet meer of minder doen? Wij zijn toch cultuurcentra, hé? Het gaat toch over cultuur en over kunst, en dan is het eigenlijk niet belangrijk of je nu een cultuurcentrum of een kunstencentrum bent. Dat je de mensen wil laten participeren en een zo breed mogelijke doelgroep wil bereiken, dat is toch normaal? Je wilt toch zoveel mogelijk mensen laten deelnemen aan iets moois of iets ontroerends of iets wat je als belangrijk of als kunst ervaart?

Etcetera Hoe belangrijk is de steun van de lokale beleidsmakers als je zo’n werking uitbouwt?

Haeghens Zonder hun steun is zo’n werking onmogelijk. Ik heb me, ook toen het de gemeente financieel niet voor de wind ging, altijd door haar gedragen en gesteund gevoeld. Ik ben een gelukkig mens op dat gebied. Anders had ik in Maasmechelen nooit kunnen doen wat ik tot nu toe gedaan heb. Het CC Maasmechelen is een gemeentelijk cultuurcentrum, en dat betekent dat onze werkingsmiddelen uit de gemeentekas komen. Het personeel, het gebouw, een investeringsbudget en de eigenlijke werkingskosten worden rechtstreeks door de gemeente gefinancierd. Wij krijgen bovendien in een vzw een dotatie van de gemeente om inhoudelijk te programmeren. Wat krijgen wij van het ministerie? Dat is een heel verhaal, omdat alles door het nieuwe decreet werd herschikt op basis van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. Omdat Maasmechelen laag scoort op de graad van stedelijkheid (wat niet echt klopt, want we zijn toch een gemeente die als centrum fungeert voor een regio van 120.000 inwoners) zijn we als cultuurcentrum in de C-categorie ingeschaald, waardoor onze basissubsidie heel laag is: 60.000 euro. Daarnaast werd, om de nadruk te leggen op de kwaliteit van de werking, een variabele subsidie ingevoerd. Daarin scoren wij, zoals ik al zei, niet slecht, we krijgen zo 98.000 euro extra, wat dus meer is dan onze basissubsidie. Onze totale subsidie vanuit de Vlaamse Gemeenschap ligt nu hoger dan vroeger. Ik wil daarnaast toch ook vermelden dat er in Limburg een sterk provinciaal beleid gevoerd wordt dat de cultuurcentra ondersteunt die regionaal of bovenregionaal werken en met een kwaliteitsprogrammering bezig zijn. In die context zijn we, op basis van ons beleidsplan, samen met Hasselt, Sint-Truiden en Tongeren, tot 2006 erkend als centrum met regionale werking en krijgen wij van de provincie een extra subsidie om de hedendaagse kunsten te spreiden en te presenteren. De drie samenwerkingsverbanden die een aantal Limburgse cultuurcentra, waaronder wij, samen met de provincie uitbouwen, zijn daar ook een afspiegeling van: Dans in Limburg voor hedendaagse dans, Forte voor klassieke muziek en Motives for Jazz voor jazz. In Limburg is er geen echte stedelijkheid, en als je dan een aantal doelgroepen wil bereiken, moet je wel vormen van overleg plegen en de krachten bundelen, op een manier dat ieder zijn eigenheid behoudt. We zijn daaraan begonnen met een klein aantal mensen en hebben dan in de provincie een heel goede partner gevonden: er zijn coördinatoren aangesteld, er zijn subsidies om het discours te ontwikkelen, er zijn nieuwsbrieven, we stemmen onze programmering op elkaar af enzovoort.

Etcetera Er wordt soms geroepen dat de podiumkunstenaars te veel produceren, maar zou die overproductie niet net zo goed het optisch effect kunnen zijn van iets anders, namelijk van een verschuiving in het spreidingsapparaat? Het decreet heeft het aantal cultuurcentra met een taak in cultuurspreiding van een honderdvijftigtal naar de helft teruggebracht. En daarvan krijgen er 26 de variabele subsidies die hen de mogelijkheid bieden om kwaliteitsvol te gaan programmeren. Gaat het verhaal over overproductie dan niet evenzeer over het terugbrengen van het aantal speelplekken?

Haeghens Ja, natuurlijk. Door de extra subsidies zullen sommige centra zich meer kunnen ontwikkelen, dat is waar, maar andere hebben minder mogelijkheden. Het nieuwe decreet zal het veld volledig vertekenen, dat is duidelijk. Officieel is er plaats voor 76 cultuurcentra, en daarnaast zijn er een vijftigtal erkende gemeenschapscentra, waarvan de meeste in het verleden cultuurcentra waren. Bij hen komt het accent meer op het verenigingsleven, op het plaatselijk cultuurleven te liggen, dus mijn vraag is hoe zij in de toekomst zullen evolueren. Gaan zij nog een programmering kunnen uitbouwen, gaan zij nog nieuwe dingen kunnen tonen? Ook de programmering van een aantal cultuurcentra zal allicht veranderen. In Limburg zijn de helft van de cultuurcentra gemeenschapscentra geworden. En hoeveel cultuurcentra krijgen er een variabele subsidie? Acht of negen, denk ik. Dat betekent dat er dus flink aan de boom is geschud. Op die manier verkleint het aantal spreidingsplaatsen of toonplaatsen en zal het ook voor de makers nog moeilijker worden. Dat merk je al aan de spreiding van de Nederlandse gezelschappen: die geraken bijna niet meer gespreid in Vlaanderen – en vice versa. Monk en ‘t Barre Land spelen op dit ogenblik op één plek in Limburg, in Maasmechelen. Dat is niet veel, hé? Hetzelfde is met dans aan het gebeuren, dat is echt schrijnend. Als je de vijf cultuurcentra die aan Dans in Limburg participeren (Genk, Hasselt, Heusden-Zolder, Maasmechelen en Tongeren, nvdr) samentelt, dan is Dans in Limburg de allergrootste spreider van hedendaagse dans in Vlaanderen. Het is voor de artiesten echt een moeilijke zaak aan het worden. Het moet ontmoedigend zijn om voor drie of vier speelplekken een voorstelling te maken. Als je dan tegelijk ziet hoeveel er bijvoorbeeld in het theater gebeurt, hoeveel producties er gemaakt worden, hoeveel jonge gasten eigen groepen starten… Je kan toch moeilijk tegen kunstenaars zeggen: ‘Je mag niet produceren!’ Een deeloplossing zou een soort incentive kunnen zijn dat het mogelijk maakt projecten aan een verlaagde uitkoopsom te programmeren. Iets als Trappelend Talent, maar dan niet enkel voor jong werk, ook voor meer gevestigde namen. Vroeger had je de Bijzondere Circuits van de FE-VECC (Federatie van Vlaamse Erkende Culturele Centra), maar die formule is verdwenen. Dankzij dat systeem heb ik nochtans Ombat van Peter de Graef en Bonjour Madame van Alain Platel kunnen programmeren.

Etcetera U beklemtoont graag het persoonlijke karakter van de keuzes die u maakt. Is dat dan niet in tegenspraak met het uitgangspunt dat een cultuurcentrum een voorziening van de overheid is?

Haeghens Een aantal voorzieningen van het centrum zijn er, los van het feit of ik nu directeur ben of niet. Maar elke programmering is een persoonlijke keuze. Ook een populaire keuze is een persoonlijke keuze van een programmator, dat kan niet anders. Ik kan me echt niet voorstellen dat je in zo’n creatieve job, waarin je jezelf toch voor een stuk realiseert, gedwongen keuzes maakt. Althans, zo heb ik het toch altijd ervaren. Het is toch ook een stuk levenswerk waar ik mee bezig ben. Ik heb er negen jaar voor gewerkt en ik werk er nog elke dag opnieuw voor. Ik heb ooit eens in een interview gezegd dat ik het als een eer ben gaan beschouwen dit te kunnen doen. Een soort van ereambt (lacht). Het klinkt misschien ouderwets, maar eigenlijk is het toch ongelooflijk: vroeger was ik als hobby met de kunsten bezig, en nu word ik ervoor betaald. Dat is toch fantastisch?

 

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

gesprek
Leestijd 13 — 16 minuten

#87

15.06.2003

14.09.2003

Peter Anthonissen

Peter Anthonissen (°1969), redacteur van Etcetera, is theaterrecensent bij De Morgen. Verder is hij dramaturg bij fABULEUS (Leuven) en het Nederlandse Theater Artemis (’s-Hertogenbosch).

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!