‘Van Wagner’ (Dito’Dito) – Foto Herman Sorgeloos

Klaas Tindemans

Leestijd 4 — 7 minuten

Van Wagner

Dito’Dito, Brussel

‘Acteren is gewoon doen terwijl er iemand naar je kijkt’: zo formuleerde Jan Ritsema zijn idee over toneelspelen, toen hij spelers zocht voor Het Heengaan, de jongerenvoorstelling die in Etcetera 26 uitgebreid besproken werd. In twee recente produkties trekt Ritsema die opvatting door, het meest zichtbaar in Herinneringen van een valk een regie/choreografie bij de Nederlandse dansgroep Het Concern.

Een aantal dansers ‘hangen’ rond in een door een donkerbruine lambrizering streng afgegrensde ‘kamer’. Door het nietsdoen gedwongen etaleren ze, anderhalf uur lang, hun tics, af en toe gestileerd tot een dansante beweging, een diagonaal door de kamer, soms zelfs iets dat op een duet lijkt. De enige mannelijke danser amuseert zich met hoge hakken, de lange danseres plooit haar benen, vol atletische ijdelheid. Een meisje met een mooie zwarte bles zoekt oogcontact, maar de andere gezichten zijn leeg, ze zeggen niets meer. De man en de vrouwen willen ‘behagen’, maar niet elkaar, enkel zichzelf, de erotiek is uitgestorven. Toch blijft het mager, wel fascinerend om naar te kijken, maar, na de kwetsbare jongeren in Het Heengaan, te veel een toepassing van een systeem, een dogma zelfs. Het dogma van de lethargie. Net als de kunstmatigheid van het theater, staat ook het spontane, het ‘gewoon doen’ in het theater, weliswaar binnen een andere stijlopvatting, elke keer opnieuw ter discussie: hier is echter die discussie ontlopen, zo krijg ik de indruk. Ritsema heeft een feilloos gevoel voor timing, voor ruimtelijk evenwicht, voor plastische spanning, maar het brutale, het ‘subversieve’ dat Het Heengaan tot een gebeurtenis maakte, ontbreekt in deze Herinneringen van een valk.

In Van Wagner regisseert Jan Ritsema de acteurs van Dito’Dito, die voor het eerst iemand van buiten de groep aantrekken voor een artistiek concept. De idee om ‘iets met Richard Wagner te doen’ komt van Ritsema, en het spelidioom draagt ook duidelijk zijn stempel : gewoon doen, gewoon spreken, staan of ‘hangen’, tegen een mooie muur van Herman Sorgeloos. Vier acteurs en drie stoelen. Ze vertellen het levensverhaal van Richard Wagner, alsof ze het ter plekke reconstrueren, met als enige theatraal effect, vlak voor de pauze, de eerste maten van de ouverture van Das Rheingold. Even denk je dat de acteurs vier zelfstandige verhalen, vier aspecten van het leven van Wagner willen tonen, en op die manier naar personages kunnen evolueren. Maar dat is niet zo: het is één verhaal, één personage dat zich ontplooit, en dat, wat mij betreft, steeds holler, bedenkelijker, gevaarlijker wordt. Oninteressant gevaarlijk : Wagner is geen kunstenaars-Macbeth, hij is enkel een esthetisch alibi voor dodelijke onverdraagzaamheid. Wagners steeds terugkerende bezorgdheid om tegenstellingen – esthetisch, filosofisch, politiek – met elkaar te verzoenen, leidde tot het vernietigen van het principe van de tegenstelling-als-creatieve-kracht, van het dialectisch principe m.a.w. en dus tot vernietiging van het leven zelf. Zoals de Parsifal-enscenering die Peter Mussbach vorig jaar maakte in de Munt enkel bewees dat Wagner de vrouw minachtte en uit was op het negeren van al het vrouwelijke in de cultuur. Ook Van Wagner zet Richard Wagner als ‘universeel kunstenaar’ en als omhooggevallen cultuurfilosoof weer in zijn hemd. Alleen als musicus blijft hij groot: zijn passie voor Beethoven is echt, gaat diep, zijn ‘uitvinding’ van het orkest als instrument in handen van de dirigent is ook een belangrijke vernieuwing, en vooral de revolutionaire wijze waarop hij de harmonie heeft herdacht: Wagner is de eerste moderne componist, die tonaliteit in vraag stelt en muziek als pure abstractie gaat beschouwen, als een spel van toonladders en verschillen in toonafstand, zoals Malevitch een kwarteeuw later schilderkunst als een streng spel van lijnen en vlakken is gaan zien. Tot deze essentie van het ‘personage’ Richard Wagner dringen de vier acteurs wel door. Maar toch is hun inzet, de ernst waarmee zij dit personage ontleden een inspanning die een betere zaak waardig is. En vooral : het is niet evident dat theater, ook dit theater niet, het geschikte medium is om deze analyse te maken. Natuurlijk, het levensbericht van de kunstenaar Richard Wagner is slechts de ‘eerste laag’, de oppervlakte van Van Wagner. Maar het verhaal stokt waar het de neiging vertoont iets anders dan dit bericht te vertellen: de revoluties van 1848, de meeslepende romantiek van de straatrellen en voortvluchtige anarchisten, plots lijkt Wagners leven opwindend actueel. Maar het dooft elke keer uit. Er blijkt geen ‘tweede laag’ zichtbaar gemaakt te kunnen worden, Wagner is door de burgerlijke cultuur – de pseudo-religie van Bayreuth en andere winstgevende smakeloosheid -gerecupereerd, omdat hij zelf zo genoot van die recuperatie. En daarvoor gaat de voorstelling bijlange na niet ver genoeg: ze ontmantelt niets, ze geeft nergens aan waarin zo’n recuperatie kan bestaan. Terwijl we elke dag meemaken hoe elk authentiek streven, elk radicaal gebaar, maatschappelijk of artistiek, tot een aanvaardbare vorm, tot onschadelijk, politiek hanteerbaar gedrag wordt herleid. Hoe een discussie over een potentieel artistiek medium zoals televisie herleid is tot een rangschikking van kijkcijfers, hoe architectuurbeleid in een ‘gehavende stad’ een pseudo-artistieke schaamlap is voor meedogenloos eigenbelang, en ga zo maar door. Hierover niets, ook niet onder het biografisch vernis. Toch luisterde ik geboeid, zoals ik naar BRT-3 luister: geen artistieke ervaring echter, geen andere kijk op de wereld.

Enkel nog dit: in een gesprek over Van Wagner zegt Jan Ritsema dat de studie van Richard Wagner een goede remedie is tegen een gemakzuchtige indeling van de wereld in goed en slecht, omdat Wagner zelf zo’n vat vol tegenstellingen is. Hij illustreert dit door naar Oost- Europa te verwijzen, waar al ons gejuich eigenlijk bestemd is voor – in zijn woorden – een ‘opstand der lafaards’, die voordien hun mond niet open deden. Misschien gewoon een neo-stalinistische slip of the tongue, maar tegelijk getuigend van groot onbegrip. De Oosteuropese volksdemocratieën hebben precies het dialectisch materialisme op een brutaal-leugenachtige manier gebruikt om elke maatschappelijke tegenstelling te kunnen wegideologiseren. Het socialisme ging functioneren als burgerlijke ideologie, in al zijn repressieve grijsheid : dié leugen is weggehoond, en dat is geen opstand van lafaards, wel van vrije geesten.

In de mate dat ze niet verstikt zijn door de zwarte lucht die over Dresden hangt, waar Wagner in 1848 de opera zag branden, als romantisch oordeel voor een opstandige kunst. Wat meten wij ons een oordeel aan over hun lafheid of hun moed ?

Van Wagner

Gezelschap Dito’Dito;

tekst Dito’Dito en Jan Ritsema, op basis van de Wagner-bibliografie;

regie Jan Ritsema;

decor Herman Sorgeloos;

acteurs Guy Dermul, Els Olaerts, Willy Thomas, Mieke Verdin.

Gezien op 18 januari 1990 in de Beursschouwburg, Brussel.

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#29

15.03.1990

14.06.1990

Klaas Tindemans

Klaas Tindemans is doctor in de rechtsgeleerdheid. Hij is als docent en onderzoeker verbonden aan het RITCS, het Koninklijk Conservatorium Brussel en aan de VUB. Hij verricht onderzoek op het gebied van de performancestudies, waarbij hij vooral geïnteresseerd is in de relatie tussen dramaturgische structuren en politieke en rechtstheorie. Daarnaast werkt hij ook als dramaturg, toneelauteur en publicist.