‘Vaders en zonen’ (De Tijd) – Foto Guido Saeys

Fred Six

Leestijd 4 — 7 minuten

Vaders en zonen

De Tijd, Antwerpen

Vorig jaar bracht het NTG een overgeorkestreerde voorstelling van Vaders en Zonen, de toneelbewerking door Brian Friel van Toergenjews roman uit 1862. De Tijd nam dezelfde Toergenjew op het programma. Maar nu in een eigen bewerking van regisseur Lucas Vandervost, en aangeboden als sober theaterverhaal. Waar de Engelse regisseur Nick Hamm in Gent vergaloppeerde, ‘cocoont’ Vandervost er zacht op los. Of : tegenover een opgefokte beelden- motoriek staan intimistisch ingekleurde plaatjes.

Toergenjew plaatst het generatieconflict van ‘vaders’ en ‘zonen’ niet in een psychologisch perspectief van een enge familie-anecdotiek. Het gaat eerder om een ruimer ideologisch conflict tussen ‘oud’ en ‘nieuw’, tussen de liberale Russische landadel en de democratische jeugd van 1860. Zijn hoofdfiguren zijn daarvan echter niet zomaar dè vertegenwoordigers.

Bazarow is nihilist, maar heel wat linkse jonge intellectuelen hadden met zijn positivistische levensbeschouwing weinig te maken; integendeel, velen waren idealist en geloofden sterk in de toekomst van het Russische volk. En de enige ‘vader’ in het stuk is een brave kerel, die zo goed mogelijk met zijn tijd probeert mee te zijn (b.v. zijn lijfeigenen vrijlaat) en dus ontgoocheld is wanneer men hem desondanks toch afschrijft.

Nog voor de roman verscheen was er al heibel. Toergenjew schaafde hier en daar bij, en het lijkt er niet op dat hij tenslotte een tendentieuze roman schreef, al zochten ‘links’ en ‘rechts’ wel ijverig naar zijn politieke intenties. Vandervost doet dat niet.

Door uit de roman een verhaal te distilleren dat zich op een paar fundamentele menselijke drijfveren concentreert, geeft hij de materie een vrij algemeen karakter. Maar het stuk is soms te weinig suggestief of te expliciet om voor een krachtige theaterparabel door te gaan. Dat geldt zowel voor tekst als opvoering. Tekst, spelconcept en decor vormen een harmonisch geheel, maar het globale beeld is zo gladgestreken dat het weinig ruimte schept voor de toeschouwer om erin onder te duiken. Het mankement van deze pro-duktie is dat een zekere stilering vergeefs probeert het gebrek aan theateravontuur te compenseren.

De beperking tot acht personages dwingt Vandervost tot keuzes. Teksten worden herschikt, configuraties vereenvoudigd, gebeurtenissen samengebracht in een eenheidsdecor : het tanend landschap van Nikolaj Petrowitsj (Dirk Buysse). Hij woont er samen met zijn broer Pawel (Bob De Moor) en met Fenetsjka (Antje De Boeck), het vroegere dienstmeisje, van wie hij een zoontje heeft. De rust wordt enigzins verstoord wanneer Nikolajs zoon Arkadi (Wim Danckaert) met zijn vriend en medestudent Bazarow (Dirk Tuypens) thuiskomt. De nieuwlichterij doet haar intrede.

Het decor fungeert als licht esthetiserende context. Een klein platform met tafeltje en stoel suggereert eethoek of salon, een ‘kloof’ in de bodem is de gracht waar Bazarow kikkers vangt en het achterdoek is een decoratief fluïdum. De belichting drenkt het gordijn in haast onmerkbaar uitvloeiende tinten van roze, oker en lila. Nu eens baadt de scène in felle gloed, dan weer in matte glans. Het is een louter sfeerbepalende vorm van poëtisering.

Veel wezenlijker is de eenheidsbeleving op een ander vlak. De acteurs blijven bijna constant op de scène. Hiervoor staat hen op de achtergrond een rij stoelen ter beschikking. Dit procédé, dat de laatste tijd toch wel erg modieus aan het worden is, vindt in deze voorstelling zijn verantwoording in het feit dat het stuk geconcipieerd is als een soort groepsvertelling, waarbij elk personage a.h.w. zijn rol aan het publiek ‘opdraagt’. De acteurs praten dan ook veelvuldig naar de zaal gericht, wat aan de opvoering een statisch karakter geeft.

Toch blijven ze de onderlinge interactie van de personages uitbeelden. Doordat iedereen op de scène meeluistert en meekijkt, krijgen ze bovendien de gelegenheid om af en toe een subtiele ‘reactie’ toe te voegen. En uiteraard geeft het procédé ook aanleiding tot het exploiteren van de illusie doorbrekende spelwerkelijkheid. Al doen ze dat met mate.

Dat alles in de voorstelling eigenlijk nogal ‘met mate’ gebeurt, is hier geen pluspunt. Vandervost heeft zijn regieconcept enigzins overschat door van de produktie een precieus toneelritueel te willen maken, even lijzig soms als de zegging van de acteurs bij momenten is. Er ontbreekt een interne spanning.

Een en ander wordt onrechtstreeks in de hand gewerkt door de dramatische opbouw van de tekst, die nochtans niet zonder waarde is. Thematisch plaatst Vandervost twee orgelpunten, in de vorm van twee discussies. In de eerste, tussen Bazarow en Pawel, zweert de radicale nihilist alle geloof in politiek en maatschappelijk engagement af. De tweede discussie, tussen Bazarow en de rijke weduwe Anna Odintsowa (Rita Wouters) gaat over de liefde, die de natuurwetenschapper als louter fysiologisch fenomeen koel afwijst. De twee thema’s staan nevengeschikt naast elkaar (twee begint pas nadat één is afgelopen), en als ‘analyse’ is het nogal schematisch en erg nadrukkelijk.

Het was Vandervost niet te doen om de politieke en sociale dimensie. Hij wou vooral het thema van de liefde verder gestalte geven. Hij zet drie voorbeelden uit. Wat Bazarow en Anna niet kunnen uitspreken, wat Nikolaj en Fenetsjka heimelijk realiseren, laat hij Mathieu (Damiaan De Schrijver) en Koeksjina (Brit Alen) in een kat-en-muis-spel openlijk demonstreren : via een vuurwerk van passie, uitdaging en jaloersheid illustreren ze ‘liefde en lijden’ in een zogenaamde vrijgevochten relatie.

Het is een bewust komische uitvergroting.

De confrontatie Bazarow-Anna is de scharnier van de voorstelling, want hier geraakt de materialist voorgoed in de greep van het irrationele. Maar het rationele gesprek dat ze hierover voeren, klinkt – niettegenstaande mooie stukken dialoog -mat en doorzichtig. Boeiend wordt de dramatische structuur pas wanneer Bazarow na het vertrek van Anna zijn onmacht om haar zijn liefde te bekennen uitschreeuwt, vertaalt in een slaande ruzie met Arkadi en ‘compenseert’ met een hartstochtelijke omhelzing van Fenetsjka.

Niet alleen noemde hij haar vroeger al de enige ongerepte bloem van dit gezelschap, maar ze vormt ook de schakel die Bazarow weer met zijn grote antagonist Pawel confronteert. Pawel kan nu zijn troebele gevoelens voor Fenetsjka niet langer verbergen en gaat een duel aan, onder het mom dat hij en Bazarow elkaar niet kunnen luchten. Dat sluit aan bij het allereerste vooroordeel tegenover Bazarow (‘de jeugd van vandaag’) : niet diens arrogantie, maar zijn ‘haren’ (nauwelijks langer dan die van Arkadi) staan Pawel tegen. Het antagonisme tussen ‘oud’ en ‘nieuw’ krijgt iets instinctiefs.

Alleen Bazarow maakt een evolutie door. De anderen zitten in simpele onveranderlijkheid vast aan hun ‘type’. Vader Nikolaj en zoon Arkadi zijn enkel schaduwlopers van respectievelijk Pawel en Bazarow. Hun knipoogjes werken niet relativerend, maar zijn enkel onschuldige uitingen van een schaapachtige persoonlijkheid. Pas vanaf het duel krijgen de figuraties meer impact op elkaar; het gaat iets verder dan louter ‘picturaal’ positie kiezen. Het ritme versnelt, het gebeuren krijgt groteske franjes en de kracht van de suggestie wordt groter.

Dan voel je wat je in de voorstelling gemist hebt.

Gezelschap : De Tijd;

tekst : Iwan Toergenjew;

regie en bewerking : Lucas Vandervost;

vormgeving en licht : Erik Lagrain;

kostuums : Valentine Kempyncken Diane Belmans;

spelers : Dirk Tuypens, Rita Wouters, Wim Danckaert, Antje De Boeck, Dirk Buyse, Bob De Moor, Damiaan De Schrijver, Brit Alen en Bart Van Dessel.

Gezien op 20 april 1991 in Vooruit te Gent.

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#34

15.06.1991

14.09.1991

Fred Six