Hier, ik als keizerin. Molenstraat 103/bus 5 – Veerle Baetens & Bo Spaenc
Radicale eenzaamheid
Klaas Tindemans
MUZIKALE INTRO DOEK
Decor: aquarium met 1 goudvisje, een microfoon op statief, een oude bandopnemer, aan zij- en achterkant: Luxaflex, in één van de hoeken: een klein hoopje zand
BELICHTING: Technisch licht geconcentreerd op de bandopnemer.
‘Hij’ is op scène.
Handelingen: een ‘voorbereiding’, ‘afwachten’, uittesten bandopnemer.
‘Hij’ staat dicht bij microfoon.
HIJ …Test!
‘HIJ’ gaat naar de bandopnemer, draait de band terug, laat hem dan lopen.
OFF
…en voorgoed besloten hebbend IK te zijn,
te leven in overeenstemming
met het werk dat mij is opgelegd, pose te zijn
die niets van uitdagingen
aan de massa, niets van het vuurwerk voor
het lachen of tieren
der minder één, twee, één, twee…test! superioriteit trekt geen clownspak aan; ontzegging en stilzwijgen zijn haar kleed (vrouwenstem) muziek a.u.b. (muziekstuk: piano-bewerking van fragment Tales of Hoffmann; muziekstuk loopt verder onder volgende tekst) Het laatste spoor van invloed van de anderen op mijn karakter is hiermee verdwenen! (muziek stopt) Ik heb toen ik voelde dat ik het intense en infantiele verlangen…
‘HIJ’ stopt vluchtig de bandopnemer, wil blijkbaar het vervolg niet horen. ‘HIJ’ neemt wachtende houding aan. Na een tijdje:
LICHT UIT
MUZIKALE INTRO
LICHT AAN – AVONDBELICHTING
‘HIJ’ is op scène.
Handelingen: Herhaling van een ‘voorbereiding’
‘Afwachten’
Uittesten van de bandopnemer.
‘HIJ’ staat iets verder van de microfoon.
HIJ
Eén, twee, één, twee…test!
‘HIJ’ gaat naar de bandopnemer, spoelt terug en beluistert opnieuw.
OFF
…toen ik voelde dat ik het intense en infantiele verlangen één,
twee, één, twee,…test! is nu tijd dat ik zeg wat voor soort mens
ik ben. Mijn naam doet niets van wat ik geschreven heb werd ooit voltooid…
‘HIJ’ stopt haastig bandopnemer. Wachtende houding. Na een tijdje:
LICHT UIT
LICHT AAN – MORGEN: MUZIEK
‘HIJ’ is op scène.
Handelingen: Herhaling van een ‘herhaling’
van een voorbereiding.
‘Afwachten’.
Uittesten van de bandopnemer.
‘HIJ’ staat nog verder van de microfoon af.
HIJ
Eén, twee, één…
‘ZIJ’ komt op met (zware) koffers, gevolgd door een celliste.
HIJ
Kom niet tegenover me zitten, niet naast me,
kom niet naar me toe;
Kom niet met me lachen of praten.
Ik ben alles moe, ik ben moe.
en ik wil alleen slapen.
Zelfs wakend nog slapen, zonder dromen.
in een ver en vaag vergeten opgenomen, waar geen gedachte hoeft te komen.
Tussen distels wierp ik wat aan geloof mij was gegund.
en op een blanco bladzij schreef ik: ‘Eind’. De incognito prinsessen bleven onbekend. Voor de beloofde tronen kwam geen timmerman.
En daarom…(kom niet naast me zitten) Mijn god ligt op de lommerd, ‘k Heb verpakt in pakpapier.
De hoop en de ambitie ooit beleefd… Ik wil slechts slapen, al is het een dood.
Daarom…kom niet naast me zitten en spreek niet.
ZIJ
Zij ‘kwam’
‘glimlachend’, ‘elegant’ de voetstap…
HIJ (onderbreekt haar)
De boerse ambitie uit te munten om uit te
munten heeft mij verlaten,
evenals die andere absurditeit,
van een ondraaglijke vulgariteit:
willen ‘verbazen’!
…daarom…
kom niet tegenover me zitten en spreek niet!
ZIJ (herneemt de voetstap) en opeens…
opeens is al het water van de havenzee doorzichtig,
en zien wij op de bodem, als een enorme prent die daar lag uitgevouwen, dit hele landschap, rij bomen, straatweg zinderend in gindse haven…
HIJ
Weg van mij!
ZIJ
Eensklaps, gelijk een bliksemschicht van klank, die geen lawaai voortbrengt maar tederheid,
en plotseling de hele horizon der zee omvaant,
Verschijnt, vochtige golfslag, donker, menselijk en nachtelijk,
Stem van verre sirene, schreiend, roepend, die kreet, uit diepten van de Verte, uit diepten van de Zee … uit de ziel der Afgronden…
HIJ
Weg van mij! Weg uit mijn ogen, Weg van binnen uit mijn hart… Verlies je in de Verte, in de Verte, nevel Gods…
ZIJ
Bedenk, gij die God verafgoodt, dat het leven meervoudig is en alle dagen van elkaar verschillend,
en slechts meervoudig zijnd als zij Zullen wij met de waarheid zijn.
HIJ
Ga, ga, laat mij en word… Blijf niet.
Niets van wat ik geschreven heb werd ooit voltooid…
ZIJ
Niets!?
wie niets wil is vrij. Kom dan…
Kom over zeeën, over de wijdere zeeën zonder zichtbare horizonten…
HIJ (hoopt haar definitief te overtuigen) Ik ben niet meer dan een zelfmoord.
(kleine stilte)
ZIJ
Het steeds vertrekken… Het ogenblik bevend beleven… De bleekheid van de ochtenden dat men vertrekt…
Het mysterie van elk vertrek… de smartelijke onzekerheid en onbegrijpelijkheid voor dit onmogelijke universum…
een vaag gevoelen vergelijkbaar met een angst…
de mysterieuze, voorouderlijke vrees voor… het onverklaarbaar verlangen… de hunkering naar…
de verre stranden, de nabije stranden.
HIJ
Vandaag bijna twee bladzijden gelezen uit het boek van een mystiek dichter en gelachen als wie veel gehuild heeft. Mystieke dichters zijn zieke filosofen en filosofen onwijze mensen, wat mij betreft: Ik ben tevreden! Loop naar de duivel zonder mij! Waarom moeten we samen gaan?
Pak me niet bij mijn arm! Ik hou er niet van bij de arm gepakt te worden…
Ik hou er niet van!
Wat heb ik alle goden dan voor kwaad gedaan?
ZIJ (ander register) Kom…
Kom vertroostende…
HIJ
Wat een ellende dat men wil dat je gezellig bent!
‘ZIJ’ wacht op muziek. Celliste begint te spelen.
ZIJ Kom…
Kom en ruk mij uit de grond van angst en
nutteloosheid
waar ik gedij,
Pluk mij van mijn grond, vergeten madelief… Lees blad voor blad in mij ik weet niet welke lotsbestemming, ontblader mij naar uw behagen. Werp één blad van mij naar ’t noorden, Waar de steden liggen van Vandaag die ik zozeer heb liefgehad;
Werp een ander blad van mij naar ’t zuiden, waar de zeeën liggen voor de Ontdekkingsreizigers ontsloten;
Werp een ander blad van mij naar ’t westen,
waar in purper laait al wat misschien de Toekomst is
die ik aanbid zonder te kennen…
En het andere, de andere, wat van mij rest,
werp dat naar ’t oosten…
Het oosten…
Het oosten vanwaar alles komt, het daglicht en ’t geloof
Het oosten, praalziek, fanatiek en heet…
HIJ
Het mateloze oosten dat ik nooit zal zien!
Het oosten…
al wat wij niet hebben…
al wat wij niet zijn…
ZIJ
Het oosten waar – wie weet – Christus misschien nog heden leeft. Waar God misschien waarlijk bestaat en ’t al bestierend.
HIJ
Een God is niet meer dan een woord. Zoek niet, noch geloof!
Muziek stopt.
ZIJ
Kom dan…
Kom over de zeeën, over de…
HIJ (onderbreekt haar) Om Godswil!
Als ik iemand anders was, gaf ik u graag uw zin!
‘ZIJ’ bekijkt hem, verwacht iets van hem.
HIJ Lydia…
Wie ben ik het verplicht?
ZIJ
Ik wil niets!
Ik zei toch al dat ik niets wil!
HIJ
Je bent belangrijk voor jezelf, want jij bent dat wat je je voelt.
Je bent alles voor jezelf, want voor jezelf ben je het heelal…
ZIJ
Als ik zo ben…
zouden de anderen niet net zo zijn?
HIJ
O, arme ijdelheid van vlees en botten, mens geheten…
Zie je dan niet dat je (wij) werkelijk volkomen onbelangrijk bent (zijn)?
ZIJ
Wilde u mij getrouwd, nietszeggend, alledaags, belastingsplichtig?
Als ik iemand anders was, gaf ik u graag uw zin.
Loop naar de duivel zonder mij. Of laat mij in mijn eentje naar de duivel lopen t Ja…
Waarom moeten we samen gaan?
Pak me niet bij mijn arm. (‘HIJ’ pakt haar niet bij de arm) Ik wil niets!
Ik zei toch al dat ik niets wil!
Ik zal niet talmen. Ik talm nooit!
En zolang de Afgrond en de Stilte talmen…
Soms…
Soms heb ik gelukkige gedachten…
Celliste begint te spelen.
ZIJ
Soms heb ik gelukkige gedachten, gedachten…
plotseling gelukkig…in gedachten… En in de woorden waar ze zich vanzelf in losmaken…
‘ZIJ’ lijkt na te denken, neemt plotseling een beslissing.
‘ZIJ’ verlaat de scène.
De celliste speelt onzeker verder, weet niet
goed wat doen, zoekt bij ‘HIJ’ om raad.
‘HIJ’ ziet haar niet eens staan.
De celliste stopt met spelen, neemt dan de
beslissing om te blijven.
Ze kijkt af en toe in coulissen om te zien of
‘ZIJ’ niet terugkeert.
Na een tijdje – gezien ‘onvriendelijke’ houding van ‘HIJ’ – beslist ze tenslotte om weg te gaan.
Kleine stilte.
HIJ
Zij kwam, glimlachend, elegant, de voetstap ongehaast en licht, En hij, die voelt met zijn verstand, maakte meteen het juiste gedicht. Hij spreekt daarin niet over haar. Noch over hoe zij, volwassen kind, De hoek omsloeg van gindse straat, Hoek waar de eeuwigheid begint. In het gedicht spreekt hij van de zee, beschrijft de golven en de pijn
Herlezend zie ik een van twee: De hoek – ofwel de waterlijn.
‘HIJ’ gaat naar de bandopnemer, spoelt terug.
HIJ
(met fierheid omwille van het rijm)
Elegant-verstand; Licht-gedicht; Zee-twee; Pijn-waterlijn.
‘HIJ’ stopt de bandopnemer, schakelt aan en beluistert.
OFF
…van wat ik geschreven heb werd ooit voltooid één, twee, één… Kom niet tegenover me zitten, niet naast me,…enz.
LICHT UIT
MUZIEK (kleine muzikale finale)
LICHT AAN – AVOND
‘HIJ’ alleen op scène. Beluistert band.
OFF
…Het mysterie van elk vertrek…enz.
‘HIJ’ gaat naar de bandopnemer, schakelt hem uit.
HIJ
We begrijpen mekaar niet, dat weet ik wel…
Het mysterie der dingen, waar is dat? Waar is het, dat het zich niet laat zien. Althans om te tonen dat het mysterie is? Wat weet de rivier hiervan en wat de boom? En ik, wat weet ik ervan? Telkens als ik naar de dingen kijk en denk aan wat de mensen ervan denken…lach ik…
‘HIJ’ ziet de koffers van ‘ZIJ’. ‘HIJ’ gaat ernaar toe.
HIJ
Lach ik…zoals een koele bergbeek klatert over stenen.
‘HIJ’ opent één van de koffers. Zand stroomt eruit. ‘HIJ’ lijkt verveeld te zijn, wil het zand terug in de koffer duwen, realiseert zich dat
het hopeloos is, neemt het zand in zijn handen en tracht het kleine zandbergje te bereiken aan de andere kant van de scène. Zand loopt door zijn vingers op de grond. ‘HIJ’ merkt de zandsporen, tracht ze te verwijderen. Weet niet waar naartoe met het zand. Gooit het ten einde raad in het aquarium.
HIJ
De dingen hebben geen betekenis: ze bestaan. De dingen zijn de enige verborgen zin der dingen.
Welk idee heb ik over de dingen? Welke mening heb ik omtrent oorzaak en gevolgen? Wat heb ik tot nu toe bespiegeld over god, de ziel,
over de schepping van de wereld? Ik weet niet…
Voor mij is daaraan denken de ogen sluiten en niet denken…
‘HIJ’ moet wel denken omwille van het zand
‘Innerlijke constitutie der dingen… Innerlijke zin van het heelal’… Dat alles is onecht, dat alles wil niets zeggen… Het is ongelooflijk dat men denken kan aan dat soort dingen…
‘HIJ’ geeft zijn ‘avontuurlijk gevecht’ met het zand op.
HIJ
Denken aan de innerlijke zin der dingen Is overtollig!
LICHT UIT
MUZIEK (kleine muzikale intro)
LICHT AAN – ZOMERMIDDAG ‘HIJ’ is op scène.
‘ZIJ’ komt op, merkt dat ‘HIJ’ een koffer heeft doorzocht.
Schikt haar koffer terug, sluit deze. Celliste komt eveneens op.
ZIJ
Ik voel een enorme vreugde…
Welk een vrede, na zovele reizen… Hoe heerlijk kijken is het naar de koffers, starend als naar niets!
O, blauwe hemel – dezelfde van mijn kinderjaren –
Kom naast mij zitten,
Laten we rustig kijken,
en leren dat het leven langsgaat en…
HIJ
…en wij houden eikaars handen niet vast…
ZIJ
…leggen wij de handen in elkaar.
Bedenken wij vervolgens, volwassen kind’ren
dat het leven langsgaat
en niet blijft, niets nalaat en nooit weerkeert
en…
HIJ
…maken wij de handen los, ’t is niet de moeite ons te vermoeien.
Of wij genieten, dan wel niet, wij gaan voorbij als de rivier.
Beter is te weten stil voorbij te gaan…en zonder grote onrust,
zonder liefden, zonder haat, noch hartstocht…
ZIJ
Beminnen wij elkander kalm, bedenkend dat wij, als we wilden,
Elkander zouden kunnen kussen, strelen en omhelzen.
HIJ
Maar dat het beter is te zitten naast elkaar en de rivier te horen stromen en te zien.
ZIJ
Muziek a.u.b.
celliste speelt
ZIJ
Elkaar zouden kunnen kussen, strelen en omhelzen.
Plukken wij bloemen, neem ze in je hand en leg ze in je schoot
en laat de geur het ogenblik verzachten… Dit ogenblik waarin wij kalm in niets geloven…
Kleine stilte
HIJ
Pluk de bloemen maar laat ze los eer je ze hebt gezien…
Ga zitten in de zon. Doe afstand. En wees koning van jezelf.
ZIJ
Vrijwillig deed ik afstand van mijn troon…
Mij scepter heb ik neergelegd…
mijn kroon…
Geen koningskleed…
HIJ
Gisteravond stond een man uit de stad te praten in de deur van
de herberg. Hij sprak over rechtvaardigheid en de strijd voor
rechtvaardigheid, over het lijden der arbeiders, over het altijd
moeten werken en over hen die hongeren,
en over de rijken die
dit alles niets kan schelen…
ZIJ
Als ik eerst schaduw word, zul je mij herinneren
Zonder dat die herinnering je brandt of pijnigt of ontroert.
HIJ
…en over de rijken die dit alles niets kan schelen…
en toen hij mij aankeek zag hij tranen in mijn ogen
en glimlachte blij, denkend dat ik voelde de haat die hij voelde en het medelijden dat hij zei te voelen…
ZIJ
En mocht, voor mij, jij de obool gaan brengen aan de somb’re bootsman Dan zal ik niets te lijden hebben als ik aan je denk.
(kleine stilte)
HIJ
en het medelijden dat hij zei te voelen.
Nee, waar ik aan dacht terwijl de mensenvriend praatte
– en dat was wat mij tot tranen toe bewoog -Was hoe het verre geklingel der koebellen Bij het vallen van die avond Niet leek op de klokken van een kleine kapel Waar bloemen en beekjes ter misse gingen Samen met eenvoudige zielen als de mijne.
De man was uitgepraat en keek naar de zonsondergang.
Maar wat heeft met zonsondergang te maken hij die haat en liefheeft?
Ik heb nooit kunnen beminnen, voelen heb ik nooit gekund.
ZIJ
Wat mij betreft, Ik ben tevreden.
HIJ
De illusie die mij staande hield
Was slechts voor ’t voetlicht koningin…
(tot haar)
In je kleed met nacht en eenzaamheid omrand,
Met aan je voet de nieuwe zee… Ben je de een’ge vorst die werkelijk mijn wereld
houdt in de holte van je hand.
ZIJ
Niets hecht mij aan niets.
Ik wil vijftig dingen tegelijk.
Ik hunker met een drang van honger naar
vlees,
naar iets, ik weet niet wat… ik ben tevreden.
Geen koningskleed? ’t rijk is uit!
‘ZIJ’ gaat weg. Celliste gaat eveneens weg.
LICHT UIT LICHT AAN-NACHT ‘HIJ’ is op scène. Geeft eten aan het goudvisje.
HIJ
Ik geef niet om rijm. Zelden.
Trouwens…
Niets van wat ik geschreven heb werd ooit voltooid…
altijd kwamen nieuwe ideeën tussenbeide… buitengewone, onbuitensluitbare gedachten-associaties met oneindigheid als begrenzing.
(tegen vis)
Ik kijk en ben bewogen, ben bewogen zoals…
Daar in de diepte…
In het zwijgen en in het bedrieglijk licht van de diepte…
Wat een muze! Nu dan…
Vandaag dat ik alleen ben en kan zien
Met dat vermogen van het hart te zien
Wat ik niet ben, al wat ik niet kan zijn
wat ik, als ik het was, vergeefs zal zijn
Vandaag ik zeg het u
wil ik duurzaam beseffen dat ik niemand
ben…
(lijkt er niet erg in te geloven)
wil ik duurzaam beseffen dat ik niemand ben…
en van mijzelf, hooghartig, mij ontslaan wijl ik mijn feiten onderken
Ik heb gefaald in alles, zonder iets te wagen, zonder iets te doen of iets te zijn;
Noch heb ik, in de distels mijner dagen de bloem geplukt van gelukkige schijn… Rest mij…
– want ergens is de arme rijk –
als hij het maar wil weten
De grote onverschilligheid die bij mij blijft…
Ik schrijf het op om het niet te vergeten.
Vandaag…
Vandaag, eens en voorgoed besloten hebbend Ik te zijn. Ik moet leven in overeenstemming met het werk dat mij is opgelegd en derhalve
de gedachte verwerpen aan de reclame en plebejische
vermaatschappelijking van mijzelf, heb ik voorgoed het volledig
bezit herwonnen van mijn Genie en van het
Goddelijk besef van mijn
opdracht.
Vandaag…heeft een lichtschicht mij met inzicht verblind. Ik ben geboren!
Na het schrijven lees ik.
Waarom heb ik dit geschreven? Waar heb ik dit vandaan gehaald?
Ik voel overtuigingen die ik niet heb.
Alles is nacht, alles verwarring. Wat wij om ons heen zien is gelogen. Verwaaide rook, afspiegeling
Van ’t vuur en van die schittering Verhuld voor onze aardse ogen, maar deez’ of geen’ is ’t een moment Scherp schouwende, te zien gegeven in de schaduw en in haar bewegen Wat in de and’re wereld is gemeend Met het gebaar dat hem doet leven. En dan pas wordt de diepe zin van wat hier duister is hem duidelijk En zendt hij het lichaam dat van hem ging Begrepen in zijn voorstelling De intuïtie van…blik.
Van waar is dit tot mij gekomen? Dit is beter dan ikzelf!
Niet mijn, niet mijn is mijn gedicht!
Wie is ’t die wat ik schrijf dicteert?
Wie was het die, ’t mij gaf?
Zouden wij op deze wereld niets dan pennen
zijn met inkt
Waarmee iemand waarachtig schrijft wat wij hier…
(merkt zijn opwinding) …(eerder ontsteld)
En mijn verveling, al mijn verveling, dynamiek geworden… door een liefde die terugkeert… met nog een kracht genoeg om mij te trekken en mij mee te slepen…
Hoever ben ik van wat ik zoëven was! Hysterie!!
Ik voel de plundering!!!!!
Ik ga op in vervoeringen die ik afwijs! Ik voel…
(krijgt het moeilijk gezegd)
…overtuigingen…
Ik…
Wanneer ik met oprechtheid spreek, weet ik niet met welke oprechtheid ik spreek…
(stilte)
(gaat naar de microfoon, tot het publiek:) Het complexe oeuvre, waarvan dit het eerste deel is, is essentieel
dramatisch van aard, zij het verscheiden van vorm – hier prozafragmenten, in andere delen poëzie of filosofie.
Ik weet niet of de geestesgesteldheid die
eraan ten grondslag ligt
een voorrecht of een ziekte is…
Ik weet het niet !
DOEK
‘HIJ’ laat de bandopnemer terugspoelen, zet hem terug in gang en luistert.
OFF
…ik geschreven heb werd ooit voltooid één, twee, één…
Kom niet tegenover me zitten, niet naast me, kom niet… enz.
‘HIJ’ stopt de bandopnemer. Drukt de opnameknop in.
HIJ
Eén, twee.
Zeker is – in elk geval – dat de auteur van deze regels nooit één enkele persoonlijkheid heeft gehad. Eén, twee.
Aliquad cogitat ergo sum. ‘Iets’ denkt dus ‘Ik’ ben. Test!
“ZIJ’ komt op, wederom met koffers. Celliste volgt haar.
‘HIJ’ gaat naar ‘ZIJ’ toe met een pakje met strikje.
HIJ
Chocolaatjes
‘ZIJ’ negeert het pakje.
ZIJ
Zij ‘kwam’,
Als gedreven door een goddelijk instinct en…
‘HIJ’ dringt aan met zijn pakje.
HIJ
Eet op.
Heus alle religies samen leren ons niet meer dan snoepgoed.
‘ZIJ’ let niet op wat hij zegt.
ZIJ
Vrij wil ik zijn en onoprecht!
HIJ
Ik zie je hier, en nu, en ik ontwaak tot iets. De morgen rijst, de warmte gaat open, de wind siddert…
Wat zegt jou de wind die waait?
‘ZIJ’ antwoordt niet.
HIJ
Mij zegt hij veel meer.
Mij spreekt hij van velerlei dingen,
van herinneringen en verlangens.
ZIJ
Jij hebt de wind nooit horen waaien. De wind spreekt enkel van de wind
Wat jij hem hoorde zeggen was een leugen. En de leugen is in jou!
Essentieel is kunnen zien zonder te denken.
HIJ
Maar dat vereist een diepgaande studie. Eist een leerschool in verlering.
ZIJ
Een bloem bijvoorbeeld, heeft die schoonheid?
Is er soms schoonheid in een vrucht? Vooraleer ‘HIJ’ iets kan zeggen: ZIJ
(anticipeert zijn verkeerde antwoord) Nee!
Ze hebben kleur en vorm. En ze bestaan, meer niet. Schoonheid is de naam van iets dat niet bestaat.
HIJ
kon ik maar chocolaatjes eten met dezelfde authenticiteit waarmee jij eet.
Ik echter…denk!
en als ik het zilverpapier eraf haal, dat van tin is,
gooi ik alles op de grond, zoals ik ook mijn leven heb vergooid
Mijn hart is een leeggegooide emmer. Zoals zij die geesten oproepen roep ik mezelf op en vind niets…
Ik ga voor het raam staan en ik zie de straat met absolute duidelijkheid Ik zie de winkels, ik zie de trottoirs, ik zie auto’s voorbijgaan,
ik zie levende en aangeklede wezens die elkaar passeren
Ik zie de honden die, ook zij, bestaan.
En dit alles deprimeert me als een vonnis tot
verbanning.
Ik ben vandaag verslagen,
Ik ben vandaag lucide,
Ik ben vandaag perplex,
Ik ben vandaag verdeeld…
Ik ben…niets…
Ik zal ook nooit iets zijn.
Ik kan ook niet iets willen zijn…
ZIJ (alsof het logisch was) Dood je dan!
Heb geen morele scrupules, geen intellectuele angst.
HIJ
Ken je, als Hamlet, de ontzetting voor het onbekende?
ZIJ
Maar wat is bekend? Wat ken je dan wel dat je iets in het bijzonder onbekend noemt?
‘HIJ’ neemt het pakje en begint het langzaam te openen.
HIJ
Waar ik aan dacht…
In de schaduw van de Berg Abiegno
Rustte ik, het peinzen moe.
Ik zag het
Slot op hoge hoogten
In mijn dromen ging ik daar naar toe.
Misschien dat ik een dag gesterkt
In kracht of in onthechtheid, het steile pad begroeven zal
Dat naar het Slot leidt.
In de schaduw van de Berg Abiegno
Rust ik nu…
‘k zie van verre naar het Slot Maar wat ik wil ben ik vergeten…
(‘HIJ’ haalt uit het pakje een mes)
Van de schaduw van de Berg Abiegno
Wie, wie komt en slaakt mijn keten?
(‘HIJ’ drukt het mes tegen zijn borst)
Zal men mij missen?
ZIJ
O, grijp je kans.
Niemand wordt gemist en jou mist niemand.
Zonder jou loopt alles zonder jou.
Jouw bestaan is erger voor anderen dan je
verdwijnen…
HIJ
Het verdriet van anderen?
ZIJ
Heb je bij voorbaat wroeging dat ze je bewenen?
Wees gerust: ze zullen weinig wenen Levensdrift stelpt stilaan tranen.
Om te beginnen is er verrassing, dan de ontzetting voor de doodskist… de familie bij de dodenwacht, ontroostbaar en anekdoten vertellend, jammerend hoe jammer het toch is dat je gestorven bent,
En jij, simpele aanleiding tot al dit rouwbeklag
Jij, waarlijk dood, veel doder dan je denkt. Dan…de tragische aftocht naar de tombe of het graf,
En dan begint de dood van de herinnering aan jou…
Om te beginnen heerst in allen opluchting Na de ietwat vervelende tragedie van je sterven…
Dan, van dag tot dag, worden de gesprekken opgewekter
En het alledaagse leven neemt zijn plaats weer in.
Dan…van lieverlee, ben je opeens vergeten!
‘HIJ’ houdt het mes nog steeds tegen zijn borst gedrukt.
Plots geeft ‘HIJ’ het mes aan ‘ZIJ’.
‘ZIJ’ is teleurgesteld door zijn houding. ‘ZIJ’ duwt het mes van zich weg. Het mes valt op de grond en breekt.
HIJ
Gebroken is de toverspiegel waarin ik mij zag zoals ik was
‘HIJ’ raapt de stukjes op. Geeft een stukje aan ‘ZIJ’.
Chocolaatje?
Heus, er is op de wereld niet meer metafysica dan die chocolaatjes.
‘ZIJ’ neemt de chocolade niet aan. ‘HIJ’ eet er zelf van.
ZIJ
Dood ben je reeds, dood voor jouw uur.
Je ging het land op vol grote plannen. Maar daar vond je alleen gras en bomen. En als er mensen waren, waren die net als de anderen.
Genie?
Op dit moment wanen honderdduizend breinen zich in’droom genie als jij,
En de geschiedenis zal er, wie weet?, niet één vermelden,
In hoeveel zolderkamers en niet-zolderkamers op de wereld
zitten niet op dit moment genieën-voor-zich-zelf te dromen?
Hoeveel verheven, nobele, lucide aspiraties
Ja, waarlijk verheven, nobel en lucide
En wie weet realiseerbaar,
zullen nooit het werkelijke zonlicht zien noch
oren om te horen vinden?
De wereld is voor wie geboren wordt haar te
veroveren
En niet voor hem die droomt dat hij haar kan veroveren.
Je hebt meer gedroomd dan Napoleon heeft verricht!
HIJ
(neemt een ander stukje chocolade van de grond)
Gebroken is de toverspiegel..
En in elk noodlotsscherf zie ik nu slechts een
stuk van mij…
een stuk van u…
een stuk van mij…
(laat de chocolade smelten in zijn mond) Mijn kinderjaren… Zo angstig verloren…
God zou ik moeten zijn…
‘ZIJ’ verzamelt de stukjes chocolade op de grond en geeft ze aan ‘HIJ’.
ZIJ
Weer droom je…Eet die chocolaatjes… Eet op! (dwingend) Eet op!!
En laat de rest maar komen als het komt, of komen moet, of anders komt het niet!
HIJ
(onder druk, angstig)
Alleen op de verlaten kade, op deze zomermorgen
Kijk ik in de richting van de zee. Kijk ik naar het onbegrensde, Kijk ik, en zie met welgevallen hoe, Klein, zwart en duidelijk, een pakketboot binnenvaart.
En ik…
wacht op de kade…
gehoorzaam aan een indirecte opdracht.
ZIJ
(tegen Celliste) Nu!
Celliste begint te spelen.
ZIJ
Ultimatum:
Ik zal een kille drang tot misdaden stimuleren.
Tot een inquisitie zonder het excuus van het geloof.
Misdaden zonder motief, zelfs niet dat van kwaadaardigheid of drift. Begaan in koelen bloede zelfs niet om te pijnigen zelfs niet om kwaad te doen.
Zelfs niet tot vermaak maar slechts als tijdverdrijf
Enkel om het zoet genot verfoeilijke misdaden te bedrijven en er, niets bijzonders aan te vinden.
Te zien lijden tot het punt van waanzin en van dood door pijn zonder het ooit zover te laten komen.
‘HIJ’ wil haar geloven.
HIJ
I shall build thee a statue that will be
to be the continued future evidence
of thy love and thy beauty and the sense
that beauty giveth to divinity.
This picture of love will bridge the ages
It will loom white out of the past and be eter
nal
like a Roman victory
Love, love, my love!
Thou art already my God
My love, my love, my God-love
Let me kiss on thy hot lips now immortal.
ZIJ
Kus met enterhaken, zwepen, vleselijke razernij,
Jouw blijde, vleselijke angst mij te behoren Jouw masochistische verlangen jou te geven aan mijn woede
Object te zijn, inert en voelend, van mijn omnivore wereld!
Celliste begint vals te spelen. Ze heeft blijkbaar moeilijkheden met de teksten.
HIJ
Ik wil met u meegaan, ik wil met u meegaan…
(tot zichzelf)
maar mijn verbeelding weigert mij te volgen…
Ik dwing mijzelf Ik dwing mijzelf
Nog eenmaal… Nog eenmaal…
Gehoorzaam aan de wet die dwingt En stenen en mensen gebiedt Heb ik een algemeen instinct En voel ik…wat ik voel.
Ik voel teveel.
HIJ
Dwing mij
Verneder mij en sla mij
Maak mij tot uw slaaf, uw ding
En dat uw minachting voor mij mij nooit ver
late…
Onderwerp mij zoals wie een hond trapt tot hij dood is…
Celliste is gestopt met spelen, totaal uit het lood geslagen.
HIJ
En nu… En nu…
stijgt uit haar verten…
weerom…
weerom…
de overoude wijdse kreet.
De maan rijst aan de horizon En als een traan ontwaakt in mij…
(gemengde gevoelens)
mijn blijde kindertijd…
mijn verleden keert terug…
een geur, een stem,
de echo van een lied…
ZIJ
Alleen op de verlaten kade… kijkje in de richting van de zee… naar het onbegrensde…
HIJ
’t Was in het oude, stille huis aan de rivier…
Alleen op de verlaten kade…
Ik kijk van ver naar de pakketboot, met een grote onafhankelijkheid van ziel.
Vrij wil ik zijn en onoprecht!
een vliegwiel begint in mij, langzaam, te draaien…
De ochtend. De bleekheid.
De bleekheid van de ochtend dat men…
ZIJ
Ik wil met u meegaan
Ik wil uw gevaren oog in oog zien.
Op mijn gezicht de winden voelen die het
uwe gegroefd
hebben.
Van mijn lippen het zout spuwen van de
zeeën die de uwe hebben
gekust.
Mijn schouders zetten onder uw werk, deel hebben in uw beproevingen…
HIJ Ja… Ja…
met u de beschaving ontvluchten Met u de notie van moraal verliezen. Nieuwe wreedheden drinken, nieuwe tumulten in de ziel
Met u gaan, mezelf ontdoen… Weg!
Weg van mijn beschaafde kleding. ‘HIJ’ rukt zijn hemd uit.
HIJ
Mijn zachtaardigheid van optreden mijn vreedzaam leven
mijn zittende statische geregelde en overziene leven Naar zee! Naar zee! Naar zee!
O! Mijn leven te water laten… Voor mij bestaat geen wereld meer! Ik laai vermiljoen Brul in de hitte van de entering Opperpiraat! Caesar-Piraat! Ik roof, moord, snijd, scheur in stukken… Ik voel alléén de zee, de overval, de plundering
Ik voel alléén de aderen van mijn slapen In mij slaan, mij slaan…
ZIJ
Heb mij lief en haat mij!
Uw woede, uw wreedheid…
O hoe die spreken tot het bloed van een
vrouwenlichaam
welks geilheid overleeft.
De vrouw-alle-vrouwen zijn
Die werden verkracht, vermoord, verwond…
In mijn onderworpen wezen het wijfje van hen allen zijn
En dat alles te voelen – al die dingen tegelijk -tot in mijn ruggemerg
De drang tot wat volstrekt verwerpelijk is en wreed
die als abstracte geilheid knaagt aan onze zwakke lichamen
En onze lege blikken vult met grote waanzinnige koortsen…
Ah! De beestigheid van deze beestigheid…
HIJ
Schijt!
Aan ieder leven als het onze, dat niets van dit alles is.
Kijk mij hier! Ingenieur, praktisch uit noodzaak, o zo gevoelig.
Kijk mij hier, onbeweeglijk met u vergeleken zelfs wanneer ik loop. Inert zelfs als ik handel… Kijk mij hier, een zelfmoord!
zelfs als ik mijn wil opleg, een zwakkeling, statisch, gebroken, laf en afzijdig van uw glorie.
Van uw groot en snerpend, heet bloeddorstig
dynamisme!
Schijt!
Omdat ik niet kan handelen in overeenstemming met mijn delirium. Schijt!
Omdat ik altijd aan de rokken loop van de
beschaving.
Schijt! Schijt! Schijt!
Ik dwing mezelf.
Ik dwing mezelf.
Nog eenmaal.
Ik bedenk dat het interessant zou zijn kinderen op te hangen voor de ogen van hun moeders…
Ik voel me ongewild die moeders.
Nog eenmaal.
Ik dwing mezelf en roep nog eenmaal voor
mijn ogen in de ziel de
furie op van de piraterij en van de slachting,
de smaak, bijna te
proeven in de plundering…
De nutteloze slachting van vrouwen en van
kinderen.
Het zinloze ge folter alleen tot ons vermaak van arme passagiers.
En de wellust in het breken en vermorzelen van al…
Ik denk aan God.
ZIJ
Al deze tijd heb je naar niets gekeken.
Al deze tijd heb je je oog niet afgehouden
van je huis aan de rivier.
Je kindertijd aan de rivier.
De vensters van je kamer die uitzagen op de
rivier bij nacht.
HIJ
Ik herinner mij…
en tranen vallen op mijn hart…
O, mijn voorbije kindertijd, pop die men mij
gebroken heeft.
Mijn oude tante…
ZIJ
Een oude tante, die van je hield omdat ze
een zoon verloren had.
Ze zong je elke nacht in slaap.
‘HIJ’ legt zich in haar armen. ‘ZIJ’ opent haar kleed. (Ontdekking van het vrouwelijk lichaam)
ZIJ
’t Was in het oude, stille huis…aan de rivier. Soms zong ze: Het schip Catrineta.(zingt)
Ginds vaart het schip Catrineta Al over de baren der zee.
En doetje denken aan hoe weinig je aan haar gedacht hebt…
en ze hield zoveel van je…
hoe ondankbaar ben je jegens haar geweest…
‘ZIJ’ legt hem zachtjes op de grond, kruipt
dan op hem en bedrijft
liefde.
‘Was in het oude stille huis… aan de rivier…
Ik zong…
de zon zwelt…goud stijgt…
Het schip, omlijnd en afgetekend. Het schip dat koers zet… Dan vage stip aan de horizon. Stip steeds vager aan de horizon. En daarna…
Ginds vaart het schip Catrineta Al over de baren der zee…
De piraten… Het moment…
de drang…
tot wat volstrekt verwerpelijk is… wreed…
HIJ
In mijn passieve lichaam… de vrouw-alle-vrouwen zijn-Ik weet niet wat, weet niet hoeveel van u ik graag zou zijn…
Niet enkel u de vrouw zijn, u de vrouwen
zijn, u slachtoffer, niet
alleen uw zielen zijn, uw lichamen, uw furie,
het door u bezeten
zijn…meer dan dit…
God zou ik moeten zijn.
Ik ben niets, ik zal nooit iets zijn.
Ik voel ik weet niet welk absurd berouw wanneer ik hieraan denk.
Ik…
Ik roep met een bewuste wilsinspanning om deze gevoelens kwijt
te geraken. Ik roep met een wanhopige, steriele, nutteloze wilsinspanning: Ik roep: De wereld behoort aan diegene die niet voelt!
De wereld behoort aan diegene die niet voelt!
IJle duizelingen van verwarde dingen in de zielen.
Onze zielen… Tranen…
‘HIJ’ duwt haar van zich af. Nutteloze tranen… ‘HIJ’ breekt decor af.
HIJ
Proper, ordentelijk, modern als een kantoor
met geelkoperen loketten,
zijn mijn gevoelens nu normaal, correct als
gentlemen,
praktisch…
Het is intussen een gewone werkdag.
Alles begint zich te bewegen, te normaliseren.
‘ZIJ’ schikt haar kleren en gaat weg.
ZIJ
Liefde is het essentiële, Sekse het accidentele.
Die kan hetzelfde zijn, of kan verschillend zijn.
De man toch is niet dierlijk: Hij is een vlees met brein,
Schoon soms wat ziekelijk. (Celliste volgt haar)
HIJ
Goede reis, mijn arme toevallige vriend, die mij de gunst bewezen
hebt de koorts en de treurnis van mijn dromen met je mee te nemen. En mij terug te brengen tot leven, om naar je te kijken en te zien vertrekken.
Goede reis! Goede reis! Zo is het leven.
Zij kwam En ik
maakte meteen het juiste gedicht:
De dichter wendt slechts voor
Hij veinst zo door en door
Dat hij zelfs voorwendt pijn te zijn
Zijn werkelijk gevoelde pijn
En zij die lezen wat hij schreef
Voelen in de gelezen pijn
Niet de twee die hij geleden heeft
maar een die de hunne niet kan zijn.
En zo rijdt op zijn rails in ’t rond
Tot vermaak van onze rede
Die opwindtrein, in dichtermond
Ook wel ‘het hart’ geheten.
‘HIJ’ gaat naar bandopnemer en schakelt
hem uit.
Wil hem terugdraaien, maar doet het tenslotte niet.
‘HIJ’ keert zich naar het publiek.
Men herkende mij meteen als de persoon die ik niet was
en ik ontkende niet en was verloren
Toen ik mij wilde ontmaskeren
Zat het masker vast aan mijn gezicht
Toen ik het aftrok en mij in de spiegel zag
was ik reeds oud geworden
Ik wierp het masker weg en ging slapen in de
vestiaire
als een hond die wordt getolereerd door de
direktie omdat hij niet
bijt.
(stilte)
Waarom vertel ik dit?
(blijkt het gevonden te hebben)
Men zegt dat ik al wat ik schrijf of veins of lieg. Maar nee.
’t Is enkel dat gevoel bij mij
Is wat ik mij verbeeld
De hartslag doet niet mee.
Zo schrijf ik midden in
Wat niet dicht bij mij ligt
Vrij van gevoel dat bindt Ernstig om wat niet leeft Voelen?
Is voor wie leest! Waarom vertel ik dit?
(blijkt het gevonden te hebben)
Ik schrijf deze geschiedenis om te bewijzen hoe subliem we zijn.
We zijn niets.
We zullen nooit iets zijn.
We kunnen ook niet iets willen zijn.
Afgezien daarvan koesteren we alle dromen van de wereld.
Ja… Toch…
De wereld is voor hem die droomt dat hij haar kan veroveren.
Als we met de dochters van onze wasvrouwen trouwden… zouden we gelukkig zijn?
Kunt u dat vatten?
Wat is er moeilijk aan te begrijpen dat iets iets is en niet steeds
iets anders een eindje verderop?
Aldus wordend,
in het ongunstigste geval,
tot een dwaas die hardop droomt
in het gunstigste geval,
niet tot één enkele dichter maar tot een hele
literatuur,
draag ik er wellicht toe bij,
het universum te vergroten…
want hij die,
bij zijn dood,
één mooi vers nalaat,
heeft de hemelen en de aarde rijker gemaakt.
Aanvankelijk dacht ik dit complexe oeuvre,
waarvan dit het tweede
deel is, anoniem te publiceren.
want…
love’s known, each lover is anonymous.
DOEK
‘HIJ’ is alleen op de scène.
‘HIJ’ staat bij de bandopnemer, speelt met
de knoppen.
Schakelt bandopnemer dan aan.
OFF
…ik geschreven heb werd ooit voltooid één, twee, één…
Kom niet tegenover me zitten, niet naast me, kom niet één, twee.
Zeker is – in elk geval – dat de auteur van
deze regels nooit één
enkele persoonlijkheid heeft gehad. Eén,
twee. Aliquad cogitat ergo
sum, ‘Iets’ denkt dus ‘Ik’ ben…Chocolaatjes,
kleine meid!
Eet die chocolaatjes! Eet op…Ken je als
Falstaff de vettige
liefde…
‘HIJ’ stopt de bandopnemer, wil iets zeggen door microfoon. ‘ZIJ’ komt op, Celliste volgt moeizaam.
HIJ
Kom vertroostende, Voetje voor voetje, aloude verpleegster Gij die troost brengt,
Griekse godin gedacht als standbeeld maar dan levend
Romeinse matrone, onvoorstelbaar nobel en noodlottig,
prinses der troubadours, gracieus in kleurige gewaden,
achttiende-eeuwse markiezerin, gedecolleteerd, gedistantieerd, Beroemde cocotte uit de tijd van onze vaders,
of iets moderns-wat, weet ik niet -dat alles, wat het ook zij dat ge mag zijn, als het kan inspireren, laat het dan inspireren!!
‘ZIJ’ negeert hem volledig.
Ze draagt twee sabels + kussen + windel +
enz…
‘HIJ’ weet wat er gaat gebeuren. Neemt uit haar armen de langste sabel. Hij bekijkt hem lang.
HIJ
Oud speelgoed mijner dromen…
Ik zal de weg wijzen! Ik!
In de politiek:
Totale afschaffing van de idee van democratie conform de Franse Revolutie, volgens welke idee twee mensen harder hollen dan één, hetgeen onjuist is. In de kunst:
Totale afschaffing van de idee dat elk individu het recht of de
plicht heeft uit te drukken wat hij voelt. De grootste kunstenaar
zal zijn hij die zichzelf het minst definieert en die schrijft in
het grootst aantal genres met de meeste tegenspraken en tegenstrijdigheden.
Ik verkondig dus de noodzaak van de komst van het Mensdom der Ingenieurs. Meer nog!
Ik garandeer de komst van het Mensdom der Ingenieurs.
Ik verkondig voor de nabije toekomst, de wetenschappelijke schepping der supermensen.
De supermens zal zijn niet de sterkste maar de meest complete,
De supermens zal zijn niet de hardste maar de meest complexe,
De supermens zal zijn niet de meest vrije maar de meest harmonische! (buiten adem)
Wolken. Vandaag zijn zij voor mij de belangrijkste werkelijkheid. Zij houden mij intens bezig.
‘ZIJ’ ondertussen slaat geen acht op hem. ‘ZIJ’ bereidt haar zelfmoord voor. ‘HIJ’ bekijkt even haar voorbereidingen.
Ik weet niet welk lot of welke toekomst onze
stuurloze wanhoop
past,
noch welke eilanden van het onmogelijke zuiden wachten op onze schipbreuk.
Ik weet niets.
In het diepst van mijn geest, waar ik droom wat ik gedroomd heb,
in de verste velden van mijn ziel, waar ik nodeloos herdenk
(en het verleden is een natuurlijke mist van valse tranen)
Op de wegen en de paden van de verre wouden
waar ik mijn bestaan veronderstelde, vluchten ontredderd, laatste resten van de allerlaatste illusie…
Mijn gedroomde legers, verslagen zonder geweest te zijn.
(tot ‘ZIJ’)
Weer zie ik u terug,
maar mij, mijzelf, zie ik niet terug.
‘ZIJ’ slaat geen acht op ‘HIJ’, op wat ‘HIJ’ zegt.
‘ZIJ’ bereidt haar zelfmoord verder voor.
‘HIJ’ bereidt zijn bijdrage voor. d.w.z. eens ‘ZIJ’ seppuku heeft gepleegd moet ‘HIJ’, om de pijn in te korten, haar hoofd afhakken.
‘HIJ’ plaatst zijn sabel tegen haar nek en probeert enkele malen de beweging uit.
HIJ
Meester,
Mijn zeer geliefde meester,
Hart van mijn geest en van mijn hele lichaam,
Mijn hart heeft niets van jouw serene rust geleerd,
Mijn hart heeft niets geleerd…
Waarom heb je mij geroepen naar de hoogste bergtop…
Als ik, geboren in de steden van de vallei, niet kon ademen…
Ik ben technicus, maar alleen technisch binnen mijn techniek.
‘ZIJ’ heeft een windel rond haar midden gespannen. ‘ZIJ’ neemt een kleine sabel die ze naar haar buik brengt. ‘ZIJ’ wacht op hem.
HIJ
Ik ben technicus, maar alleen technisch binnen mijn techniek.
Daarbuiten ben ik gek, met alle recht om het te zijn, verstaan!
‘HIJ’ verwijdert zich van haar. Keert haar de rug toe.
HIJ
Waanzinnig, zeker, want ik wilde grootheid
Zo als ’t fatum die niet geeft
Te veel was mij mijn zekerheid
Daarom is in het zand gesneefd
Mijn wezen dat geweest is, niet dat leeft.
Mijn waanzin zij anderen toegewenst
Met al wat aan haar kleeft
Wat meer, zonder de waanzin, is de mens
dan een verzadigd beest,
zich voortplantend kadaver dat nog leeft?
Waanzinnig, zeker, want ik wilde grootheid maar…
Mijn zwaard is zwaar
mijn armen zijn ontkracht…
‘HIJ’ laat de sabel vallen en bekijkt het.
HIJ
Er is tussen de wereld en mij een nevel die
me belet de dingen
te zien zoals ze werkelijk zijn…
Elke dag ben ik eenzamer, verlatener. Gaandeweg breken alle banden. Binnenkort zal ik alleen zijn. Ik ben niets.
‘ZIJ’ drukt de punt van de korte sabel tegen zich aan en wacht.
Na een tijdje kijkt ze naar hem toe en fluit op een korte en gebiedende manier. ‘HIJ’ kijkt om. ‘ZIJ’ kijkt terug voor zich uit.
(kwaad)
Dat is geen vrijheid! Dat is tirannie!
ZIJ
Nee!
Hulpverlening!
HIJ
Dat is de vrijheid om te tiranniseren, wat het tegendeel van vrijheid is.
(tracht haar te overtuigen)
Dat is juist wat we het meest moeten zien te
belemmeren en te bestrijden
Daarom moeten we kiezen voor de theorieën van de Ware Anarchist, (wil zichzelf ook overtuigen) Wat is de manier om vrijheid te verwerven? Alle sociale ficties geheel en al vernietigen! Hoe kan men alle sociale ficties geheel en al vernietigen?
Door een sociale revolutie, plotseling, abrupt overrompelend.
Onze revolutie zou bij voorkeur een wereldrevolutie moeten zijn.
ZIJ
Ik mag doodvallen als ik hier iets van begrijp.
HIJ
(als een verantwoording)
Ik voelde revolte in mij.
Ik wou mijn revolte begrijpen.
Ik wou dus een bewust en overtuigend Ware
Anarchist worden.
ZIJ
De werkelijkheid heeft ons niet meer nodig.
‘ZIJ’ kijkt terug voor zich uit, plaatst de kleine sabel tegen haar buik en wacht, ‘HIJ’ komt dichterbij, kijkt naar zijn sabel die op de grond ligt. Raapt de sabel op, na enige twijfel.
HIJ
Ik heb – toen ik voelde dat ik dit intense en infantiele verlangen
kon en ging bedwingen – mijn kalme inbezitneming van mijzelf erkend.
Lydia…
Het is nu misschien tijd dat ik zeg wat soort mens ik ben.
Door mijn eigen natuurlijke neigingen, door
de omgeving van mijn
vroegste levensjaren, door de invloed van
studies, door dat alles
ben ik van de verinnerlijkte soort karakter,
egocentrisch, zwijgzaam,
niet zichzelf genoeg, maar zichzelf verloren
hebbend. Mijn gehele
leven is er een geweest van passiviteit en
droom.
Niets van wat ik geschreven heb werd ooit voltooid. Mijn geesteskarakter is zodanig dat ik een afkeer heb van het begin en eind van dingen, omdat het geen vaste punten zijn. Ik heb geen principes. Vandaag verdedig ik het één, morgen het ander. Maar ik geloof niet in wat
ik dan zal verdedigen. Spelen met ideeën en met gevoelens heeft
me altijd een bestemming geleken van de allerhoogste schoonheid.
‘ZIJ’ luistert niet naar hem, keert zich naar de celliste en gebaart haar om te spelen. De celliste weet niet goed wat ze moet doen. De situatie lijkt haar onecht. Ze speelt nochtans.
‘HIJ’ plaatst de sabel in haar nek. ‘ZIJ’ heft haar korte sabel op.
ZIJ
Houding om houding, beter de edelste, de
kalmste en de verhevenste.
Pose om pose, de pose te zijn die ik ben!
‘ZIJ’ pleegt zelfmoord.
‘HIJ’ bekijkt haar doodstrijd zonder haar
pijn te verlichten.
HIJ
Poet’s love is this:
I love my love for thee more than I love thee!
“HIJ’ gooit zijn sabel zwaarmoedig weg. ‘ZIJ’ sterft.
Lange stilte.
HIJ
God zij geprezen dat ik geen goed mens ben,
en het natuurlijk egoïsme heb der bloemen
en van de rivieren die hun weg gaan
Bezig beide, zonder het te weten
Met niets dan bloeien en met bijven stromen
Dit is de enige opdracht in de wereld
Deze: duidelijk bestaan.
en dat te doen zonder eraan te denken.
‘HIJ’ gaat naar de bandopnemer en stopt hem.
Draait even terug en laat hem spelen.
OFF
Dit is de enige opdracht in de wereld Deze: duidelijk bestaan.
‘HIJ’ stopt de bandopnemer, plugt alle stekkers uit en plaatst de bandopnemer in de visbak.
‘HIJ’ lijkt eerder opgewekt.
HIJ
Ik ben altijd verbaasd als ik iets heb voltooid. Ik ben verbaasd.
Mijn zin voor perfektie zou mij moeten verhinderen iets te voltooien, zij zou mij zelfs moeten verhinderen ergens aan te beginnen, maar ik denk daar niet aan.
(‘HIJ’ steekt een sigaret op)
Ik steek een sigaret op, – eindelijk –
en in de sigaret proef ik de bevrijding van
alle gedachten
Ik volg de rook gelijk een eigen weg En in een passend en gevoelvol ogenblik geniet ik
de bevrijding van alle speculaties
En ik ga door met roken…
Zolang het lot het mij vergunt zal ik doorgaan met roken…
Men HOORT muziek:
Orkest-versie finale van Tales of Hoffmann.
Celliste komt op (zonder cello)
‘HIJ’ rookt gewoon verder.
Tekst O perafinale: La Muse:
Et moi? Moi, la fidèle amie dont la main essuya tes yeux? Par qui la douleur endormie s’exhale en rêves dans les cieux? Ne suis-je donc rien?
Que la tempête des passions s’apaise vers toi! L’homme n’est plus: renais poète! Je t’aime, Hoffmann! Appartiens moi!
Hoffmann:
Comme des astres radieux! Et je sens, ô ma Muse aimée passer ton haleine embaumée sur mes lèvres et sur mes yeux! Muse aimée, je suis à toi!
Muzikale finale
DOEK
Paul Pourveur naar teksten van Fernando Pessoa
Fernando Pessoa: Gedichten, vertaling August Willemsen. Uitgeverij De Arbeiderspers.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.