Baardvrouwen, Speeltheater Gent / Ingeborg Lievens

Marleen Baeten

Leestijd 7 — 10 minuten

Twee meisjes met een baard en kinderbrieven uit Vucovar

Baardvrouwen en Achter glas zijn twee totaal verschillende produkties maar ze getuigen allebei van de artistieke visie van het Speeltheater, aldus Marleen Baeten.

Eind maart werd in Gent de Kopergietery feestelijk geopend. Na vijftien jaar heeft Eva Bals Speelteater eindelijk een vaste stek. Dat biedt meteen de ruimte (ook letterlijk) om meer aan te bieden dan de eigen produkties en de theaterateliers. De Kopergietery zal fungeren als een kunstencentrum voor een jong, nieuwsgierig publiek. Er wordt dus ook receptief geprogrammeerd en de focus verruimt zich van theater en dans naar film, video, beeldende kunst, muziek…

Je zou de Kopergietery het eerste kinderkunstencentrum in Vlaanderen kunnen noemen, was daar niet die bijklank van ‘kinderreservaat’. Openheid is immers altijd een waarmerk geweest van het Speelteater: discipline-overstijgende produkties, met diverse invalshoeken en over uiteenlopende thema’s, door professionele acteurs en/of niet-professionele jongeren, voor een publiek vanaf een bepaalde leeftijd, maar zónder beperking naar boven. De twee eigen produkties die reeds voor de officiële opening in première gingen, zou je als een programmaverklaring kunnen zien. Achter Glas en Baardvrouwen zijn totaal verschillend maar getuigen van eenzelfde artistieke visie.

Baardvrouwen

Eva Bal liet een foto van twee meisjes met een baard zien aan striptekenaar Kamagurka en vroeg hem een tekst te schrijven over deze twee baardvrouwen. Kamagurka, die al enkele stukken voor volwassenen schreef, besloot een sprookje te schrijven. Zelf leest hij zijn kinderen graag sprookjes voor ‘omdat ze gruwelijk en grappig zijn’.

Omdat hij de voorstelling toegankelijk wou maken voor mensen vanaf vijf jaar, hield Kamagurka de dominante verhaallijn helder en binnen de verwachtingen van een sprookje. De hoofdfiguur, Bollekop, ontmoet een houthakker die hem vraagt om zijn drie dochters te zoeken in een ver land. Na een avontuurlijke reis verneemt hij dat de koning de drie meisjes geofferd heeft aan de draak die het land terroriseert met zijn stinkende adem. Door creatief gebruik te maken van zijn specifieke fysionomie en van een verdoving bij de tandarts én geholpen door een deurknop met toverkracht slaagt Bollekop erin de dochters te bevrijden uit de buik van de draak.

Terwijl de jongste kinderen zich vol spanning inleven in het verhaal, genieten de iets oudere kinderen vooral van de nevenverhalen waarin Kamagurka’s beeldende fantasie ongebreideld aan bod komt: een vliegende boom met op een van zijn takken een vogel die roept ‘ik vlieg!’, een vijver die door de wind wordt opgepakt waardoor de vissen verschrikt naar water happen, het hoofdpersonage dat in de woestijn van haring naar haring springt om zijn voeten niet te verbranden aan het gloeiendhete zand… Het surrealisme is nooit ver weg. De absurde humor ook niet.

Het is in de eerste plaats de humor, waarvan het absurde dikwijls in het spelen met taal en vertellen ligt, die deze voorstelling ook tot een feest voor volwassenen maakt. Zo heeft Kamagurka van zijn hoofdpersonage ook letterlijk een ‘hoofd’-personage gemaakt: Bollekops hoofd zo groot dat het niet in zijn huisje kan. Dit gegeven zorgt voor enkele leuke dialogen (b.v. de houthakker heet hem welkom naast zijn huisje) en voor enkele sturende elementen in het verhaal (b.v. hij ademt de rook van de schoorsteen in waardoor zijn kop een ballon wordt, zodat hij over de bergen kan vliegen). De humor werkt dikwijls louter associatief. Op de vraag van de houthakker om zijn drie (verloren) dochters te worden, antwoordt Bollekop bijvoorbeeld: ‘Ach, waarom niet, ik heb toch altijd al twee zussen gewild.’

Door het verhaal zo sterk te bevolken met beelden en door de humor nauw te verbinden met taal verleent Kamagurka zijn sprookje een onverwachte poëzie. Minstens even onverwacht is het slot van het verhaal. De twee baardvrouwen die het hele verhaal van Bollekop verteld hebben blijken twee van de drie dochters van de houthakker te zijn. De derde was ook heel de voorstelling lang aanwezig op de scène: haar lange baard golfde uit een wieg die de twee baardvrouwen al eens van plaats veranderden.

In de enscenering van Eric De Volder staat die wieg op een helgeel tapijt, het speelvlak van de twee actrices. Er ligt een houten blokje om de klop op de deur na te bootsen en er hangt een touwtje om het licht aan en uit te doen bij begin en einde van de voorstelling. Verder niets.

Het vertellen staat centraal in deze produktie. Een hele uitdaging voor Ingeborg Lievens en Lies Pauwels, die wel hulp krijgen van een suggestieve geluidsband (Johan De Smet).

De twee actrices zijn wel geen geboren vertellers maar slagen er toch in om de fantasie van de toeschouwers te prikkelen. Zonder illustrerend te zijn gaan ze elk op hun manier het spel aan met de tekst, waarbij ze hun binnenpretjes niet verstoppen voor het publiek. Zeker in een niet te grote zaal als de Kopergietery (180 tot 200 plaatsen) werkt dat ongecompliceerde spelplezier aanstekelijk.

Achter glas

Achter glas is een heel ander soort produktie. Geen beroepsacteurs, maar liefst zestien jongeren tussen negen en twintig jaar. Hun uiterlijk bevestigt de diversiteit die hun namen al deden vermoeden: Michaël, Sauad, Griet, Habiba, Guillaume, Anton, Jihani, Leen,… Dans en beweging, muziek en tekst: in Achter glas worden diverse disciplines nauw met elkaar verbonden.

Aan het begin van de voorstelling zien we een jongen achter een raam dat uitkijkt over de scène, die op enkele zuilen en een hoopje karton na leeg is. De jongen ademt tegen het glas en zegt hardop wat hij op het raam lijkt te schrijven. Het zijn onsamenhangende flarden. Na één of twee zinnen zegt hij telkens ‘nee’ en veegt ze uit. ‘Ik mag niet vergeten wie ik ben,’ herhaalt hij enkele keren. Ondertussen zijn de jongeren beneden één-twee-drie-piano aan het spelen tussen de zuilen.

Concept en regie zijn van Eva Bal. Eén inspiratiebron is het artikel over het recht op een eigen naam, op een eigen identiteit, uit de Verklaring van de Rechten van het Kind. Twee seizoenen lang al werkt het Speeltheater met zes Europese jeugdtheaters samen rond de problematiek van de Rechten van het Kind. Elk gezelschap werkt aan een voorstelling met één van de artikels uit genoemde verklaring als centraal thema. In juni zullen leden van de zes gezelschappen gedurende twee weken in de Kopergietery samenwerken aan een produktie.

Een ander vertrekpunt voor Achter glas zijn momenten van ontreddering en verwarring, ‘wanneer in je hoofd alles lijkt los te schieten en je geen oorzaken of verbanden meer ziet’. Wat gaat er om in het hoofd van een jongen die van achter een raam naar het leven op straat kijkt? Hoe moet een kind wiens huis in de oorlog verwoest werd verder? Na enkele gesprekken met de jongeren die zouden meespelen schreef Heieen Verburg spaarzame, maar zeer indringende teksten. Een voorbeeld: ‘En dat ik klein zal zijn. Zo klein dat denken niet meer kan. En dat ik opgeslokt zal worden door een mug’.

Deze teksten werden aangevuld met fragmenten uit brieven van kinderen uit Vucovar, waarin de oorlogswaanzin zeer tastbaar aanwezig is. ‘Ik droomde mijn mama. Ik zei haar dat ze een baby geboren moest worden en mijn mama deed het. En toen de tanks kwamen was de baby dood.’ ‘Ik heb over god gedroomd. Er was een deur daar. Er stond een jongen voor. Ineens vloog er een kogel dwars door de deur. Toen deed God de deur open. En hij schreeuwde tegen de jongen.’

Sommige teksten worden gezongen. Meestal worden ze gewoon uitgesproken door één van de jongeren die voor die gelegenheid achter een microfoon op het hoopje karton gaat staan. Het af en aan gaan op de scène verandert er niet door. Niemand houdt halt om te luisteren. Of iemand zijn stem gebruikt of niet, men gaat verder met blindemannetje spelen, met mekaars danspasjes na te bootsen, met mekaar uit te dagen, mekaar te bespringen, mekaar te ontvoeren. De steeds terugkerende motieven in de muziek van Paul Carpentier onderlijnen de onontkoombaarheid van de nachtmerrie.

De choreografie van Ives Thuwis suggereert de dubbelzinnigheid van het menselijk samenleven. Het bewegingspatroon van onschuldige kinderspelletjes moet slechts een kleine wijziging, b.v. van tempo, ondergaan om een wereld van angst, sluipen en vluchten op te roepen. Mekaar uitdagen in het spel ontaardt onverwacht in mekaar vermoorden. In eenzelfde gebaar liggen sensualiteit en gevaar besloten. Het feit dat die vele kleine choreografieën schijnbaar los staan van mekaar benadrukt de verscheurdheid. Slechts nu en dan is er even sprake van een choreografie voor de hele groep en die spreekt boekdelen: in een eindeloze sliert verplaatsen de acteurs zich in de pas achter elkaar. Hun cadans houdt het midden tussen zweven en marcheren.

De enige figuur van wie de toeschouwer de naam kent is de jongen achter het glas. Hij heet Alessandro Manoi, heeft intussen zijn toren verlaten en tracht vruchteloos aan te sluiten bij de naamloze mensenstroom. Heel de voorstelling lang dwaalt hij wezenloos rond temidden van de chaos. Naar het einde van de voorstelling toe vragen geblinddoekte jongeren hem waar zijn huis is, zijn oma, zijn vluchtfazant, zijn vriend, zijn dagboek, zijn paarden, zijn naam. ‘Weg,’ antwoordt hij telkens en bindt zich ook een blinddoek voor. De anderen nemen hun blinddoek af en bestoken hem met hard afgerammelde tafels van vermenigvuldiging. Het tellen gaat al gauw over in verstoppertje spelen. Enkele kinderen lezen voor uit een boek. ‘Eerst vergeet je naar huis te gaan. Dan vergeet je je naam. En dan vergeten ze jou,’ leest één van hen.

Het allerlaatste beeld: Alessandro Manoi wordt in de rug besprongen door een grotere jongen. Is het agressie of mededogen dat hem drijft? Is Alessandro Manoi nu beter af dan in zijn isolement? Suggereert het Speelteater dat elke vorm van contact zowel kansen als gevaren inhoudt? Dat dit de enig mogelijke manier is om een naam te krijgen, om een identiteit te ontwikkelen?

Gevoelsdramaturgie

Beelden die een realiteit suggereren, bewegingen die gevoelens oproepen. Een impressie van verscheurdheid en chaos. Een titel die meer zegt over het kijk- en belevingsperspectief dan over wat er te zien is. In Achter glas wordt een aantal verhalen verteld zonder hoofdtitel.

Alexander Kluge noemt dit ‘cirkelvormig vertellen’ (zie Theaterschrift 5-6). Achter glas is een ‘ring van vertelling’ rond een kern die je zou kunnen beschrijven als een wonde of een kwetsuur. De verhalen kunnen vertrouwd zijn of vreemd, bewust of onbewust. De rode draad, de ordenende samenhang is vervangen door een pluraliteit in perspectief. Dit is geen inlevingstheater, maar theater dat affecten bereikt. Beide theatervormen maken op hun manier gebruik van de vertelvorm, maar omdat de inlevingsdramaturgie alles reduceert tot de maat van het menselijke verstand krijgt ze geen toegang tot bepaalde aspecten van de werkelijkheid. De gevoelsdramaturgie beweegt zich buiten het naturalisme, op het ongeordende domein van het imaginaire, daar waar soms het begin ligt van een daad die de realiteit kan veranderen. Bij het zien van Achter glas groeit echter het besef dat het imaginaire evengoed een toevluchtsoord is voor bepaalde delen van de werkelijkheid die hun onbewustheid gewoon afgedwongen hebben: soms door censuur en taboes, soms omdat het onmogelijk is om wat men weet of ziet te begrijpen.

Achter glas is een associatieve aaneenschakeling van beelden, muziek en tekst-flarden. De toeschouwer wordt uitgenodigd om zijn gangbare manier van kijken – identificerend, selecterend, beoordelend en beheersend – even opzij te zetten. Deze voorstelling vraagt een zekere ‘ontruiming’ van de geest. Hier bepaal jij niet op voorhand de vragen en nog minder de antwoorden. De door waarneming bemiddelde ervaring bevraagt jou.

Erratum

In Doink! Klein alfabet van het kleutertheater, verschenen in de vorige Etcetera, is onder het lemma Semiotisch-symbolisch een fout geslopen: de titel De dagen is daar op mysterieuze wijze vervangen door de titel van een andere voorstelling die in hetzelfde ABC werd besproken, nl. Het Fluwelen Konijn. U had moeten lezen: ‘Een tweeslachtige voorstelling op dit vlak is De dagen.’ En even verder: ‘…juist de dagen van de week zijn door de meeste 5-6 jarigen gekend.’ Onze excuses aan de auteur en aan de gezelschappen.

artikel
Leestijd 7 — 10 minuten

#45

15.04.1994

14.07.1994

Marleen Baeten

Marleen Baeten is lesgever in Open School Leuven en freelancer in de kunstensector.

artikel