‘Stills’ Nils de Coster

Jeroen Versteele

Leestijd 6 — 9 minuten

Tristesse op de weegschaal

How heavy are my thoughts: Ivana Müller verdrinkt in onderzoek

‘Is er nog gedanst geweest?’ Een man naast mij ontwaakt knorrend terwijl een voorzichtig applaus de Britse performer Bill Aitchison op het nippertje overtuigt toch nog maar eens te komen groeten. Zijn vrouwelijk gezelschap zegt niets maar trekt haastig haar jas dicht. Nochtans, Aitchison heeft in het begin van de voorstelling vriendelijk zijn excuses aangeboden voor de afwezigheid van Ivana Müller, de Kroatische danseres die op het programma stond met haar nieuwe voorstelling How heavy are my thoughts. Ze kon jammer genoeg niet aanwezig zijn, maar omdat hij zo vertrouwd was met haar body of work en met het onderzoek dat haar de laatste maanden had begeesterd, zou hij haar performance vervangen door een lezing, gedocumenteerd met gefilmd archiefmateriaal.

Artistiek onderzoek: elke zichzelf respecterende kunstenaar doet het tegenwoordig in het openbaar. Werkprocessen worden ontsloten, proefmethodes beschreven, wetenschappelijke discoursen en referenties uit verschillende paradigma’s aangeboord, repetitieruimtes omgedoopt tot laboratoria, tussentijdse resultaten gepresenteerd en geëvalueerd. How heavy are my thoughts is een fictionalisering van zo’n onderzoek, waarin Ivana Müller wil achterhalen hoe zwaar haar gedachten eigenlijk zijn. Aanvankelijk doet ze dat, zo blijkt uit de nauwkeurig genummerde en gedateerde documenten waarmee Aitchison het project voorstelt, op hardcore wetenschappelijke wijze. Ze begint met empirische proefnemingen waarbij ze languit op een balans gaat liggen en merkt dat die steeds in de richting van haar hoofd kantelt, zo gauw ze aan iets sombers denkt. Of dat haar hoofd op een weegschaal bij de gedachte aan haar schulden iets meer blijkt te wegen dan wanneer ze zich verbeeldt dat ze ligt te masturberen op haar favoriete strand. Ze laat hersenscans maken tijdens verschillende gemoedsgesteltenissen. Aan de cognitieve psycholoog W.A. Wagenaar stelt ze de vraag of ideeën zich ook in andere lichaamsdelen dan het hoofd kunnen ontwikkelen, terwijl de fysicus en ruimtedeskundige Prof. T. Siemsen Einsteins energieformule aanwendt om voor haar te berekenen dat ze een punt heeft wanneer ze vermoedt dat gedachten nooit kunnen verdwijnen. In al haar rationele absurditeit is dit onderzoek een extreem geval van een project ‘where theatre meets science and science meets theatre‘, zoals het Aitchison zélf op een gegeven ogenblik in zijn betoog ontsnapt, very tongue in cheek.

De Domzaal in de Gentse Vooruit zette het mockery-gehalte van dit ‘artistiek onderzoek’ extra in de verf. Het tafeltje waaraan Aitchison zijn uiteenzetting hield en het dia-scherm waarop de videobeelden werden geprojecteerd, verdronken er in het grote, voor de rest onbelichte speelvlak. Helemaal anders was het de avond voordien, toen de voorstelling plaatsvond in het STUK. Daar sprak Aitchison het publiek toe in het kleine, pittoreske auditorium van de K.U.Leuven. Achter zijn katheder in het middelpunt van die steile halve cirkel vol smalle houten bankjes, paste hij volledig in het plaatje. Wat de klassiek gepresenteerde performance verloor aan contrast met typische performance spaces en de verwachtingen die die opwekken, won het hier aan charme en, belangrijker, het was gemakkelijker je in de fictie te verplaatsen waarin Aitchison de bizarre studie van Ivana Müller voorstelt. Want dat is deze performance uiteindelijk: een vertelling over de zoektocht van een vrouw. In het begin van de performance geeft Aitchison daartoe zelf een belangrijke aanwijzing: hij deelt mee dat hij Ivana Müller, wiens close-up op dat ogenblik in beeld verschijnt, voortaan zal benoemen als I.M., ‘I am‘. Een knipoog naar de descartiaanse gevolgtrekking ‘ik denk, dus ik ben’. Deze opening bezorgt I.M. tevens de allure van een literaire heldin in een Bildungsverhaal, of een Victoriaans personage on the verge of self-awakening… Aitchison omschrijft de inhoud van Müllers documenten dan ook als een ‘reeks van gebeurtenissen die haar leven zouden veranderen’, en vermeldt wat later dat ze tijdens haar onderzoek ‘steeds meer vrienden kreeg in de wetenschappelijke wereld en dat ze intussen zelfs met een wetenschapper getrouwd is’…

De geloofwaardigheid die de auditoriumomgeving de performance helpt te ontwikkelen -je bent niet aan het kijken naar een enscenering van een fictief onderzoek dat zich in een zwarte doos afspeelt, in de bankjes lijk je daarentegen zelf wel in de fantasie te zitten- maakt het gemakkelijker helemaal mee te gaan in het verhaal waarin I.M. de hoofdrol speelt en dat steeds verder afdwaalt van de afhankelijke hyperwetenschappelijke denkkaders en puur conceptuele spelletjes met de letterlijke interpretatie van de uitdrukking ‘zware gedachten’. Steeds dieper verzinkt ze in metafysische, bijgelovige, soms ronduit hilarische experimenten. Ze bestudeert de middeleeuwse filosoof John Duns, die de ‘Dunce Cone’ (een punthoed die veel van een feestmutsje wegheeft) introduceerde om de gedachten van zijn leerlingen op één centraal punt te concentreren. Ze probeert lastige vragen tot heldere antwoorden uit te zuiveren door bij elke vraag een glas graan-wodka leeg te drinken, springt op en neer op een trampoline in de hoop zware en lichte gedachten van elkaar te scheiden, staart naar een witte muur om haar hoofd leeg te maken. Ook toont Aitchison een document met de titel I want to know for sure, dat helemaal geen proefneming meer toont, maar een spiernaakte I.M. die, oerkreten slakend, door een schapenwei rent, over grachtjes huppelt, molenwiekt met haar armen. ‘Hier,’ zegt Aitchison terwijl hij even het beeld stilzet, ‘in die houten hut in de verte, verborg I.M. zich in deze periode. Ze had toen nog maar weinig contact met haar vrienden.’

De vraag die aan de basis van deze performance ligt, ‘how heavy are my thoughts?‘, is net zoals ‘hoe diep is mijn geloof?’ één die voortkomt uit het figuurlijke gebruik van de woorden ‘zwaar’ en ‘diep’ in de uitdrukkingen ‘zware gedachten’ en ‘diep geloof’, terwijl het ook strikt wetenschappelijk gebruikte termen zijn. Anders dan ‘diep geloof’ is ‘zware gedachten’ echter dubbelzinnig te interpreteren vermits gedachten, of dan toch hoofden, hersenen en eventueel zwaarmoedige lichamen, ook in wetenschappelijke zwaarte kunnen worden uitgedrukt. Het pseudo-onderzoek dat I.M. onttrekt aan deze dubbelzinnigheid, is spitsvondig en steekt zoals gezegd vrolijk de draak met hedendaagse kunstpraktijken. Het verhaal van I.M., wiens zoektocht in plaats van op te schieten alleen maar verder uitwaaiert, overstemt echter deze conceptuele en metafictionele spelletjes. Behalve aan de aanwijzingen die Aitchison daartoe geeft (de benoeming als I.M., de details over haar persoonlijke leven tijdens het onderzoek) en het narratieve verloop van de experimenten, ligt dat vooral aan I.M.’s eigen klaarblijkelijke zwaarmoedigheid. In de allereerste plaats stelt ze zich in How heavy are my thoughts deze vraag in haar figuurlijke betekenis. De titel van het stuk bevat geen vraagteken, en zo valt hij ook te interpreteren, als een zucht: ‘hoe zwaar zijn mijn gedachten toch’. Ie vraagt je inderdaad van bij de eerste close-ups af wat er scheelt met deze vrouw. Haar vermoeide gezicht, de wallen onder haar ogen en een donkere plek in haar nek laten er geen twijfel over bestaan: wetenschap zal haar worst wezen, ze wil weten wat haar zo neerslachtig maakt. Het kadert meteen de lusteloze koppigheid waarmee ze haar proevenparcours afwerkt en uiteindelijk steeds waanzinniger wordt. Het contrast met de opgewekte uitleggerigheid van Aitchison is treffend, en versterkt de onderhuidse, ‘weggemoffelde’ gevoelslading die doorheen deze performance deemstert.

De fysieke verschijning van Ivana Müller op video speelt een grote rol in deze constante ondertoon van melancholie. Ze injecteert de nauwelijks verholen constructie waarin ze zit, met beelden waarin ze echte ervaringen beleeft. Bij close-ups van haar bedrukte gezicht kan je dat alleen maar vermoeden (of aan veel acteertalent wijten), maar wanneer je I.M. tien glazen wodka ziet binnen-gieten en daarna tegen de vlakte gaan, wordt de combinatie van waarheid en leugen best wel aangrijpend. Wanneer Aitchison tijdens het tonen van het trampoline-experiment de video stilzet op het ogenblik dat I.M. haar hoogste punt bereikt en, volgens haar eigen theorie althans, enkel lichte gedachten in haar hoofd heeft, kan je hem alleen maar gelijk geven als hij zegt dat de gelukzaligheid van haar gezicht is af te lezen. Behalve de lichamelijke uitstraling van I.M. is het ook de aard van sommige proeven die suggereert dat How heavy are my thoughts niet alleen maar scherpzinnig en taalfilosofisch hoeft opgevat te worden, maar dat de poëtische lading minstens even groot is. Het experiment waarbij I.M.veronderstelt dat gedachten in de lucht blijven hangen en kunnen worden opgepikt -energetische ladingen kunnen immers ook niet verdwijnen- is bijvoorbeeld prachtig. Ze betreedt een lege kamer, voordien nog volgestouwd met allerhande objecten, alleen maar om zich af te vragen hoe ze zich in hemelsnaam kan openstellen voor die zwevende gedachten. ‘Ik denk aan andere dingen en ben dus helemaal niet toegankelijk voor al de herinneringen in deze kamer. Zou Nils weten dat ik vals speel?’, verschijnen haar gedachten in ondertitels op het scherm, terwijl ze bezorgd naar de cameraman kijkt. Een komische draai aan een proef die zou kunnen verwijzen naar de onmogelijkheid ideeën en herinneringen te (her) ontdekken door plaatsen te bezoeken en voorwerpen te koesteren. Opvallend zijn ook sommige sombere gedachten die deel uitmaken van

andere experimenten, zoals I.M.’s herinnering haar moeder nooit te hebben kunnen zeggen hoe mooi ze haar wel vond, of enkele vragen die ze zich stelt bij de wodka-test: ‘ Will I find truth?’
‘Will they miss me?’
‘ Why am I so tired?’
‘Can it all just disappear?’

I.M.’s onderzoek is op het ogenblik van de performance nog niet afgerond. Vandaar haar afwezigheid, zo blijkt: ze wijdt zich op dat ogenblik aan een experiment dat gedocumenteerd is onder de titel ‘Upside down world’. Op het einde van de voorstelling krijgen we haar ook even live te zien, terwijl ze tegen een muur in een nabijgelegen kamer op haar handen staat, een Dunce Cone met een elastiek op het hoofd gebonden, als om haar gedachten te concentreren op een plek buiten haar lichaam. We zien echter dat de punthoed bovenaan is opengeknipt. Dit is het hoogtepunt van I.M.’s onderzoek. Na gewichten van blije en bedrukte hoofden te vergelijken, vruchteloos hersenscans te onderzoeken, verlichting te voelen op de trampoline, purification by wodka na te streven, en haar gedachten te verdoven door te staren naar een witte muur, wil ze alleen nog maar leegstromen. Een Victoriaanse heroine waardig.

How heavy are my thoughts

Concept Ivana Müller

Performance Bill Aitchison

Video Nils De Coster

Coproductie Mousonturm Frankfurt en Theater Gasthuis Amsterdam

recensie
Leestijd 6 — 9 minuten

#95

15.02.2005

14.05.2005

Jeroen Versteele

Jeroen Versteele (1980) werkt als dramaturg bij NTGent en
bij acteursgroep Wunderbaum. Voor De Morgen schrijft hij
interviews en boekrecensies.

recensie