Leestijd 6 — 9 minuten

Tragiek. Van Oedipus tot Faust

In 2001 verscheen het werk Tragik. Von Oedipus bis Faust van de Gentse emeritus professor Rudolf Boehm. Recent is daarvan een Nederlandse vertaling verschenen. Het gaat niet om een bundel verzamelde opstellen die voor de gelegenheid geschreven werden. Het boek is het resultaat van het lang gekoesterde plan om de bijdrage van de tragedie aan de filosofische traditie in het daglicht te stellen. Dit project kende een uitvoering die over vele jaren verspreid werd (tussen 1975 en 2000), wat – zoals de auteur zelf aangeeft – het verschil in stijl en toon van de opstellen verklaart.

Boehm bespreekt een tiental tragedies, resp. van Sophocles (Oedipus, Antigone), Shakespeare (Hamlet, Macbeth), Vondel (Lucifer), Racine (Phèdre), Hölderlin (Der Tod des Empedokles), von Kleist (Der Prinz von Homburg) en Goethe (Faust). Ze behoren elk tot één van de drie grote tragedieperiodes in de westerse cultuur: de Griekse tragedie in de vijfde en de vierde eeuw voor Christus; de Engelse, Nederlandse en Franse tragedie tussen het einde van de zestiende en het einde van de zeventiende eeuw, en de Duitse tragedie bij de overgang van de achttiende naar de negentiende eeuw. Afgezien van de Noor Henrik Ibsen was het daarna zo ongeveer afgelopen met de tragedie in haar traditionele vorm.

Is het toeval, aldus Boehm, dat elk van deze periodes van de tragedie samenvalt met één van de grote periodes in de ontwikkeling van de westerse filosofie? In het antieke Athene staat de tragedie op gespannen voet met de klassieke filosofie van Anaxagoras tot Aristoteles. In Londen zijn de tragedieschrijvers Shakespeare en Marlowe de tegenhangers van de filosofen Francis Bacon en Robert Boyle; in Parijs gaat de tragedie de confrontatie aan met het cartesianisme; in Duitsland is de tijd van de tragedie ook de tijd van de klassieke Duitse filosofie van Kant tot Hegel. In dit laatste geval werd de tragedie overigens sterk beïnvloed door die filosofie en reageert zij minder daarop dan wel op het cartesianisme dat zich in Duitsland met vertraging doorzet.

Meteen heb ik hiermee de grondidee aangegeven, die in dit boek wordt toegelicht. Het is de gedachte dat er een tegenstelling bestaat tussen de tragedie en het tragische enerzijds en het westerse ideaal van de rationaliteit anderzijds. Dat ideaal begon al bij de Grieken. Het cultiveert een ‘weten terwille van het weten zelf ’ dat schouwt naar het ‘wezen’ der dingen. Het gaat om abstracte kennis, gebaseerd op absolute waarheid en zekerheid. Zij heeft echter niets te maken met het soort redelijkheid dat nodig is voor bijvoorbeeld de ethiek en de politiek. Boehm leest de lotgevallen van de tragische helden als beelden voor wat er gebeurt of zou kunnen gebeuren, wanneer de loyaliteit ten aanzien van de rationaliteit zozeer gaat overheersen dat hierdoor elke andere vorm van kennis en ervaring ontkend of tot het rationele gereduceerd wordt.

Als je naar de tragedie kijkt vanuit dit perspectief, dan is het begrijpelijk waarom veel van de vooroordelen die we hebben over de tragedie en het tragische niet kloppen. Zo noemen we het in het dagelijks taalgebruik ‘tragisch’ dat iemand zonder eigen schuld aan een onverbiddelijk noodlot ten prooi valt. Maar Boehm toont aan dat het in de tragedie helemaal niet om schuld, onschuld of noodlot gaat. De helden van de tragedie handelen meestal in volle vrijheid, maken zich daarbij niet zelden schuldig aan allerlei misdaden en reageren meer of minder adequaat op toevalstreffers. Weliswaar is er een catastrofaal einde, maar er had evengoed een ander einde kunnen zijn. Wel zie je dat de held steeds weer ten onder gaat aan een waan, die door de tragedie tegelijk áls waan onthuld wordt.

Boehm geeft aan deze waan een naam: het verlangen naar zekerheid. Oedipus bijvoorbeeld gaat niet ten onder omdat hij zijn vader heeft vermoord en met zijn moeder heeft geslapen, maar omdat hij zeker was dat eerst de waarheid aan het licht moest komen om Thebe van de pest te kunnen bevrijden. Lucifer komt niet ten val omdat hij tegen God rebelleert, wel omdat hij er zeker van wilde zijn dat hij de macht die hij van God gekregen had, nooit zou verliezen. De prins van Homburg ging bijna ten gronde, niet omdat hij in zijn verstrooidheid een bevel niet hoorde, maar wel omdat hij zich zegezeker in de strijd wierp. Ook zijn tegenspeler, de keurvorst ging bijna ten onder, niet omdat hij zijn autoriteit veilig wilde stellen, maar omdat hij zich zeker waande dat hij een nog grotere overwinning had kunnen behalen, indien iedereen zijn bevelen had gehoorzaamd.

De analyses van Boehm zijn boeiend en pregnant, af en toe gekruid met feiten en gebeurtenissen uit het leven en de tijd van de tragedieauteur, waardoor de these van de rationaliteitskritiek ook historisch geloofwaardig wordt. Wat mij echter het meeste trof, is het ‘gebaar’ dat uit dit boek spreekt. Je ziet hier een ‘grand old man’ van de filosofie aan het werk, gepokt en gemazeld in het beste wat de filosofische traditie te bieden heeft. Maar oud en wijs geworden, laat hij een boek verschijnen dat minder een hommage is aan de filosofie dan aan de kunst.

Met Kant beseft Boehm immers (zoals hij in de inleiding tot de Duitse uitgave schrijft) dat de eigenlijke domheid van de mens niet bestaat uit een gebrek aan verstand (het begripsvermogen), maar in een ontbrekend oordeelsvermogen: het vermogen om in het particuliere het algemene te herkennen en in het algemene de mogelijkheid om het met bepaalde particuliere inhouden te verbinden. Dit vermogen zou volgens Kant op de verbeelding steunen. Het is immers dank zij de verbeelding dat wij in staat zijn om de concreet-aanschouwelijke waarneming van iets particuliers onder te brengen bij een algemeen begrip of omgekeerd, een algemeen begrip te koppelen aan een particuliere inhoud. De kunst is het geprivilegieerde domein van de verbeelding en daarom is de kunst een antidotum voor onze domheid.

Dat is het wat ook het boek van Boehm probeert te doen: onze domheid verhelpen. En wel door naar het wezen van het tragische te peilen (of minstens toch daar een mogelijke en relevante interpretatie van te geven). Niet om gratuite kennis te verzamelen, maar om ons in staat te stellen – aan de hand van de grote tragedies – de tekenen van het tragische in onze tijd te herkennen, die immers nog steeds wordt gekenmerkt door rationaliteit en de uitlopers daarvan, wetenschap en technologie. Zolang we het menselijk lijden vanuit een rationeel standpunt blijven benaderen, kunnen we het tragische karakter ervan niet ontdekken, maar zal het veeleer aanleiding zijn tot nieuwe rationele projecten. Er is dus een ‘stap terug’ nodig, waardoor we ons niet alleen bezinnen op wat er gaande is, maar ook de weg vrijmaken voor een manier van denken, die ruimte schept voor het contingente en het toevallige; het onverklaarbare en het onvoorspelbare, in plaats van dit alles met een waan van zekerheid toe te dekken.

Rudolf Boehm, Tragiek. Van Oedipus tot Faust, uit het Duits vertaald door Willy Coolsaet, Laurens De Vos, Bart Eeckhout, Lode Frederix, Johan Moyaert, Guy Quintelier, Paul Willemarck en Kris Witzoreck, imavo, Brussel, 2009, 236 p.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 6 — 9 minuten

#120

01.02.2010

—

31.03.2010

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!