Jac Heijer

Leestijd 7 — 10 minuten

Toneelkijken, een lust

Jac Heijer (1936-1991): een geprivilegieerd toeschouwer die ontzettend veel en heel nauwkeurig en gevoelig gekeken heeft. Wie Jac Heijer. Een keuze uit zijn artikelen (IT&FB, Amsterdam 1994) leest, krijgt een indringend beeld van het Nederlandse theater tussen 1970 en 1990 én van het buitenlandse theater dat Nederland in die periode aandeed, een beeld van een zich veranderende kunstvorm in een veranderende maatschappij. Het is verbazingwekkend hoe treffend Heijer in die korte tijdspanne tussen het bekijken van een voorstelling en het schrijven van zijn krantenartikels de essentie van zijn kijkervaring wist te verwoorden. De hier afgedrukte tekst schreef hij in november 1973 voor Samenspel, het tijdschrift van het Nederlands Centrum voor Amateurtoneel. Heijer hield van theater en was zich terdege bewust van Rilkes uitspraak: ‘Kunstwerken zijn van een oneindige eenzaamheid en met niets zo weinig nader te komen als met kritiek. Alleen liefde kan ze omvangen, bewaren en recht doen wedervaren.’

Ben Bos heeft me gevraagd voor uw blad een stukje te schrijven over wat een toneelkritikus bezielt. Zo’n stukje zie ik helemaal niet zitten; ik worstel er al weken mee. Maar alla, voor Ben doe ik alles. Hij heeft zo’n harde, homeriese lach, die in Vrij Nederland ooit als een act’ omschreven is. Mijn lach is ook hard, maar dan meer bête en hooggierend. U begrijpt, samen hebben wij destijds heel wat afgelachen. Maar Ben is van de Linie naar de Komedie gestapt en er valt überhaupt weinig meer te lachen in het toneelwezen. Dit zijn sombere tijden.

Ter zake: als verslaggever heb ik vele malen aan artisten gevraagd, waarom ze hun vak uitoefenden. Ik kreeg daar tot mijn verwondering altijd oninteressante antwoorden op. Nu stel ik mezelf die vraag en ja hoor, wat komt eruit? ‘Ik hou ervan; ik vind het wel leuk om over toneel te schrijven en nog leuker om er naar te kijken.’ Ik had u graag van een meer geëngageerde motivatie blijk gegeven, maar dat zit er niet in. Aan de basis zit domweg liefhebberij, Liefde voor het Toneel. En ik weet, dat er in de joernalistiek nuttiger dingen te doen zijn dan toneelrecensies te schrijven. Belangrijker dan ‘waarom?’ is de vraag, hoé je naar toneel kijkt, onmiddellijk gevolgd door de vraag hoe je erover schrijft in de krant. Dat zijn dingen die wèl te beredeneren vallen. Alhoewel… Je zit in de schouwburg als een soort gitaar, een twaalfsnarige en het hangt vooral van de uitvoerenden af hoe die snaren beroerd worden. Ik heb een gevoelige snaar, een verstandelijke, een sentimentele (wat zou ik graag méér willen janken in de schouwburg), een histories-materialistiese, een (anti)roomse, een leedvermakelijke, een zelden of nooit beroerde magiese snaar, een ervaringssnaar, een zeer oververmoeide snaar die nooit te spannen is en nog zo wat meer. Ik zou graag de nieuwe trend in de Nederlandse toneelkritiek, die gebaseerd is op het marxisme, willen volgen, maar helaas, dat lukt me niet. Zeker, ik vind dat toneel iets te maken moet hebben met de mensen voor wie het gespeeld wordt, in die zin dat uit een opvoering moet blijken dat het stuk een analise bevat van de toestand waarin die toneelfiguren zich bevinden, opdat ook wij als publiek onze eigen toestand beter kunnen begrijpen. Maar met die ene snaar kom je bij veel teater niet uit. Voor geen goud had ik voorstellingen als van Grupo Tse en Tenjo Sajiki willen afkraken omdat marxistiese kritiek er niet op toepasbaar is, tenzij men zich in allerlei kronkels moet wringen om de teorie maar te laten kloppen. Toneel is een middel om ervaringen over te dragen, dat niet uitsluitend bestaat uit de verbaal-verstandelijke weg. Natuurlijk moet er met verstand gewerkt worden bij het toneel. Bij de voorbereiding moet er goed nagedacht en geanaliseerd zijn, niet alleen door de schrijver, door de dramaturg en de regisseur maar door de hele spelersgroep. Als recensent moet je dat er aan af kunnen zien. Gebeurt dat niet, dan zie ik geflodder en ijdelheid! Op z’n hoogst één goeie rol en de rest flut (Annewil Blankers in Tartuffe bij de Haagse Comedie) of een stuk met een behoorlijk uitgangspunt en een flapdrollerige uitvoering (Steel wat minder – het zevende gebod bij de Toneelraad Rotterdam). Om het in algemeenheden samen te vatten: als ik plezier aan toneel wil beleven, wil ik mensen zien en/of gebeurtenissen, die dan en daar en nooit eerder noch later en nergens anders meer zullen gebeuren. Ik geef toe, zoiets maak je zelden mee. Soms heb je één minuutje wonder, soms één figuurtje. Heel zelden is het een gebeurtenis (happening) die om kwart over acht begint en net zo lang mag duren als ze maar willen. Wilt u voorbeelden? Medea door La Mama New York, Do it door Pip Simmons, Dracula en The history of theatre door Grupo tse, Oom Wanja door Globe, Een zeer bijzondere dag door Centrum (ja ja; iedereen vond het afschuwelijk), The Family 1 en 2 van Lodewijk de Boer, Baal door Baal, Mistero Buffo door de Nieuwe Scène en alles van het Werkteater. Als ik daar vandaan kom, kan ik het leven weer aan en heb echt zin om er over te schrijven. Ik geef onmiddellijk toe, dat het voor marxistiese kritici niet genoeg is. Ik besef dat ik met mijn liefhebberij motivatie in het aloude liberalistiese Wester Woud zit, waarin elk vogeltje zingt zoals het gebekt is. Maar ik wil de mogelijkheid open houden, dat er van alles met je kan gebeuren in het teater. Zo gaat de recensent, altans ik, om een uur of zeven met de trein naar de plaats waar een première plaats grijpt, waartoe je namens de krant bent uitgenodigd. Je toont je kaartje, je krijgt een plaats die gratis is en meestal goed zicht biedt op het speelvlak. Dat voordeel heb je boven een gewone toeschouwer met vergelijkbaar inkomen. Bovendien zit je bij de eerste voorstelling, waarop iedereen erg zijn best doet zo goed mogelijk te spelen. Dat bezwaart mij, want er zijn voorstellingen die na de première snel afzakken in kwaliteit. Als ik Globe in Velsen zie spelen, erger ik me bont en blauw wanneer ze met de pet ernaar gaan gooien. Goddank zijn nieuwe groepen, die met een veel gezamenlijker gedragen verantwoordelijkheid werken, lang zo bang niet zich aan de pers te tonen op andere dagen dan de première. Het première-sisteem is overigens de schuld van de kranten waarvan de hoofdredakteuren uit konkurrentiestrijd niets willen missen. Daar zit je dan in de zaal met je twaalfsnarige gitaar. Soms kun je op je vingers natellen dat het slecht wordt, ook al blijf je altijd hopen. Soms heb je je voorbereid, het stuk gelezen, de schrijver geïnterviewd of de regisseur, enige repetities gezien. (Omdat ik bij het Haarlems Dagbladwerk en Centrum een Haarlems premièregezelschap is, krijgt die groep bij ons altijd een voorkeursbehandeling.) Vaak volsta je met de informatie in het programmablad, dat soms zeer goed is samengesteld (bij de Haagse Comedie, Publieksteater, toneelgroep Theater, toneelgroep Centrum). Als je je goed hebt voorbereid, snap je de bedoelingen beter. Dat is nuttig, maar ook vervelend, omdat je er minder onbevangen tegenover staat als de doorsnee toeschouwer, voor wie je schrijft. Dan ga je kijken. Ik probeer te achterhalen of de groep waar maakt wat hij belooft; wat de schrijver wilde zeggen en hoe de regisseur dat begrepen heeft, hoe hij zijn spelers laat spelen, hoe deze mensen daaraan werken. Ik erger me rot als je merkt dat de regisseur of spelers op andere effekten uit zijn dan je uit het stuk zou kunnen halen of dat ze er niet genoeg uit hebben gehaald. Vooral als ik me erger, betrap ik me erop dat ik alvast krakende zinnetjes zit te formuleren, om ze eens goed te pakken. Dat vergeet ik meestal later weer; behalve als het echt te gek wordt. Dan schrijf ik het op, in het donker knoeien op het programmablad. Na de voorstelling reis ik naar Haarlem terug, meestal met kollega’s die bij voorkeur spreken over andere dingen dan de voorstelling. (Behalve dan die keer dat Ischa Meijer luide zijn recensie zat te formuleren onder onze aanmoediging het zo scherp mogelijk te zeggen.) De meeste kritici gaan dan hun stukje maken, tikken of schrijven en doorbellen. Vooral de ochtendblad-kritici werken zich gek. Ze moeten kort formuleren en nog wat zinnigs zeggen ook. Ik zelf slaap er een nachtje over. Dat wil zeggen: ik word voortdurend wakker en tracht de inleiding alvast te formuleren met een samenvattende inhoud en beoordeling erin. Om half acht ga ik naar de krant, draai een stuk papier in de machine, leg het programmaboekje naast me en schrijf zeker zes inleidingen voor het vlekkeloos uit de machine loopt. Het grote zweten begint dan. Welke woorden kies je, welke goede zaken zijn het belangrijkste, wat wil je scherp stellen, wat wil je verdoezelen, hoe is je relatie met de spelers of met de groep, wat is het belang van de opvoering voor het publiek, hoe veel ruimte in de krant heb ik, is er een foto bij, waar komt de recensie op de pagina te staan, wat wil je zeggen en wat kan je niet zeggen. Een heel moeizaam, ingewikkeld raderstelsel knarst in werking. Je weegt je persoonlijke ervaring af aan de bedoelingen van de voorstelling. Je stelt je de vraag of het stuk vanuit een sociaal-kritiese instelling te beschouwen is. Zo ja, hoe dan wel en waarom? Zo nee, is dat dan erg? Wat deden de spelers ermee, hoe was de aankleding, de belichting en hadden die enige funktie? Uiteindelijk maak je je keuze; je laat vaak dingen onvermeld omdat je tegen de klok werkt. Dan moet je begrijpelijk schrijven. Korte zinnen. Geen moeilijke toneeltermen. Voortdurend moet je op je hoede zijn, dat je in de eerste plaats voor lezers schrijft die het stuk nog niet hebben gezien, dan voor lezers die hun eigen ervaring willen vergelijken met de mijne en dan pas voor de toneelmakers. Op de achtergrond hou ik altijd het motto: ‘Kan mijn moeder het begrijpen?’ Na een kleine twee uur is de recensie af. Ik verzin er een kop boven en stop het in de buizenpost naar de zetterij. Dan begint de grote wroeging. Ben ik niet te slap geweest, was ik te scherp, heb ik het nou wel begrepen wat ik zag. Even lezen wat Daniël de Lange in de Volkskrant erin zag; die ziet het anders, maar hij heeft geen gelijk; of: wat hij zag heb ik helemaal niet gezien, maar het zat er wel in; wat een uilskuiken ben ik. ‘s Middags komt de krant, ik sla mijn recensie op. Ja hoor, zetfouten. Schrijf ik Vroege vlucht’, staat er ‘vroege klucht’ Schrijf ik ‘plasties wonder’, staat er ‘platonies wonder’ En die zin loopt niet, wat een schoolmeesterachtig toontje, ‘s Avonds lees ik André Rutten in De Tijd, des vrijdags Anton Koolhaas in Vrij Nederland. Wat een zak ben ik. Ik schrijf nooit meer. Ik kruip dan in mijn schulp en prijs me gelukkig dat ik in een plaatselijk blad schrijf waar ik de vrijheid heb om fouten te maken. Natuurlijk vind ik ook wel eens dat ik méér gezien en beter gekeken heb dan sommige kollega’s, heel soms hoor je van toneelmensen dat ze het met je eens waren of van vrienden dat ze het leuk geschreven vonden. En dan ga ik ‘s avonds weer opgeruimd op pad. Toneelkijken is mijn lust, maar erover schrijven hou ik nooit vol.

Uit Samenspel/NCA, november 1973, opgenomen in Jac Heijer, Een keuze uit zijn artikelen, Amsterdam, Uitgeverij International Theatre & Film Books, 1994

artikel
Leestijd 7 — 10 minuten

Jac Heijer

artikel