Luc Dhooghe

Leestijd 10 — 13 minuten

Tocht door het Brussels theaterlabyrint

“Wollen wir ein Theater bauen?” (G. Büchner)

Unerlässlich aber ist es auch, dass der Charakter des Gebäudes sich von aussen vollkommen ausspreche und das Theater durchaus nur für ein Theater gehalten werden kann. ” (Karl Friedrich Schinkel, Berlin 15.01.1818)  

Tussen de kaalslag in de Noordwijk ten behoeve van de onvoltooide Manhattan-wijk, en de nieuwe kaalslag in de Oostwijk achter het Leopoldspark ten behoeve van de Europese hoofdstedelijke infrastructuur, ligt een stad te weeklagen. Brussel, ze leeft enkel nog van haar naam en haar forensen. De overheid tracht de ontvolking tegen te gaan door middel van renovatieprojecten in de verkrottende woonwijken. Waar de vorige bewoners heen moeten en wie de toekomstige bewoners zullen zijn, blijven open vragen. Sinds kort zijn zelfs de grootwarenhuizen weggetrokken uit het centrum van de stad. Het wordt steeds duidelijker dat de culturele activiteiten minder en minder gericht zijn op de plaatselijke bevolking, en veeleer een afstraling vormen van wat de beide gemeenschappen naar en naast elkaar te bieden hebben. De bouw van de talrijke culturele centra in de randgebieden heeft dit verschijnsel nog meer in de hand gewerkt.

Herkenbaarheid

Tijdens de jaren zestig werden twee theaters naar Amerikaans model in torengebouwen geplant: het Théâtre National in de Rogier-building (1961), en het Théâtre Molière in een building aan de Naamse Poort (1967), beide aan de rand van de Brusselse vijfhoek. Dit paste in het beeld dat de stad had van haar toekomstige rol binnen Europa, waarvan ook de Manhattan-wijk deel moest uitmaken. Het theater gedacht vanuit zijn concurrentiepositie met de opkomende televisie: met de wagen bereikbaar vanuit de woning buiten de stad tot in de parking naast de theaterzaal.

Toch blijkt de toeschouwer nood te hebben aan herkenbare vormen. Dit wordt duidelijk door het verhaal dat Charles Boon, de technische directeur van het Théâtre National vertelde: “Tot voor kort,” zei hij, “reisden we met onze voorstellingen gans Waals-Brabant en een deel van Wallonië door met een tent. De mensen vonden dit leuk, en men kwam zelfs vragen de tent op het Rogierplein in Brussel te plaatsen, waar men in slechte omstandigheden de voorstellingen zou moeten bijwonen, op harde banken en met bijgeluiden van wind en autoverkeer.

Werkelijk oude, zgn. historische theaters, bezitten we niet meer in Brussel. Wel zijn ze allen naar een historisch model gebouwd of verbouwd. Het oudste is ongetwijfeld het Théâtre Royal du Parc, gebouwd in 1782 door de architecten Montoyer en Vanderstraeten sr., ongeveer gelijktijdig met de aanleg van het park De Warande tussen de Wetstraat en het huidige Koninklijk Paleis. De Muntschouwburg dateert van 1819 (architect Damesne) en werd na een brand in 1855 door architect Poelaert verbouwd. In 1847 bouwde een naamloze maatschappij volgens de plannen van architect J.P. Cluysenaer in de Sint Hubertusgalerijen een theater en een café-chantant, die later respectievelijk Théâtre des Galeries en Théâtre de Vaudeville genoemd werden. In 1887 gaf de stad Brussel opdracht aan architect Baes een Vlaamse schouwburg te bouwen op de grondvesten en met de intussen beschermde gevel van het Magasin de l’artillerie et du génie, gelegen aan een gedempt dok van de Brusselse haven. Baes plaatste de voorgevel gericht naar de drukke Lakensestraat.

Deze vier gebouwen werden ontworpen vanuit een sterke architectonische en stedebouwkundige visie : ze zochten, via overgangsgebieden zoals park, plein en overdekte straat, aansluiting bij het dagelijks stadsgebeu-ren en voorzagen de stad van herkenbare bouwvormen, gericht op de leefbaarheid van een centrum dat de komende jaren een geweldige bevolkingsaangroei zou kennen.

Hoe gelukkig deze gebouwen ook geïntegreerd waren, toch waren ze slechts bonbonnières in vergelijking met de theaters in het buitenland. Ze hadden wel charme, maar in de loop van deze eeuw stelden zich meer en meer problemen i.v.m. toeschouwerscapaciteit, speelruimte, techniek en veiligheid. De Muntschouwburg heeft tot voor enkele jaren moeten wachten en moest zich dan, omwille van de buitenvorm van het gebouw, in hoofdzaak tot de verbetering van de technische toneelmachinerieën beperken. De drie overige schouwburgen werden reeds in de jaren vijftig grondig verbouwd. Deze verbouwingen hebben geleid tot effectieve vergrotingen van het Théâtre du Parc, waarin wijzigingen aan de volumes werden doorgevoerd. De Koninklijke Vlaamse Schouwburg en het Théâtre Des Galeries, die in een keurslijf van stratenpatronen en historisch stedelijk kader geklemd zitten, moesten een compromis sluiten tussen het vergroten van het aantal zitplaatsen en het vergroten van de scènische ruimte. Dit had bij de drie schouwburgen als resultaat dat men overal een toeschouwersruimte bekwam met een capaciteit van 600 à 700 stoelen waarvan er maar ca. 450 een goede zichtbaarheid boden. Het auditorium van de KVS heeft daarbij aan karakter ingeboet en de allure gekregen van een bioscoopzaal. Dat het Théâtre National bij haar nieuwbouw enkele jaren later op een zaalbezetting mikte van 765 plaatsen die praktisch allemaal een goede zichtbaarheid bieden, was dus een goede zaak. Het contact tussen zaal en scène blijft immers optimaal, zolang men de 800 à 900 plaatsen niet overschrijdt.

Waarschijnlijk door gebrek aan vrijgehouden ruimte binnen het reeds gebouwde complex van de Rogier-building, bleef de speelruimte zelf toch nog beperkt tot 13 meter diepte met een maximale kaderopening van 11 meter, wel groter dus dan de Parc (8 meter diep en 7 meter opening), maar toch nog kleiner dan de Muntschouwburg die een scènediepte heeft van 17,70 en een opening van 12,60 meter.

Samenvattend kunnen we zeggen dat tegen het einde van de jaren zestig de Brusselse Vijfhoek, incl. de randen, beschikte over een operagebouw en vijf theaters die allemaal gebouwd waren met een vaste frontale scène en toneeltoren, uitgerust met de nodige infrastructuur. Die toestand is tot vandaag dezelfde gebleven. Behalve in het Théâtre National is de zichtbaarheid nergens optimaal en de toneelruimte overal relatief klein vergeleken met voorbeelden uit het buitenland, wat de uitwisseling van produkties bemoeilijkt. Daarbij zijn de gebouwen zo in hun omgeving ingekapseld dat iedere vorm van uitbreiding onmogelijk is. Enkel de Parc en het Théâtre National hebben een decoratelier palend aan de schouwburg; de andere kennen steeds weerkerende transportproblemen. De toneeluitrusting dateert vnl. uit de jaren vijftig en zestig, en voorziet hoofdzakelijk in handbediende trekken. Enkel de Munt heeft onlangs zijn technische middelen kunnen vernieuwen. Dit maakt dat sommige culturele centra vandaag beter uitgerust zijn dan de professionele gezelschappen.

Het Théâtre de Gaïté aan de Wolvengracht, gebouwd in 1901 vlakbij het Muntplein, staat leeg te verkommeren. Gaat het de weg op van de Alhambraschouwburg ?

Torenloos

In het kader van de hernieuwde belangstelling voor het verleden, die zich in architectuurkringen en op beleidsniveau ging ontwikkelen, werden vanaf de jaren tachtig enkele gebouwen verbouwd waar de theaterfunctie in aanwezig was, of om prestige-redenen kon worden ingeschoven. Het Paleis voor Schone Kunsten, de Résidence Palace en de Kruidtuin kwamen hiervoor in aanmerking. De eerste twee, die beide in de helft van de jaren twintig gebouwd zijn, bevatten theaterruimten die deel uitmaken van het totaal gebouwencomplex, zodat uitbreiding van zaal of scène – ook voor de creatie van een toneeltoren – onmogelijk was. Men beperkte zich tot restauratie van het interieur, verhoogde inclinatie (PSK), en het aanbrengen van trekken. De zaalcapaciteit van de M-zaal bedraagt 481 stoelen, en benadert deze van de zaal in de Résidence Palace, die echter zijbalkons heeft waar de zichtbaarheid nihil is en daarom buiten gebruik zijn gesteld. De zaal van de Résidence Palacewerd ter beschikking gesteld van het Théâtre de l’Esprit Frappeur, die ze als tweede ruimte bespeelt, naast de kelderruimten in de Josaphatstraat in Schaarbeek. Het PSK stelt zijn zalen ter beschikking van de Rideaux de Bruxelles die er haar thuishaven heeft, en de vereniging Het Paleis, die er receptieve theatervoorstellingen organiseert.

De gebouwen van de Kruidtuin (1826-29) werden door de Franse Gemeenschap, gelijktijdig met de Ancienne Belgique langs Vlaamse kant, aangekocht om er een Centre Culturel de la Communauté Française Wallonie-Bruxelles van te maken. Het complex omvat nu twee theaterzalen, L’Orangerie en La Rotonde, resp. voor 284 en 150 toeschouwers. L’Orangerie is flexibel ingericht maar toch voorzien van een vast podium met trekken, echter zonder toneeltoren, omdat het gebouw het niet toeliet. La Rotonde, een ronde ruimte onder een centrale koepel, is ingevuld met metalen structuren en loopbruggen die m.i. afbreuk doen aan de binnenarchitectuur.

Techniek in functie van de ruimte

In 1984 kocht de Franse gemeenschap het Theater Varia, voormalig Variété- theater (1904) en later vervallen tot garage met opslagruimte, met de bedoeling het voor de groep van theatermakers rond Philippe Sirieul als heuse theaterzaal in te richten. De zaal werd ontworpen door architect Zaccai in samenwerking met Alain Prévot voor de scenografische technieken, als ‘plek voor creatieve kunst’.

Hierbij heeft men getracht de techniek in functie van ruimte en creativiteit te ontwerpen. De rechthoekige ruimte is flexibel, doch de frontale richting is bevoordeeld door de dominante as van de machinerieën en de aanwezigheid van een achtertoneel. Wordt er gebruik gemaakt van de frontale scène, dan bedraagt de zaalcapaciteit ongeveer 300 à 400 plaatsen, met een speelvlak van 15 op 15 meter. Er is een periferische brug op 8 meter hoogte en een geheel van drie-dimensionele bruggen op 10 meter hoogte, van waaruit elk punt in de zaal kan bereikt worden. Met relatief eenvoudige middelen en een duidelijke keuze tussen techniek, handenarbeid en artistieke ruimtelijke mogelijkheden is men er m.i. in geslaagd een theaterruimte te bouwen die de theatermakers in staat stelt steeds opnieuw de verhouding tussen acteurs en toeschouwers te bepalen met de ruimte als referentiekader.

De andere theatergezelschappen proberen er het beste van te maken. Zo bespeelt het Atelier St-Anne in de Huidevetterstraat in de Brusselse Marollen, twee industriële zalen; een kleinere voor ongeveer 200 personen, bedoeld voor diverse theateractiviteiten en tentoonstellingen, en een grote zaal van 14 op 17 meter en een bruikbare hoogte van 7,35 meter, die in 1982 door de stad Brussel werd aangekocht met het oog ze te verbouwen. Het gebouw is in zeer slechte toestand, wat toelaat van gaten in de vloer te maken, of deze gedeeltelijk met asfalt te overgieten : het herinnert aan de situatie van de Varia vóór haar verbouwing. Het toekomstig plan voorziet in de vernieuwing van het dak met een over het gans het oppervlak geplaatst werkrooster op een hoogte van 7,50 meter. De stad heeft het project onlangs (voorlopig?) afgewezen bij gebrek aan de nodige kredieten. Nochtans dringen bepaalde werken zich op wegens de lamentabele toestand van het dak, de verwarming en het onthaal (één toilet voor 250 personen).

Een gelijkaardig verhaal treffen we ook aan in het Théâtre de Poche. Mevrouw Dassonville van het Ministerie van de Franse Gemeenschap omschreef het als volgt: “Ils font du camping là-dedans.” Het gebouw is eveneens eigendom van de stad Brussel, en de plannen zijn dus terug in de lade beland. Daar liggen ook nog een ontwerp voor de verbouwing van de Vauxhal, een muziekpaviljoen palend aan het Théâtre du Parc en de plannen om het Garagetheater als tweede plateau uit te bouwen voor de KVS. De Vauxhal werd verhuurd aan derden met verplichting tot restauratie, en de 17de en 18de eeuwse gebouwtjes aan de Arduinkaai liet men in puin vallen om er gemakshalve een parkeerplaats van te maken. De plaats waar in 1977 nog een tent gestaan heeft voor de viering van het honderdjarig bestaan van de KVS, en waar het Kaaitheater zijn eerste festival hield, is nu in een dode zone herschapen. Verkeken kansen, zowel voor de reanimatie van de Warande, als voor de renovatie rond de Arduinkaai en de Lakensestraat. Het Brusselse kamertoneel dat sinds zijn ontstaan op zoek is naar een geschikte speelruimte, had er onderdak kunnen krijgen, evenals het decoratelier voor de KVS. Dit vereist evenwel een visie vanwege het beleid dat cultuur en stadsrenovatie aan elkaar wil koppelen, wat in sommige gemeenten toch wel mogelijk blijkt : zo werd, na de bouwwerken van het cultureel centrum L’Espace Senghor door de gemeente Etterbeek, een stuk van de Waversesteenweg bij het Jourdanplein autovrij gemaakt.

“Dans le château des Papes, à Avignon, il y a aussi la qualité particulière d’un lieu sacré qui a gardé un peu de sa signification. Le château des Papes est animé de l’esprit de vérité. Du vrai dans l’architecture, Cet esprit de vérité permettra de faire des salles toutes nues, mais si c’est l’esprit de pauvreté qui souffle, vous les raterez Le nu est splendide, à condition qu’il soit beau … Je parle du point de vue architectural!” (Le Corbusier 11 december 1948)

Administraties

Aangezien voor de meeste gezelschappen theatermaken een zaak is van overleven, leek het me zinnig de visie en de plannen te kennen van de resp. Franse en Vlaamse Administratie van de Gemeenschappen.

Op gemeentelijk vlak kan ieder bestuur initiatieven nemen die ze denkt te moeten nemen : “On les suit, ou on les suit pas”, zei Mevrouw Dassonville. Daar geldt dezelfde regel als in Vlaanderen nl. dat de gemeente eigenaar is van het pand en de gemeenschap voor 60% in de bouwkosten tussenkomt. In dat kader werd onlangs de speelruimte van het Nouveau Théâtre de Belgique o.l.v. Henri Ronse, gelegen aan de Viaduktstraat te Elsene, door de gemeentelijke overheid aangekocht. Henri Ronse, die reeds meer dan tien jaar de Brusselse leegstand bespeelt, bracht o.a. in 1983 teksten van Maeterlinck in de vervallen, door Horta gebouwde magazijnen ‘Wauquez’. Mede hierdoor werd het gebouw onder de aandacht van de publieke opinie gebracht, met restauratie voor een stripmuseum als gevolg. Aan de Viaduktstraat zelf wil hij een ‘trefcentrum voor kunsten’ bouwen, waarin twee zalen gesitueerd zijn tussen diverse tentoonstellingsruimten. Het centrum bevat een polyvalente zaal voor 200 toeschouwers en een zaal met vaste tribune voor 151 personen, uitgerust met een scène en een toneeltoren. De scène is slechts 6,40 meter diep maar heeft twee ruime zijtonelen. Een tweede project ligt klaar voor de verbouwing van een pand dat men bespeelt aan het Martelarenplein in het hartje van Brussel, nl. de vroegere bioscoop L’Etoile die in de Nieuwstraat uitgeeft. Hier zou ook een frontale scène met toneeltoren in gebouwd worden, echter zonder zijtoneel en achtertoneel, en zonder communicatie naar de Nieuwstraat. De zaal zou toegang verlenen aan ca. 500 toeschouwers. Eigendom van de stad Brussel, zal het dus bij de reeks dossiers gevoegd worden die wachten.

De Franse Gemeenschap zelf is eigenares van Le Plan K, Le Botanique, Les Halles de Schaerbeek en Le Théâtre Varia. Zij is mede-eigenares van Le Théâtre National de Belgique. Plannen voor nieuwe aankopen of bouwprojecten zijn er niet, behalve voor Plan K en voor de Hallen van Schaarbeek. Zo zal in Plan K op de vierde verdieping een vrije, experimentele theaterruimte gebouwd worden. De Hallen van Schaarbeek, die onlangs gerestaureerd werden zonder rekening te houden met functies zoals verwarming, akoestische isolatie en theateraccomodatie, zullen binnenkort verder afgewerkt worden. In samenwerking met de ontwerpers heeft de administratie van de Franse Gemeenschap werkbezoeken gebracht aan de belangrijkste hedendaagse theaters.

Aan Vlaamse kant valt de bevoegdheid onder de administratie van de diensten voor Volksontwikkeling van het Ministerie van Cultuur.

De Vlaamse Gemeenschap is eigenares van de trefcentra die ze aangekocht heeft binnen de 19 gemeenten. Van de twaalf erkende centra, zijn er twee uitgerust met de nodige theatertechnieken voor kleinschalige voorstellingen, nl. Ten Weyngaert in Vorst , en de Vaartkapoen in St-Jans-Molenbeek. “Men probeert,” zegt de heer Passchiersen, “te rationaliseren.”

Verder is de Vlaamse Gemeenschap eigenares van drie theatergebouwen: de Ancienne Belgique, de Beursschouwburg en het CBA-theater te Anderlecht. Deze laatste wordt momenteel verbouwd tot een receptief centrum voor amateurtoneel in Vlaanderen, waar ook het Brusselse centrum te gast is. Het betreft hier een frontale zaal met gedeeltelijke toren met trekken.

De verdere afwerking van de Ancienne Belgique zal waarschijnlijk volgend jaar van start gaan en omvat o. a. verbetering van zaalakoestiek en geluidsisolatie, de bouw van het podium (18 op 13 meter diepte, met scèneopening van 12 meter) met ingerichte toneeltoren van ca. 20 meter hoog, de bouw van een polyvalente ruimte en een cafetaria. De Beursschouwburg krijgt langs de aangrenzende Karperbrug een loskade en lift. De zaal zelf blijft qua grootte en speelvlak ongewijzigd : men wil enkel de vloer in de gepaste helling brengen in functie van de zichtlijnen. In een tweede fase zal de inkom vernieuwd worden en de benedenverdieping ingericht als polyvalent zaaltje van 10 op 14,50 meter en 7 meter hoog.

Bij de A.B. is architect Werner De Bondt er in geslaagd te voorzien in ruimtelijk twee volwaardige zalen met de gepaste infrastructuur voor diverse theatervormen voor de toekomst. De Beursschouwburg, die op het vlak van theater en beeldende kunsten nieuwe vormen promoot, heeft hier m.i. een kans laten liggen om deze dialoog door te trekken naar de architectuur.

Slotsom

1. Bij de aankoop of vernieuwbouw door de overheid, is er geen sprake van enig beleid: de overheid bevestigt toevallig ontstane situaties, nadat de gezelschappen zelf reeds zwaar geïnvesteerd hebben in het gebouw. Er ontbreekt een studie over leeg- en welstand der gebouwen, en over socio-culturele infrastructuur. De versnippering op het gebied van de beleidsfuncties (theatergebouwen zijn eigendom van zeer verschillende beleidsinstanties) maakt elke vorm van theaterbeleid onmogelijk.

2. Bij het opstellen van het bouwprogramma overwegen te veel de plaatselijke noden van het gezelschap, zodat vaak de ééndimensionale ruimte-indeling bestendigd wordt. Architectuur moet mogelijkheden op lange termijn creëren.

3. Er wordt te weinig geïnvesteerd in de eigenlijke speelruimte van het theater, in verhouding tot de publieksruimte. Hierdoor zijn de scènes overal aan de kleine kant, en niet voorzien van de noodzakelijke neventonelen. Danstheaters (zoals Rosas bijvoorbeeld) die een heel brede scène nodig hebben, blijven in de kou staan, en de receptieve theaters als het Kaaitheater en La Botanique zitten met artistieke moeilijkheden van programmatie

Men wordt steeds veeleisender op het gebied van de techniek en de uitrusting. Deze eisen hebben een grote impact op de afwerking van het gebouw, en daardoor een keerzijde: ze tasten tegelijk de artistieke bruikbaarheid aan van de architectuur. Het zoeken naar het evenwicht tussen deze technieken en de theatraliteit lijkt me een belangrijk thema voor discussie.

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 10 — 13 minuten

#26

15.06.1989

14.09.1989

Luc Dhooghe