Loek Zonneveld

Leestijd 6 — 9 minuten

TIM: Tim Van Athene (Gerardjan Rijnders/ zt Hollandia & het Toneelhuis)

Er schijnt iets opvallends aan de hand te zijn in het Nederlandse theater. Opeens vallen de dagbladen over elkaar heen met de vaststelling dat er een groot aanbod is van op de (maatschappelijke) actualiteit gebaseerde theatervoorstellingen.

Er worden in die ‘analyses’ veel appelen en peren bij elkaar opgeteld. Een kleine theaterformatie rond componist Jef Hofmeister reisde bijvoorbeeld onlangs door het land met de muziektheaterproductie Doop!, die in een groot landelijk dagblad (middels een interview met de makers) werd geafficheerd als het portret van de moordenaar van de populistische politicus Pim Fortuyn, Volkert van der G. Toen de erven Fortuyn (niet de tweedehandsautohandelaars uit zijn politieke beweging, maar de biologische familie) bezwaar aantekenden en dreigden de premièrepret te bederven, bonden de theatermakers geschrokken in. De hype werd een orkaan in een borrelglas. Het Noord Nederlands Toneel van Koos Terpstra kwam met een ‘geactualiseerde versie’ van Sympathy for the devil, een tekst waarin Pim Fortuyn, Sinterklaas, de Nederlandse premier Jan-Peter Balkenende, Faust en de duivel over elkaar heen buitelden. Ik heb de nieuwe versie niet gezien, de eerste versie (uit het najaar van 2002) vond ik al een overkill aan cabareteske ongein. De geplaagde premier Balkenende en zijn minister van Justitie Donner zetten in het najaar van 2003 een offensief in tegen satires over het Nederlandse koningshuis. Voornaamste doelwit van hun bizarre Blitzkrieg: Landgenoten, Beatrix spreekt, een slimme tekst van Ger Beukenkamp, over de interne problemen van de Oranje-familie, uitgevoerd door een amateurgezelschap. De top van de Nederlandse politiek speelde simultaan schaak tegen het complete Nederlandse verenigingsleven. Een op voorhand verloren wedstrijd. Eerst sloeg de satire terug: met zoutloze televisiegrappen. Vervolgens sloeg het koningshuis terug: met de koninklijke baby Catharina-Amalia, gedoodverfde kroonprinses.

Voorlopige conclusie: Nederland is niet zozeer zijn onschuld verloren, zoals in het rampjaar 2002 aanhoudend werd beweerd (had Nederland toen trouwens een onschuld te verliezen, en zo ja, wélke?). Nederland is zijn gevoel voor humor én verhoudingen even kwijt. Een quasi-maatschappelijk theater etaleert zijn krachteloosheid.

Toen kwam Tim van Athene, tekst en regie: Gerardjan Rijnders. Een co-productie van Het Toneelhuis Antwerpen en ZTHollandia. Een radicale bewerking van Shakespeares Timon van Athene. Centraal personage: Tim, misschien uit Athene (‘maar ja, wat is dat voor een kut-stad?’, zegt de hoofdfiguur zelf ergens in het stuk), daarnaast vooral ‘de Griekse beginselen’ toegedaan (homoseksueel van kruin tot kruis), en bovenal leider van een lijst. Tim is Pim. Tim van Athene handelt over het fenomeen Pim Fortuyn. Over zijn ambities, zijn foute partners en zijn hunkering naar liefde, aandacht, tederheid. Het persoonlijke als politieke krachtlijn. Portret van een gemankeerde streber, van een relnicht die de darkroom wilde ontstijgen, een verlicht despoot wilde worden van alle Nederlanders. Die hem – als staatsman-in-spe – al snel vertederd ‘ons Pimmetje’ noemden. En verbijsterd toekeken hoe hij op 6 mei 2002 op een parkeerterrein in het Mediapark te Hilversum vergeefs werd gereanimeerd. Het stuk is, zoals gezegd, losjes gebaseerd op Shakespeares Timon van Athene (1605), een tekst over een steenrijke filantroop die door zijn vrijgevigheid failliet raakt, vervolgens door niemand geholpen wordt, zijn vrienden verliest en in eenzaamheid wraak tegen Athene beraamt, een wraak waaraan hij sterven zal. Timon is bij Rijnders Tim, een extravagante homoseksueel die ‘de lijst TIM’ heeft geformeerd. Op die lijst prijken leden van een kliek, die luisteren naar ordinaire Nederlandse namen als Roel, Cor, Frans, Nina en Sylvia. Het zijn lieden die steenrijk zijn geworden door aandelenhandel met voorkennis (Cor Boonstra), de IT-business (Nina Brink), zelfbenoemde-zakenvrouw-van-het-jaar (Sylvia Thöth), louche adviespraktijken (Roel in ‘t Veld) of advocaatvan-kwaaie-zaken (Oscar Hammerstein, hier Frans geheten). Ik maak deze verbindingen met de werkelijkheid op grond van aanwijzingen in de tekst. De kliek van Tim, dat zijn de nieuwe rijken die weliswaar veel geld hebben verdiend, maar nooit tot het centrum van de politieke macht zijn doorgedrongen – hun permanente natte droom. Middels de extravagante filantroop-politicus Tim zien ze hun kans schoon. Tim heeft ook enkele vertrouwelingen om zich heen verzameld, mensen die niét per se van het slag ‘likken-naar-boven-trappen-naar-beneden’ lijken te zijn. Maar echt aangenaam zijn ze evenmin. Allereerst is daar de grote liefde van Tims leven. Bij Rijnders is dat Alkib, een geassimileerde Marokkaanse modeontwerper (geleend van Shakespeares personage Alcibiades, een militair, maar diens subplot laat Rijnders ongebruikt). Daarnaast komt Apie, een cultuurpessimist (bij Shakespeare is dat Apemantes, ‘een tegendraads filosoof’). De hofmeester van Shakespeares Timon (eigenlijk zijn zaakwaarnemer) is hier butler Herman(zo heette ook de echte butler van Pim Fortuyn).

Timon van Athene van Shakespeare heeft een onspeelbaar eerste bedrijf: de vrijgevigheid van de Griekse edelman stoelt op niets, komt nergens vandaan, gaat nergens naartoe; de werkelijke beweegredenen moet je er als toeschouwer bij verzinnen. Bij Rijnders is de filantropie van Tim en zijn kliek een excentriek partij-complot om ‘de firma Nederland’ over te nemen. Dat complot is hier cabaretesk opgeschreven, boordevol anekdotische verwijzingen naar het Polderlandse annus horribilis 2002. De anekdotes worden echter nauwelijks overstegen, het blijven een-op-een-verwijzingen naar een nog nauwelijks verwerkte politieke werkelijkheid. De vorm die Rijnders en zijn ploeg voor dit eerste deel hebben gekozen is oneindig veel boeiender dan de tekst. Het speelvlak is een lange loopplank van glas, met zes zijbeuken, een troon en een lampjesboom achterin. Zowel in de kostumering als in de recitatieve, elektronisch geraffineerd versterkte dictie steken verwijzingen naar de strenge speelstijlen van het Japanse Noh en Kabuki én naar Rijnders’ fascinatie voor de Engelse en Franse retorica. Na de pauze vloeit deze mix van politieke anekdotiek en retorisch acteren op een geniale wijze in elkaar. Tim heeft zich teruggetrokken uit de wereld. Niet in een bos, zoals bij Shakespeare, maar in een ingestorte parkeergarage van de in Nederland populaire hotel- en restaurantketen van de firma Van der Valk. Hij wordt daar bezocht door zijn kliek en zijn getrouwen. Hier geeft Rijnders Tim iets wat Shakespeare zijn Timon niet gunde. Zoals het programmablad van de voorstelling samenvat: ‘Tirns zwakke plek is zijn vermogen om mateloos van iemand te houden, zijn bereidheid om daar alles voor op het spel te zetten. Die zwakke plek heeft Shakespeares Timon niet. Dat is Rijnders.’ In de tweede scène van het derde bedrijf komt kwelgeest/stoorzender Apie aan Tim vertellen wat er in de bewoonde wereld gebeurd is met zijn erfgoed. In de filippica van Apie bereikt Rijnders eenzame hoogten: ‘Jouw vaandelvlucht/Heeft een zwerm sprinkhanen ontketend/Die als een oudtestamentische plaag/Op het land is neergestreken/Gonzend, ruziënd, scheldend, liegend/Een lachwekkend spektakel/Als het als spektakel was bedoeld/Dit vleesgeworden gedrocht/Van jouw narcistische hersenspasmen/Ronkend, net als jij, met hun vervalste cv’s/Zien hun darmen voor hun hersens aan.’

De voorstelling krijgt vanaf dat derde bedrijf vleugels. Tim van Athene klapwiekt van woede. Er wordt een serieuze poging gedaan om te verklaren hoe een naar publieke aandacht smachtende idioot het politieke landschap van een naar helden smachtende natie kon omploegen. De monologen van Apie zijn de perfecte samenvatting van hoe een land in een ridicule kermisgekte kan terechtkomen: radeloos, redeloos en reddeloos. De scheldkanonnade tegen Tim vormt de inleiding tot het grimmige tweede deel van de voorstelling. De kliek van ‘lijst Tim’ wordt ten tweede male afgewezen door hun icoon. De kliek wreekt zich door Tims grote liefde, Alkib, halfdood te martelen. Tim geeft zijn nieuw verworven goudschatten aan Apie om wraak te nemen op de kliek. Die wraak wordt uiteindelijk getoond in het slottafereel, dat van een apocalyptische schoonheid is. De verminkte karkassen van ‘lijst Tim’ wandelen als zombies de glazen catwalk op, nemen hun posities in: statieportret van een Pyrrusoverwinning. Alleen Sylvia, die in Tims laatste levensdagen nog wel even voor ‘mamsje’ wilde spelen (Tims overleden moeder) wordt gespaard. Zij staat in Volendammer kostuum aan de zijde van de als folkloristische visser uitgedoste Alkib. Tim zelf is ondertussen op het dak van zijn laatste bolide gestorven in de armen van butler Herman, die op de grens van leven en dood nog enkele relativerende oneliners in huis blijkt te hebben – na urenlang sjokkend te hebben gezwegen. Tim van Athene was te zien op twee verschillende locaties, in een havengebouw in Antwerpen en in een suikerfabriek in Halfweg (tussen Haarlem en Amsterdam). Het is misschien wei een van de belangrijkste voorstellingen van dit seizoen geworden. Omdat het een stotterend, stamelend, rafelig protest was tegen een griezelige tijdgeest – zonder boodschap, want Rijnders weet ondertussen dat we onze boodschappen in de buurtsupermarkt halen, en niet in het theater. Omdat de op drift geraakte, rancuneuze kleinburgerij -een van de angstwekkende verschijnselen van deze kersverse eeuw- in een helder licht wordt geplaatst. Er wordt niks verklaard of geanalyseerd, er worden enkel kernachtige vragen gesteld. Zoals: hoe kon dit gebeuren, in welke val is Nederland getrapt, hoe kon een tweederangs soapacteur uitgroeien tot de politicus die op het schild van staatsmanschap werd geheven, hoe verwierf een kliek van B-acteurs in zijn slipstream de status van hoofdrolspelers in het politieke spectrum? En er wordt in Tim van Athene geweldig toneel gespeeld, in een bescheiden ensemble van cracks als Bert Luppes (butler Herman), Frieda Pittoors (Sylvia), Chris Nietvelt (Apie), naast jonge talenten als Aus Greidanus jr. (Tim), Jochen Balbaert (Alkib) en Peter Seynaeve (Cor). Het spektakel ziet er geweldig uit, het vormgevings-team verdient groot respect. Rijnders heeft een voorstelling gemaakt die naadloos past in de lijn van theatrale commentaren die hij eerder leverde: Wolfson, Bakeliet, De hoeksteen, Titus geen Shakespeare, Count Your Blessings en Moffenblues – verbeeldingen van kruiende werelden, met in het centrum een wanhopig mensenkind dat uiteindelijk schreeuwt om dat ene waar het Gerardjan Rijnders altijd om begonnen is: liefde.

TIM VAN ATHENE

tekst en regie Gerardjan Rijnders

DRAMATURGIE Tom Blokdijk

TONEELBEELD Leo de Nijs

KOSTUUMONTWERP Sabirie Snijders

LICHTONTWERP Mark van Denesse

GELUIDSONTWERP Remco de Jong

SPEL Aus Greidanus jr., Bert Luppes, Chris Nietvelt, Elsie de Brauw, Frieda Pittoors, Jochen Balbaert, Dimitri Duquennoy, Peter Seynaeve, Jan Van Hecke.

PRODUCTIE ZT Hollandia/ Het Toneelhuis

PREMIÈRE 6 november ’03, op locatie in ‘de Shop’. (Antwerpen)

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

recensie
Leestijd 6 — 9 minuten

#90

15.02.2004

14.05.2004

Loek Zonneveld

Loek Zonneveld (1948) is toneelrecensent en leraar toneelgeschiedenis. In 2013 ontving hij de ACT Award voor zijn “liefdevolle toneelrecensies” en “het delen van zijn immense kennis op het gebied van de theatergeschiedenis met acteurs”.