René Boomkens

Leestijd 5 — 8 minuten

Tijd die terugkomt

‘Als geen ander medium is muziek in staat ons uit het heden los te maken en onze aandacht te verstrooien over verschillende momenten van en lagen in de tijd’, schrijft René Boomkens.

In Tijd die voorbijgaat, een van de korte verhalen van Gianni Celati uit diens beroemde bundel Vertellers uit de Po-vlakte uit 1985 (vert. 1987), balanceert de auteur op duizelingwekkende wijze op een slap koord tussen verschillende artistieke genres, blikvelden, ruimtes of domeinen en ten slotte tussen verschillende tijden. Heel ingenieus en onopvallend worden ze in elkaar gevlochten tot een schijnbaar natuurlijk ervaringsgegeven dat bovendien uiterst alledaags, zo niet banaal is: een vrouw keert terug van haar werk naar huis, het routineuze en vanzelfsprekende, zo niet vervelende heen en weer van de gemiddelde forens. Dat is om te beginnen al bijzonder aan dit korte verhaal: het beschrijft een ervaring die zich aan beschrijving lijkt te onttrekken, het gaat over levens en gebeurtenissen die we allang hebben gerangschikt in het onbereikbare grijze midden van de statistiek, daar waar alles in elkaar lijkt op te gaan en over te vloeien, waar elke bijzonderheid of identiteit oplost in een veronderstelde normaliteit. Het verhaal blijkt ook over die normaliteit te gaan, maar niet in de zin van een beschrijving daarvan: die zou immers een onleesbare grijsheid opleveren. Het bijzondere aan Celati’s enscenering is dat hij de banale alledaagsheid zelf niet beschrijft, maar laat zien wat de vrouw ziet, en dat weer als een functie van wat zij hoort. Maar dat horen staat in een ander register, het gaat niet om omgevingsgeluiden waarnaar de vrouw luistert, zoals ze diezelfde omgeving tegelijkertijd gadeslaat vanuit haar auto. De vrouw luistert naar de tijd die voorbijgaat.

Elke dag wanneer de vrouw terugrijdt van werk naar huis, zo’n vijfentwintig kilometer, komt er een moeilijk moment. Dat moment is een direct gevolg van de aard van de handeling van het terugrijden, van het routinematige daarvan. Routine maakt deel uit van twee verschillende tijdsdimensies, die de filosoof Walter Benjamin de dimensie van de ervaring en van de belevenis noemde. Ervaring is het resultaat van oefening en geleidelijke gewenning, en als vaardigheid wordt zij vanuit een collectief erfgoed doorgegeven aan de nieuweling. Ervaring ligt opgeslagen in ons onbewuste. Belevenissen zijn al die gebeurtenissen die we bewust meemaken maar die daarmee ook niet meer herinnerd kunnen worden. We consumeren ze als het ware direct en totaal. Autorijden is een kwestie van ervaring. De eindeloze herhaling van het dag in dag uit rijden van hetzelfde traject doet de chauffeur echter van het domein van de routine door ervaring belanden in het domein van de routine als betekenisloze herhaling van gelijksoortige belevenissen. Werktuiglijke doelgerichtheid slaat om in werktuiglijke doelloosheid. De alledaagse term hiervoor is natuurlijk verveling, als we het al niet over afstomping hebben. Maar iedereen weet dat verveling heel dicht tegen de roes aanligt, of tegen wat we in de sport kennen als de ‘high’ van de jogger. De langeafstandsloper kan na zeer vele kilometers hardlopen niets anders dan geleidelijk in een andersoortige belevingswereld verzeild raken, en wel zodanig dat hij elke oriëntatie op zijn omgeving kwijt raakt. Zo ontdekte een Nederlandse triatlonatlete tijdens een loop in Griekenland plotseling dat ze zich op een autosnelweg bevond en niet langer op het traject van de race.

Verveling die omslaat in roes, of juist in een soort verhoogde alertheid, een luciditeit die niet betrokken is op de routinematige handeling zelf, maar die de persoon met een ander werkelijkheidsdomein in contact brengt. Dat is het moeilijke moment waarvan sprake is in de eerste regels van het verhaal. Vanaf dat moment ziet de vrouw haar omgeving nog wel, maar ze ziet meer dan alleen de afzonderlijke dingen in die omgeving. Ze lijkt door de dingen heen te kijken en ontdekt de vergankelijkheid in het hart van alle herhaling: ze luistert naar de tijd die voorbijgaat. Ze ziet de ongemakkelijkheid waarmee mensen hun dagelijkse boodschappen doen, ze hoort in de velden langs de snelweg een ‘stilte die vreemd aandoet’. Ze ontdekt dat dat een woonstilte is die rond de dorpen hangt. De leegte van de buitenwereld is het gevolg van een vorm van wonen die zich van die buitenwereld heeft afgewend: “Niemand weet zelfs meer wat er daarbuiten zou kunnen zijn, afgezien van de uren van dag, de tijd die voorbijgaat. Daarom is er in die ruimte waarin die woonstilte heerst niets dan tijd die voorbijgaat, waarneembaar omdat de stilte hem zo traag maakt dat hij nooit voorbij lijkt te gaan.”

Het is duidelijk dat de luciditeit van de vrouw niet die van een buitenstaander is. Haar opmerkingsgave, die door de alledaagse dingen heen, of preciezer: aan de alledaagse dingen een andere tijd afleest en aan de alledaagse geluiden een (woon)stilte beluistert, dankt ze aan het feit dat zij zelf deel van diezelfde wereld is. Als de rede slaapt, baart zij monsters. Als de verveling de tijd heeft stilgezet, wordt alles ineens in een geheel ander perspectief gesteld. De vrouw ziet de rigor mortis van haar ouders, wachtend in hun huis… op de tijd die voorbijgaat. Celati ensceneert de gebeurtenissen en overpeinzingen of observaties van de vrouw tegelijk als een soort journalistieke beschrijving en als een monologue intérieur. In de overgang van het ene naar het andere genre ontstaat de spanning tussen twee tijden, of tussen de tijd-ruimte van de herhaalde forensenrit en die van een verhoogd besef van tijd, een tijd die in het moment is stil blijven staan, die bewegingloos en stroperig is geworden. Maar dan blijkt Celati’s verhaal naast beschrijving en monologue intérieur tot slot ook nog een sprookje te zijn. Had de eerste regel (Een vrouw rijdt…) niet ook als ‘Er was eens een vrouw die…’ geklonken kunnen hebben? Het slot is in ieder geval dat van een modern, alledaags sprookje. In zekere zin wordt de vrouw tot tweemaal toe uit haar forensensluimer gewekt, de eerste maal als een momentaan in de routine van het rijden opflakkerende luciditeit die haar confronteerde met de rigor mortis van haar eigen bestaan – het ziet er niet zo best uit allemaal.

Aan het slot blijkt er zoiets als hoop op ontsnapping te bestaan, een ontsnapping die voortvloeit uit dezelfde toestand van verveling. Celati vertelt dat ze op sommige avonden naar een café op het pleintje van San Daniele gaat: “Het terras is altijd bezet door een stel jongens die onderuitgezakt op hun stoelen en met een dromerig gezicht naar de jukebox luisteren.” En dan volgt de sprookjesachtige ontknoping: “En waarom weet ze niet, maar als ze naar die jongens kijkt heeft ze ineens schoon genoeg van haar meningen en oordelen over alles wat ze ziet, over de huizen en hun bewoners. Geen zin meer om over wat dan ook te oordelen, laat alles maar voorbijgaan, laat het maar gaan zoals het gaat: uiteindelijk, zegt ze, is het niet meer dan tijd die voorbijgaat.” Met die laatste verzuchting lijkt de vrouw zelf ten prooi aan een soort verlammende berusting, de rigor mortis van de woorden van Prediker, maar in feite vernieuwt ze haar lucide oordelen over haar eigen leefwereld en die van haar omgeving in een vlaag van melancholie bij de aanblik van een groepje jongens dat voor alles de ennui vertegenwoordigt, een verveling die de gecultiveerde pose van afwijzing van juist dit moment, deze tijd, aanneemt. Die afwijzing wordt mogelijk gemaakt door de muziek uit de jukebox – en dat is het laatste genre of element dat aan het verhaal wordt toegevoegd. Als geen ander medium is muziek in staat ons uit het heden los te maken en onze aandacht te verstrooien over verschillende momenten van en lagen in de tijd. De kracht van het slot is gelegen in de formule “En waarom weet ze niet” – en zo zal de vrouw het ook gedacht hebben: “ik weet niet waarom, maar als ik die jongens zie…” Ze moet dan altijd even glimlachen, ze bestelt vervolgens een espresso, en ‘leeft nog lang en gelukkig’.

artikel
Leestijd 5 — 8 minuten

#66

15.12.1998

14.03.1999

René Boomkens

René Boomkens is de eerste hoogleraar popmuziek van de Lage Landen.

artikel