© Luk Monsaert

Leestijd 8 — 11 minuten

Thuis – Robert Sian / één zee

Rottende chrysanthen

In 1976 werd Hugo Claus’ Thuis, dat hij zelf regisseerde, afgedaan als een zwak doorslagje van Vrijdag, hoogstens een voorstudie van Vlaamse kneuterigheid en ressentiment die hij een paar jaar later in zijn roman Het verdriet van België naar een hoger niveau zou tillen. Zelden was de kritiek trouwens zo vernederend: slechte ‘Belgenmop’ – zoals de critici Thuis unisono wegzetten. Nu brengt het (ongesubsidieerde) productiehuis ‘één zee’, onder regie van de Schotse Vlaming Robert Sian, een remake van het stuk, dat wel bijzonder populair is gebleven in het amateurcircuit. Ondanks de lovenswaardige doelstelling om het stuk uit die parochiale sfeer halen, blijft deze Thuis hangen in de valse gezelligheid van een huiskamer, ‘in de geur van verdorde chrysanten’, zoals een personage zelf opmerkt – een passend beeld voor een productie die de metafysica van Claus nauwelijks weet aan te raken.

Thuis vertelt over een middenklassegezin in vermoedelijk de vroege jaren 1970, dat zich wel bewust is van de andere tijden – de ‘moderne tijd’ zoals dat toen met een mengeling van afkeer en fascinatie werd genoemd. Monique en Theo Vandaele zijn rond de zestig jaar oud, hun professionele posities zijn onduidelijk, ze hebben een huis gekocht, met de verplichting om te zorgen voor Lena Vergoten, de dementerende moeder van de vorige eigenaar. Rik, hun zoon, half in de twintig en met vage ambities als muzikant (mondharmonica) arriveert onverwacht, na maanden zonder nieuws, met zijn vriendin Sonja, verpleegster in een abortuskliniek. We bevinden ons, zo vermoed ik, in een verkavelingswijk, ergens in la Flandre profonde.

Dit dorp is niet afgesneden van de wereld, er zijn kranten, er is radio en televisie, maar die lijken vooral te dienen om vooroordelen en ingesleten wereldbeelden te bevestigen. Zoveel is er sindsdien dus niet veranderd, alleen beschikken we nu over media die de ‘cognitieve dissonantie’ nog meer versterken. We willen enkel weten wat we al wisten. Als de werkelijkheid de perceptie tegenspreekt, dan zijn dat uitzonderingen die de veralgemeningen niet echt onderuit halen. Dat is het Vlaanderen van Hugo Claus, dat is nog altijd het Vlaanderen van vandaag, hoe politiek correct de soaps op televisie ook zijn.

“Je ziet van heel ver aankomen wat er kan gebeuren.”

En er volgen nog naturalistische clichés, wel allemaal met de licht cynische nuance van die Claus zo eigen is, in dit soort drama. Theo, de man in de penopauze, krijgt een coup de foudre wanneer hij Sonja uitgestrekt in de (dure) zetel ziet slapen, Monique heeft dit eerder door dan hijzelf en ze reageert schouderophalend. Theo en Sonja schieten erg goed met elkaar op, Rik heeft er enkel een monkellachje voor over. Je ziet van heel ver aankomen wat er kan gebeuren. Het voorstel van Rik, dat zijn vader ‘het’ wel even met Sonja mag doen, is maar half verrassend. Sonja gaat akkoord, of beter: ze moet wel akkoord gaan. Een achterlijk vrouwbeeld zonder meer, dat in een potsierlijke verleidingsscène met ongeloofwaardige gewetensbezwaren van Theo, nog versterkt wordt. Ze doen het in het bed van Lena, die zelf even in de living geparkeerd wordt. Rik heeft zijn moeder met een slechte uitvlucht meegetroond naar patisserie Bloch, Veldstraat, Gent. Maar ‘het’ lukt niet, Theo valt flauw, Sonja denkt dat hij dood is.

Een verstikkende lucht van spruitjes

Pauze, de foyer van het Fakkeltheater draait op volle toeren. Daarna keert Theo terug in een rolstoel, Monique eist dat hij eindelijk Lena van kant maakt, met een efficiënte slag in de nek, ‘zoals een konijn’ – Theo was ooit beenhouwer. Ondertussen gaat Monique met Rik en Sonja naar de cinema. Maar Theo is niet in staat om Lena te doden, zijn frustraties nemen groteske vormen aan, en zij blijkt veel weerbarstiger dan we vermoed hadden. Ze is niet meer met haar verstand bij deze wereld, maar haar zinnen zijn levend: we zien een variant op Claus’ favoriete Oedipus-thema. Daar blijft het bij, iedereen is ongelukkig. Monique heeft nog altijd geen huis zonder zorgen, Theo kan nergens meer heen met zijn mannelijke behoeften, Rik en Sonja vertrekken om elders hun onbeduidendheid bot te vieren. Lena triomfeert.

Zoals wel vaker bij Claus’ stukken over kleinburgerlijk Vlaanderen, balanceert ook Thuis tussen tranche de vie en klucht. De frustraties, bij alle figuren, zijn huizenhoog, de lucht van spruitjes (in dit geval verslenste chrysanten) is verstikkend, de driften zijn tegelijk ongeremd en ingesnoerd. Als theatermaker kan je dit simpelweg accepteren, en dat gebeurt bij deze productie. Van bij aanvang gaat het stemvolume de hoogte in, en Koen Van Impe (Theo) maakt hier meteen een virtuoze act van. Marleen Merckx (Monique) moet hier echt niet voor onderdoen. Een zekere naturel, bij allebei, en tegelijk een bevestiging, versterking zelfs van hun eigen stereotypes als toneelspelers: veel te groot (Van Impe), veel te scherp (Merckx).

“Het lijkt alsof er ook zich ook tussen de toneelspelers een generatieconflict voordoet.”

Maar dat zou verdedigbaar kunnen zijn. Als daar iets tegenover zou staan tenminste. De jonge spelers kunnen amper op tegen dit geweld, ze proberen hun naturel iets subtieler te doseren, maar tot veel meer dan veelbetekenende oogopslagen (Briek Lesage als Rik) en flirterige blikken (Britt Das als Sonja) leidt dit niet: ze worden omvergeblazen, zeker als Marilou Mermans nog eens een brutaal cliché van een dementerende hoogbejaarde neerzet, dat af en toe wel schaamteloos vilein kan zijn. Het lijkt alsof er ook zich ook tussen de toneelspelers een generatieconflict voordoet. De vormgeving helpt evenmin om dit rechttoe-rechtaan naturalisme – hoewel het eerder een woeste orkaan van cabotinage is – te relativeren.

Militante misogynie

Niemand gelooft dat dit een duur huis met dure meubels is, behalve scenograaf Marc Cnops misschien. Het schimmenspel buitenshuis is onbeholpen, de muziek – enkele evergreens uit de sixties – alleen maar decoratief. Er worden geen vragen gesteld bij de militante misogynie die het hele stuk overheerst: vrouwen gehoorzamen zonder weerwoord en vluchten zogezegd weg in bitterheid en doorzichtige strategietjes. Je zou kunnen zeggen dat Claus destijds bewust heeft gekozen voor het oer-mannelijke perspectief, de male gaze zonder echte subtiliteit. Hij was zich daar wellicht van bewust, en in het literaire- en toneelklimaat van destijds kon hij wegkomen met een plat-realistische enscenering. Toen was dat een provocatie aan de kleinburgerij die zowel zijn incestueuze driften en als een onverwerkt oorlogsverleden onder de mat veegde. Daarover viel de kritiek alleszins niet, destijds.

Nu zouden we op een andere manier met deze reactionaire onzin kunnen omgaan. Het is mijn taak als recensent niet om alternatieve gezichtspunten te suggereren, maar er is genoeg poëzie bij Claus aanwezig, ook in dit ‘boertige’ stuk, die aan het verbale geweld een andere kleur kan geven. Bijvoorbeeld: ‘De avond valt’, het zinnetje dat het refrein van Thuis is. ‘De avond valt’, dat wil zeggen dat de seksuele verlangens opduiken – dat zegt Theo haast letterlijk – maar het wil ook zeggen dat het besef van de eindigheid van het leven tot iedereen doordringt. En dat besef moet bezworen worden. Bij alle generaties, hoogbejaard, midlife en quarterlife komen de demonen tevoorschijn bij de zonsondergang, ze huiveren voor deze heksensabbat mét een paradoxaal verlangen.

Maar van de sluimerende metafysica van de dichter Hugo Claus, de verwrongen mensbeelden die zijn figuren belichamen, daar is in deze productie zelfs geen vermoeden van te zien. Een onhandige schaduw op de achterwand is echt niet genoeg. Men sluit zich op in de zelfgenoegzaamheid van de karikatuur, de vierde wand is totaal ondoordringbaar, terwijl wij, de kleinburgers, comfortabel in de zaal zitten, alsof het onze wereld niet is maar slechts een morbide stripverhaal.

“Dit is geen eerbetoon aan Hugo Claus, zoals de producenten van ‘één zee’ hun productie in de markt zetten, dit is een bloemenhulde met rottende chrysanten.”

Georges Wildemeersch, eminent Claus-exegeet, schreef over Thuis dat zoon Hugo schrik had dat vader Jozef Claus het stuk verkeerd zou begrijpen. Maar Jozef was zeer enthousiast, en stelde tegelijk vast dat hij alle dialogen al kende, ze waren gewoon uit de huiselijke werkelijkheid geplukt.1 Alsof de familie Claus – en vooral de vader – simpelweg model stond voor de dystopische huishoudens die de zoon vervolgens schilderde in Vrijdag, met Georges Vermeersch, in Het verdriet van België, met Staf Seynaeve, en dus ook in Thuis, met Theo Vandaele.

Wildemeersch suggereert tussen de regels dat je Thuis niet meer kan lezen – en zeker niet spelen – zonder de wetenschap dat Het verdriet van België, enkele jaren later, heel onze kijk op de kleinburgerlijkheid heeft veranderd. De naoorlogse verdringingsmechanismen werken niet meer, de verhoudingen tussen mannen en vrouwen zijn veranderd, zowel in de reële omgang als in het taalgebruik, het verschil tussen 1975 en 2024 impliceert meer dan de vervanging van de Belgische frank door de euro: Robert Sian heeft dit soort vaststellingen niet meegenomen.

“Zoals je met het racisme van Othello iets moet doen, als theatermaker, zo is ook de misogynie van Thuis een obstakel.”

Zoals je met het racisme van Othello iets moet doen, als theatermaker, zo is ook de misogynie van Thuis een obstakel. Enkel verbale overvloed is niet genoeg. Bij ’t Arsenaal heeft Yves De Pauw dat ooit al geprobeerd, in 2010, zij het met matig succes2. Ik kan best genieten van de uitbundige woordenvloed van Koen Van Impe, van de manier waarop hij de kamer vult, en van de agressieve onderdanigheid, in woorden en lichaamstaal, waarmee Marleen Merckx haar figuur invult, maar dat weegt niet op tegen het totaal gebrek aan kritische reflectie. Dit is geen eerbetoon aan Hugo Claus, zoals de producenten van ‘één zee’ hun productie in de markt zetten, dit is een bloemenhulde met rottende chrysanten.

1Georges Wildemeersch, ‘Hugo Claus’ toneelstuk “Thuis” (1975) en de kritiek’, in Documenta, 16/3 (1998), p.226-2312Geert Sels, ‘Thuis – ’t Arsenaal & Compagnie lodewijk/louis’, in Etcetera, 121 (2010), p.51-52

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 8 — 11 minuten

#177

05.09.2024

—

14.12.2024

Klaas Tindemans

Klaas Tindemans (1959) is Doctor in de Rechten. Hij werkt als docent en onderzoeker aan het RITCS. Hij is actief als dramaturg en regisseerde twee toneelstukken: Bulger (2006) en Sleutelveld (2009). In 2022 verscheen The Dramatic Society. Essays on Contemporary Performance and Political Theory, bij Routledge.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!