Carlos Tindemans

Leestijd 4 — 7 minuten

Thomas Bernhard 1931-1989

Ongetwijfeld. Hij was een lastpost, een zeurpiet, een zelfkweller. Een mensenhater uit liefde, een spraakwaterval, een draaikolk. Een wijze freak. Vol verfijnde PR-strategie, gewichtige onzin, eindeloze luchtbellen. Illusieloosheid als levensinhoud. Paradox als levenslijn. Het epicentrum van een gekoesterde woede.

Over zijn einde is weinig bekend. Zelfmoord was het beslist niet. Hij was altijd al vertrouwd met de dood. De dood als idee, als levensthema, als teken van leven. Een vrolijke knaap was hij nooit, wel een enig komisch talent. Ironie en schaterlach, clownerie en cynisme, grijns en weemoed, nonsens en doordenker. Lachen als vergeefse opschorting van de dood. Theater als antidotum voor de levensangst.

Genadeloos is hij gebleven. Wat hem in leven hield was de permanente bedreiging van de leefbaarheid. Ideologisch valt hij niet onder te brengen. Een onverbeterlijke reactionair en een grafdelver van de burgerlijke zelfingenomenheid. Zijn drama strekt zich binnen het strakke raster van de wet van de drie eenheden. Hij daast over procedures en processen die de traditie oplegt en de tijdsgenoot inklemmen. Om er aan te ontkomen stapelt hij dubbelzinnigheid en verwarring op. Iedereen blijft radeloos achter. De criticus kan hem met één bonmot niet vangen. Het theater moet stuk na stuk de voorlopige visie opgeven. De wetenschap weet niet te kiezen tussen voor- en achteroploper. Het resultaat blijft een cliché. Bernhard als vluchtmisdrijver, de beschrijver van ziekte en verval, van afbraak en uitzichtloosheid.

Bernhards drama is taal. Het personage buitelt intiem in zijn bewustzijn rond, geeft signalen van een gekneusde wereld, een aangeknabbelde exisitentie.. ervaring komt neer op pijn. Bernhard wentelt zijn personages in taal die, hoe overvloedig ook, hoe eindeloos soms, ontoereikend uitvalt als mechanisme van uitdrukking van tragisch onvermogen, nooit van zelfgenoegzame absurditeit. Dood en lach ineengestrengeld. Dood als aanleiding tot creativiteit.

Tussen hoop en wanhoop vindt het theatrale speelveld een zee van ruimte. Mensen vullen hun gemis met lege inhoud, klampen zich aan het triviale vast, stallen hun angst uit door er bestendig van weg te rennen, maken daardoor de eigen broosheid bewust en zichtbaar. Methodische zelfverblinding, spitsvondige surrogaten vangen zich in een imperfectie van taal als beeld van menselijke nietigheid. Schijnbare levensvolheid takelt af tot onbeduidend bezigzijn. De lach als masker van starre waanzin, vrolijkheid stolt tot grimas. Kortademig doorprikken van fouten in de samenleving of boulevardesk poseren met spatjes op het tijdskritische oppervlak komt bij Bernhard niet voor.

Neem Minetti (1977). Een bejaard acteur die na dertig jaar eenzaamheid terug de planken op wil om Lear te spelen. Hij komt met zijn tijd niet mee, wil dat ook niet. Een randbestaan, een maatschappelijke outsider, een ‘komische’ kerel. Dat ‘komische’ leest het publiek af uit zijn ouwelijke pak, zijn spreekwijze, zijn gebarensysteem, vanuit de waarneming. Een levenswil die haaks staat op de tijd, die maatschappelijk wordt weggeduimd, die los staat en vrij is van elk burgerlijk zelfbegrip. Een komiek die pijn doet en tegelijk inneemt. Levensgroot de vraag naar wat er in de historische vooruitgang niet op- en ondergaat, wat langs de kant blijft hangen en langzaam wegsterft.

Tijd lees je af uit de ruimte rondom hem: kaal gebarsten, afbladderend. Een gevecht tussen optisch detail en mentaal persoon. Niet het detail blijft hangen maar waarvan het een teken is, de oppositie van tijd als natuurproces van verval en van historische cultuurtijd. Het verkleurde behang, het afgeschilferde baksteen, het oneigentijdse materiaal spelen vooruitgang uit tegen de negatie van geschiedenis. Een duel van bewustzijn over natuurproces en samenleving, Bernhards centrale thema. Altijd provocerend, opgeblazen, eenzijdig, monomaan. Maatschappelijke relaties en historische zin worden door het eeuwige proces van natuur en dood herleid tot rimpels in de tijd. Natuur niet als romantisch heimwee. Natuur als zelfoplossing, als vernieling en afsterven. Natuur niet als correctief, niet als tegenbeeld van een levende mensheid. Natuur als voltooing van het leven. Onomkeerbaar neemt natuur de menselijke vluchtigheid die zich o zo graag eeuwig ziet, terug in zich op.

Theatertaal als kondensvat dat de werkelijkheid heeft opgezogen. Ervaring, ontwikkeling, structuur van mens en maatschappij zitten als middel en als resultaat in deze taal opgenomen. Wie uit alle sociale relaties wegvalt, wijzigt zijn maatschappelijke handelen en bestaan in rol, zijn taal in tekst, de omgeving in koelisse, de wereld in theater. Het ons vertrouwde leven wordt onwerkelijk bij de blik van op de ‘overzijde’ van het sociale vegeteren, deze prelude van de eigen dood. Leven wordt, zoals natuur, eindeloos zichzelf herhalen.

Dit artistieke perspectief impliceert sterven. Bernhard ensceneert de terugtocht uit de samenleving. Hij speelt de dood uit zoals hij in taal de kunst afscheidt van en beschermt tegen een kunstvijandige maatschappij. Radikaal weigert hij elke wederzijdse doordringing van kunst en werkelijkheid. Hij legt daarmee de toeschouwer een receptiehouding op. De eigen dagwerkelijkheid inruilen voor de autonomie van de theatervoorstelling houdt in dat je je uitlevert aan beeldcomplex en taalstructuur. De reservaatwereld van de theatertaal laat de toeschouwer niet meer vrij. Theatereffect als kern van een verlammende, wanhopige logica.

Houvast bieden Bernhards teksten nauwelijks. De opgedrongen zinvolheid van alledag vervangt hij door tegenspraak, dwarserigheid, paradox, verschuivingen van een menselijke context. Bernhard projecteert een essentiële dubbelheid, de betwijfelbaarheid van het pertinente levenslot, de bewuste ambiguïteit van de relatie tussen theatertekst en eigen werkelijkheidservaring. Metaforen voor de tragische konditie van de mens.

En wij? Am Ziel (1981) komen we nooit. Vordem Ruhestand (1979) stelt geen einde aan onze rusteloosheid. Die Macht der Gewohnheit (1974) beheerst ons. Der Weltverbesserer (1980) willen we, tegen beter weten in, toch tevergeefs blijven. De akelige waarheid is dat Uber allen Gipfeln ist Ruh (1981). We leren erg, erg langzaam dat Der Schein trügt (1983). Morgen trekken we andermaal op naar Augsburg. Bernhard ingehaald door de eigen utopie. Een dood die vele wonden opent en sluit.

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 4 — 7 minuten

#26

15.06.1989

14.09.1989

Carlos Tindemans