Guy-Ernest Debord

Leestijd 9 — 12 minuten

Theorie van de dérive

Guy-Ernest Debord (1958)

Deze zomer ging Etcetera op bezoek tijdens de voorbereidingen van het Klapstukfestival in het Leuvense STUK. Samen met de artiesten werd onderzocht hoe hun werkproces op een interessante manier kon vormgegeven worden in een visuele of geschreven bijdrage. Martin Nachbar en Jochen Roller maakten voor het verzamelen van hun materiaal gebruik van de techniek van de ‘dérive’ van situationist Guy Debord. Een terugblik in de tijd en een hedendaagse vertaling.

De dérive, een van de technieken van het situationisme, wordt gedefinieerd als een dwaaltocht doorheen verschillende, elkaar afwisselende omgevingen. Eigen aan het concept van de dérive (zwerven, afdwalen) is een speels-constructieve houding en aandacht voor psychogeografische effecten. Heel anders dus dan de klassieke noties van reizen en wandelen.

Wanneer één of meerdere personen een dérive beginnen, spelen algemeen gangbare redenen om zich te verplaatsen of iets te doen even geen rol meer: relaties, werk of hobby verdwijnen voor een kortere of langere periode uit het vizier. De betrokkenen geven zich over aan de stimuli op het terrein en aan de ontmoetingen die hieruit voortvloeien. Toeval is hier minder van belang dan je zou vermoeden: steden hebben vanuit het perspectief van de dérive namelijk een psychogeo-grafisch reliëf. Zo zijn er plaatsen waar de stroom constant is, gefixeerde punten en draaikolken die het moeilijker maken om bepaalde zones in of uit te stappen.

Maar de dérive omvat wel degelijk beide polen: het ongedwongen toeval enerzijds en de beheersing en kennis van psychogeografische variaties en hun mogelijkheden anderzijds. De psychogeografische gedachte kan hierbij deels steunen op ecologische gegevens, zelfs al wordt aan deze wetenschap a priori niet veel plaats toegekend in onze samenleving.

De psychogeografische methode moet dus gebruik maken van de ecologische analyse en die verder aanvullen. Dan hebben we het bijvoorbeeld over de analyse van het absolute of relatieve karakter van de stukjes stadsweefsel, over de rol van microklimaten, over het levensgrote verschil tussen bepaalde woonbuurten en administratieve wijken en vooral over de dominante werking van de attractiepolen. Het objectief-passionele terrein waarop de dérive zich afspeelt, moet tegelijk worden bepaald volgens haar eigen logica en volgens haar verhoudingen tot de sociale morfologie. In zijn studie over Parijs en de Parijse agglomeratie (Bibliothèque de sociologie contemporaine, PUF, 1952) merkt Chombart de Lauwe op dat ‘een stadswijk niet alleen wordt bepaald door de geografische en economische factoren, maar ook door het beeld dat zijn bewoners en die van andere wijken ervan hebben’. Om ‘de engheid van het echte Parijs te tonen, waarbinnen elk individu in een geografisch kader met een uiterst kleine omtrek woont’, beschrijft hij in hetzelfde werk het tracé van alle parcours die op één jaar tijd werden uitgevoerd door een studente van het 16 arrondissement. De parcours vormen een kleine driehoek waar de studente niet buiten het komt. De drie hoekpunten zijn de Ecole des Sciences Politiques, het huis van het meisje en dat van haar pianoleraar.

De manier waarop de dérive zich ontwikkelt, heeft ongetwijfeld baat bij dergelijke schema’s, deze moderne vormen van poëzie die intense gevoelsreacties teweeg kunnen brengen (in dit geval de verontwaardiging dat iemand op deze manier kan leven). En evengoed bij de theorie die Burgess1voorstelde in verband met Chicago, namelijk de sociale activiteiten over welbepaalde concentrische zones verdelen.

Dat het toeval toch nog een belangrijke rol speelt in de dérive, komt vooral door het gebrek aan psychogeografische observatie. Maar het effect van toeval is van nature uit conservatief en in een nieuwe context heeft het de neiging om alles te reduceren tot de afwisseling van een beperkt aantal varianten en tot gewoonte. De toevalligheden die zich voordoen in een dérive zijn totaal verschillend van de toevalsfactor tijdens een wandeling. De ontwikkeling van een dérive is immers meer dan zomaar een plotselinge verandering van één van de terreinen waar het toeval zich voordoet; er ontstaan nieuwe omstandigheden die in onze kaarten spelen. Maar de eerste psychogeografische vondsten kunnen het individu of de groep die met de dérive bezig is er wel toe verleiden om zich vast te klampen aan nieuwe gewoonte-assen, en alles steeds weer daarop terug te brengen.

Het toeval en het reactionaire karakter ervan moet met de nodige argwaan benaderd worden. Dat ondervonden ook de vier surrealisten die in 1923 hun beruchte doelloze zwerftocht jammerlijk zagen mislukken. Ze vertrokken vanuit een stad die door het lot werd bepaald, en daarop volgde een deprimerende dooltocht op het platteland waar toevallige interventies schaarser zijn dan waar ook. Maar die onnadenkendheid zien we nog veel duidelijker in Médium (mei 1954), waar een zekere Pierre Vendryes deze anekdote dacht te kunnen koppelen aan een aantal probabilistische experimenten – dit alles maakte immers deel uit van eenzelfde antideterministische bevrijdingsbeweging. Een ervan was de toevallige verdeling van kikkervisjes in een cirkelvormige kristalliseerschaal, waarbij hij nader verklaart: ‘Zo’n massa mag natuurlijk onder geen beding sturende invloed van buitenaf ondervinden’. Onder deze omstandigheden gaat de zege effectief naar de kikkervisjes, die het voordeel hebben dat ze ‘zoveel mogelijk ontdaan zijn van intelligentie, sociabiliteit en seksualiteit’, en bijgevolg ‘echt onafhankelijk zijn van elkaar’.

Dit zijn abberaties. Daartegenover staat het voornamelijk stedelijke karakter van de dérive die zich thuis voelt in de industrieel getransformeerde grote steden als centra van mogelijkheden en betekenissen. En hierbij past eerder een uitspraak van Marx: ‘Mensen zien om zich heen niets anders dan hun eigen gezicht, alles spreekt over henzelf. Hun landschap leeft.’

Het is mogelijk om een dérive op je eentje te ondernemen, maar alles wijst erop dat werken met meerdere groepjes van twee of drie personen die hetzelfde niveau van bewustwording delen het vruchtbaarst is. Door de indrukken van deze verschillende groepjes met elkaar te vergelijken, kan je tot objectieve conclusies komen. De samenstelling van de groepen zou idealiter bij elke dérive moeten veranderen. Bij groepen van meer dan vier of vijf deelnemers verliest het typische karakter van de dérive snel aan kracht, een dérive met meer dan tien personen is uitgesloten, dan is een opsplitsing in meerdere, gelijktijdige dérives aangewezen. Dit laatste is trouwens een heel interessante manier van werken, maar door allerhande praktische obstakels is het tot nu toe nog niemand gelukt een dérive van die omvang te organiseren. Een dérive duurt gemiddeld een hele dag: het interval tussen twee slaapperiodes. Het tijdstip van vertrek en aankomst heeft geen belang, maar de laatste uren van de nacht zijn over het algemeen niet geschikt voor een dérive.

Deze gemiddelde duur heeft een louter statistische waarde. Het is namelijk eerder uitzonderlijk dat een dérive puur dérive blijft. De deelnemers laten zich bij het begin of aan het eind van de dag immers snel afleiden en verliezen zich vaak een uur of twee in banale bezigheden. Naar het einde van de dag toe haken velen af door vermoeidheid. Daarnaast verloopt een dérive ook vaak binnen de tijdspanne van een aantal vastgelegde uren, soms zelfs op een toevallig tijdstip. Die tijdspanne kan heel kort zijn, of meerdere dagen beslaan. Ondanks de door de slaap opgelegde rustpauzes kunnen erg intense dérives drie, vier of zelfs meer dagen uitlopen. In het geval van opeenvolgende dérives tijdens een tamelijk lange periode wordt het bijna onmogelijk om precies vast te stellen waar de gemoedstoestand van een bepaalde dérive ophoudt en een andere begint. Het is wel al eens voorgekomen dat een reeks opeenvolgende dérives zonder noemenswaardige onderbreking tot bijna twee maanden is doorgegaan, wat uiteraard nieuwe objectieve gedragscondities met zich brengt, die op hun beurt een groot aantal oude condities doen verdwijnen.

Hoewel de invloed van de weersomstandigheden reëel is, is die slechts relevant in het geval van aanhoudende regen. Dan wordt het bijna onmogelijk om te gaan wandelen. Maar stormbuien of andere soorten neerslag hebben eerder een gunstig effect.

Het ruimtelijke veld van de dérive kan precies of vaag worden afgebakend, afhankelijk van het feit of de activiteit eerder gericht is op het bestuderen van dat terrein of op het destabiliseren van gevoelens. Deze twee aspecten van de dérive werken sterk op elkaar in; het is dan ook onmogelijk om één ervan in zijn pure toestand te isoleren. Maar het gebruik van taxi’s, bijvoorbeeld, kan een tamelijk duidelijke scheidingslijn vormen: indien de deelnemer tijdens de dérive een taxi neemt, hetzij met een duidelijke bestemming, hetzij om zich twintig minuten lang richting westen te verplaatsen, dan gaat het vooral om persoonlijke destabilisatie. Als hij hiermee het terrein wil verkennen, staat de zoektocht naar een psychogeografisch urbanisme centraal.

In ieder geval hangt het ruimtelijke veld in de eerste plaats van de vertrekbasis af -voor een individu zijn woonst, en voor groepen het gekozen punt van samenkomst. Het maximale bereik van dit ruimtelijke veld is niet groter dan een grote stad en haar voorsteden. Het minimale bereik kan worden beperkt tot een kleine omgevingseenheid: een bepaalde wijk, of zelfs een huizenblok, als dat de moeite waard is (met als extreem uiterste de statische dérive: bijvoorbeeld een dag doorgebracht in het treinstation Lazare).

Om een vastgesteld ruimtelijk veld te gaan verkennen, moet je vertrekbasissen bepalen en richtingen berekenen. Hierbij komen zowel gewone als ecologische kaarten kijken, die je kan bestuderen, aanpassen en verbeteren. Wat hierbij vanzelfsprekend helemaal niet meespeelt, is een of andere vorm van voorliefde voor nog onbekend en nooit bezocht terrein. Dit is een onbelangrijk en totaal subjectief aspect van het probleem, dat doorgaans ook geen lang leven beschoren is en als criterium nooit gebruikt wordt. Tenzij misschien sporadisch, wanneer iemand de psychogeografische uitwegen van een zone wil vinden door systematisch van alle gebruikelijke punten af te wijken. Op dat moment kan je verdwalen in een wijk waar je al ettelijke keren door bent gelopen.

Bij een ‘mogelijke afspraak’ daarentegen speelt desoriënterend gedrag een veel grotere rol dan het verkennen van de omgeving. Het individu wordt verzocht om zich op een bepaald uur op zijn eentje naar een bepaalde plaats te begeven. Hij heeft geen last van de vervelende verplichtingen van een gewone afspraak, want hij moet op niemand wachten. Nu deze ‘mogelijke afspraak’ hem onverwacht naar een plek heeft gebracht die hij misschien kent – misschien ook niet – observeert hij zijn omgeving. Het kan zijn dat op dezelfde plaats een ‘andere mogelijke afspraak’ werd geregeld met iemand van wie hij de identiteit niet kent. Iemand die hij misschien zelfs nog nooit gezien heeft – wat hem ertoe aanzet om met verscheidene voorbijgangers een gesprek aan te knopen. Het is mogelijk dat hij niemand tegenkomt, maar ook dat hij toevallig de persoon tegen het lijf loopt die de ‘mogelijke afspraak’ heeft geregeld. In ieder geval, en vooral wanneer plaats en tijdstip goed gekozen zijn, zal de manier waarop het individu zijn tijd gebruikt een onverwachte wending nemen. Hij kan zelfs telefoneren en een ‘andere mogelijke afspraak’ vragen aan iemand, die niet weet waar de eerste afspraak hem heeft gebracht. De mogelijkheden van dit tijdverdrijf zijn haast onuitputtelijk.

Zo zijn er grappen die niet iedereen geslaagd vindt, maar die ik in mijn entourage altijd enorm apprecieer, zoals bijvoorbeeld ‘s nachts binnendringen op de bovenverdiepingen van afbraakpanden, Parijs in één keer al liftend doorkruisen tijdens een staking van het openbaar vervoer en zich daarbij om het even waarnaartoe laten rijden zodat de verwarring nog groter wordt, ronddolen in de kelders van de catacomben, die verboden zijn voor het publiek. Het hoort allemaal thuis onder een universeler gevoel dat in niets verschilt van het gevoel van de dérive.

Dankzij de lessen die we trekken uit de dérive, kunnen we de psychogeografische articulaties van een moderne stad voor het eerst registreren. Niet alleen de leefunits, hun voornaamste bestanddelen en hun ruimtelijke ligging, maar ook de centrale passage-assen, de uitwegen hieruit en de manier waarop die beveiligd zijn. Dit leidt tot de centrale hypothese dat er psychogeografische draaischijven bestaan. De afstanden die effectief tussen twee zones van een stad liggen zijn niet te vergelijken met wat een plan op het eerste gezicht doet geloven. Met behulp van oude kaarten, luchtfoto’s en experimentele dérives kunnen we een invloedrijke cartografie opbouwen – die tot op heden nog niet bestaat. Er moet op dit vlak nog immens veel werk worden verzet: de huidige kaarten zijn dan ook nog niet helemaal betrouwbaar, maar zeker niet minder betrouwbaar dan de eerste kompaskaarten. Het enige verschil is dat het nu niet meer gaat om het precies afbakenen van continenten, maar om het wijzigen van architectuur en urbanisme. De verschillende leef- en wooneenheden van vandaag zijn niet exact gescheiden, maar worden omringd door min of meer uitgestrekte grensgebieden. De meest algemene verandering waar de ervaring van de dérive toe wil komen, is het constant verkleinen van die grensgebieden, tot ze uiteindelijk volledig verdwijnen.

In de architectuur zelf geeft de idee van de dérive aanleiding tot allerlei nieuwe labyrintische vormvoorstellen, iets wat door de moderne bouwtechnieken nog in de hand gewerkt wordt. Zo maakte de pers in maart 1955 melding van een nieuw bouwproject in New York dat de eerste tekenen vertoonde van de mogelijkheid om in een appartement te ‘dériveren’: ‘De woningen in dit spiraalvormige huis zullen de vorm hebben van een stuk taart. Ze kunnen naar hartelust worden vergroot of verkleind door de mobiele binnenwanden te verplaatsen. Dankzij de trapsgewijze opklimming per halve verdieping hoeft het aantal kamers niet beperkt te worden, want de huurder kan een hoger of lager gelegen stuk gebruiken. Door dit systeem kunnen drie appartementen met vier kamers in drie uur tijd worden omgetoverd tot één appartement met twaalf of meer kamers.’

Het gevoel voor dérive is van nature uit verbonden met een bredere levensvisie, maar het zou een ongelukkige gevolgtrekking zijn om die er automatisch uit af te leiden. Over de al dan niet terecht erkende of verguisde voorlopers van de dérive in vroegere literatuur wil ik hier niet uitweiden, noch over de bijzondere, passionele aspecten die de dérive met zich brengt. De dérive heeft met dezelfde moeilijkheden te kampen als vrijheid. Alles wijst erop dat het gedrag en het decor van onze samenleving in de toekomst snel zullen veranderen. Ooit zal men steden bouwen om in rond te dwalen. Mits een paar relatief kleine ingrepen kunnen we hiervoor bepaalde zones gebruiken die nu al bestaan. En bepaalde personen die er nu al zijn.

Vertaling: Taal-Ad-Visie

1 Tijdens de jaren 1920 onwikkelden Robert E. Park (1864-1944) en Ernest W. Burgess (1886-1966) een programma voor stadsonderzoek aan het departement sociologie van de University of Chicago. In verscheidene onderzoeksprojecten gelokaliseerd in Chicago, werkten ze een theorie van stedelijke ecologie uit, waarin ze stelden dat omgevingen geregeerd worden door natuurlijke processen, en dus ook door de wetten van de Darwiniaanse evolutie die de natuurlijke ecosystemen beïnvloeden, (nvdr)

artikel
Leestijd 9 — 12 minuten

#99

15.12.2005

14.03.2006

Guy-Ernest Debord

artikel